ESSAY Kunstenaars in den vreemde

Ubi bene

Wat doet ballingschap met de kunstenaar? Voor Ovidius stond zijn verbanning uit Rome gelijk met de dood. Maar zou Proust anders geschreven hebben als hij zijn slaapkamer vaker zou hebben verlaten?

TRISTIA HEET de gedichtencyclus van de oervader aller verbannen kunstenaars, Publius Ovidius Naso. Die gedichten schreef hij in Tomi (tegenwoordig Constanza in Roemenië aan de Zwarte Zee), waar hij in het jaar 8 na Christus door Augustus naartoe was verbannen en waar hij negen jaar later, zonder zijn geliefde Rome terug te zien, zou sterven.
Van Rome, het kloppende hart van de antieke wereld, naar het einde van de wereld waar nog een soort oerchaos heerste. In deze gure Griekse stad aan de Donau die nog maar dertig jaar onder het Romeinse bestuur viel, sprak men geen Latijn, de meerderheid van de bevolking bestond uit wilde, vechtlustige Geten en Sarmaten, de rest waren Grieken die de barbaarse taal en gewoontes hebben overgenomen. Vanachter de Donau werd Tomi om de haverklap aangevallen door vrije barbaren, hun vergiftigde pijlen bestookten de straten van de stad. In de winter veranderde het water in ijs en slechts één keer per jaar, in de zomer, kwamen hier de boodschappers van de geciviliseerde wereld, de Griekse schepen. In Tomi geen wijngaarden, geen tuinen, maar kale, lege steppen die slechts oorlog en dood brachten, het ijs van de rivier waarover de vijand binnenvalt, de onbegrijpelijke, onwelluidende taal, de schapenvellen in plaats van kleren, het mes in plaats van de wet, de eeuwige angst om ontvoerd en vermoord te worden door de gifpijlen. En geen boeken.
Voor de verfijnde en erudiete dichter, de schrijver van Ars Amandi, de favoriet van de Romeinse beaumonde, die samen met zijn vrouw en dochter in een mooi, gastvrij huis resideerde vlak bij Capitolium, en die zich een deel voelde van het beschaafde, gecultiveerde universum van Rome, het eiland te midden van de barbaarse wereld, kon deze ballingschap slechts één ding betekenen: de terugkeer naar de dierlijke staat en dus naar de dood.
Voor een kunstenaar uit de Oudheid was de chaos van de natuur en die van zijn innerlijke hartstochten nog geen romantische spielerei. Dat kwam pas later toen de beschaving genoeg barrières had opgeworpen tussen de mens en die chaos.
Maar toen was de herinnering eraan nog te levendig, te huiveringwekkend om ermee te koketteren. Een kunstenaar uit de Oudheid had zijn kunst nodig om die chaos te bedwingen. Voor Ovidius was er slechts één manier om in ballingschap te overleven: de orde scheppende, analyserende, verhelderende kunst der retoriek.
Tristia, dat is de ballingschap als de dood, de balling als de levende dode, het brandende manuscript van Metamorfosen als het lijkvuur van de dichter, de paradox van de levende dood.
Tristia, dat is het leven van de balling dat slechts in twee woorden kan worden samengevat: ‘winter’ en 'oorlog’, of nog korter, in 'ijs’ en 'gif’.
Tristia, dat is tevergeefs smeken en wachten op de genade van de keizer.
Tristia, dat is tegen beter weten in hopen op de trouw van zijn geliefde vrouw en zijn vrienden.
Tristia, dat is eenzaam lijden dat de ziel aantast, zoals de zon dat met sneeuw doet, de zee - met stenen, de roest - met ijzer, de worm - met hout.
Tristia, dat is de tijd die de stier aan het juk doet wennen, het paard aan het hoofdstel, dat is de tijd die de ploeg afstompt en de vuursteen slijt, maar niet in staat is om het heimwee te stillen.
Maar bovenal is Tristia een geheel nieuwe literaire kunstvorm, die Ovidius in zijn ballingschap heeft uitgevonden om te overleven, door de bestaande genres - de elegieën en de brieven in dichtvorm - met elkaar te kruisen. Het werden trieste elegieën waarin geen liefde werd bezongen maar de ultieme eenzaamheid van de balling aan wie Ovidius voor het eerst stem heeft gegeven.

BIJNA tweeduizend jaar later wijdde een andere beroemde balling, Joseph Brodsky, een schitterend gedicht aan Ovidius, Ex Ponto (De laatste brief van Ovidius naar Rome) waarin hij niet alleen de dichter eert, diens vrouw en de eeuwige stad, maar ook zijn dank betuigt aan de Griekse schepen die de trieste brieven een keer per jaar naar Rome voerden maar helaas geen vrijheid terug brachten.

Van overzee is dit opnieuw een groet
aan jou die geen verwelking hoeft te vrezen,
In Rome, dat na mijn vertrek voorgoed,
precies als jij, hetzelfde is gebleven.
Schepen gaan sinds mensenheugenis
hierheen om zich te overtuigen
dat dit het eindpunt van de wereld is.
Helaas ligt er geen vrijheid in hun ruimen.
(vertaling Peter Zeeman) >
Voor Brodsky was de Romein de ideale dichter in ballingschap. Eentje die zich zozeer door de taal liet inpalmen dat hij aan het eind van zijn leven zelfs in een barbaarse taal ging dichten, in die van de Geten. Want daar ging het om in de ballingschap, om de taal, al dan niet zijn eigen, zonder welke je monddood bleef, en dus dood. Hoezeer Brodsky zich ook verzette tegen de romantische en martelaarsstatus van een verbannen kunstenaar, die in de tweede helft van de twintigste eeuw in de westerse wereld in zwang raakte, hoezeer hij de ballingschap bleef aanduiden als 'de natuurlijke staat’ van elke schrijver, toch is hij zijn hele leven achtervolgd door de angst om in den vreemde zijn taal te verliezen en daarmee het vermogen om te dichten.
Juist omdat hij vond dat wat hij 'verplaatsen in de ruimte’ noemde voor een dichter niets zou moeten uitmaken - een vogel kan immers op elke tak zijn lied zingen onder het geruis van de bladeren dat hij voor applaus aanhoort - moet die angst voor dat helse wit van een schoon vel papier, voor die allesverzengende leegte, behoorlijk hevig zijn geweest. Maar die angst was ook de motor waarop zijn dichtersbestaan draaide.
ALLE BALLINGEN hebben hun eigen ballingschap. Niemand van het nageslacht van Ovidius deelt hetzelfde lot. Als kunstenaar welteverstaan. Natuurlijk zijn er overeenkomsten, zoals de aanpassingsproblemen, de taal, de noodzaak om geld te verdienen. De gemeenschappelijke geestelijke deler waarmee de kunstenaars uit den vreemde tegenwoordig echter dikwijls bij elkaar worden gezet, is een uitvinding van uitgevers en academici die de levende en dus ongrijpbare kunst in bijpassende en vooral allesverklarende rubrieken moeten zien te classificeren, zoals in van die gruwelijke gender-, afro-American-, homo-, allochtonen- en aanverwante literaire subcategorieën waar de moderne letterkundige geschriften bol van staan.
Iedere schrijver en kunstenaar in den vreemde legt zijn eigen weg af, zoekt naar zijn eigen, hoogst particuliere middelen om naar eer en geweten zijn kunstenaarschap vorm te geven. Tenzij hij uit zijn ontheemding munt wil slaan en zich een imago aanmeet dat beantwoordt aan de modieuze clichés over een banneling waar het dankbare publiek zo naar hunkert, waardoor dit voor even zijn eigen, gezapige bestaan onder een exotische of dramatische gloed mag aanschouwen. Hoe groter en opzichtiger de gevoelens van ontheemding en verscheurdheid worden afgebeeld, des te heftiger de bevrediging van de naar de verlossing snakkende bewoner van 'het beschaafde’ deel van de wereld.
Terwijl het gros van die kunstenaars, anders dan Ovidius, in de omgekeerde richting heeft gereisd, uit de chaos van moorddadige regimes naar de comfortabele civilisatie van democratieën waar ze vaak meelevend en welwillend werden ontvangen.
Geef mij maar in plaats van al dat zwelgen een klein gedicht van Brodsky, waarin hij zijn dode vader uit Australië laat bellen en mopperen, met een echoënde norse stem, over het klimaat en zijn dikke enkels, tot de verbinding met veel kabaal en gebulder weer voorgoed wordt verbroken alsof het hiernamaals zelf besluit in te grijpen om de orde te herstellen.
Het antwoord op de vraag hoe en in hoeverre de plek waar de kunst wordt gemaakt die kunst beïnvloedt, en vooral of de ballingschap een voorwaarde is voor interessante kunst, blijft even duister als fascinerend. Krijg je in 'den vreemde’ een intenser, dramatischer, krankzinniger werk dan in 'de heimat’ van een kunstenaar? Jazeker, denk maar aan Nabokov, voor wie de ballingschap zowel een vloek was als een zege, of aan Conrad.
Maar je hoeft ook maar één voorstelling van Pina Bausch te zien, die haar hele leven in Wuppertal heeft gewerkt, om de onzinnigheid van die bewering in te zien. En Proust die zijn meesterwerk schreef zonder overmatig vaak zijn slaapkamer te verlaten? En had Arvo Pärt andere muziek geschreven als hij niet naar Duitsland was geëmigreerd? Dat denk ik eerlijk gezegd niet, maar een ding weet ik bijna zeker: in sovjet-Estland zou hij nooit uitgevoerd kunnen worden. Net als ik er vrijwel zeker van ben dat als Strawinsky in de jaren dertig naar Rusland was teruggekeerd hij niet eens had kunnen componeren, omdat hij met zijn ontaarde kapitalistische muziek per direct in de Goelag was beland. Voor die laatste twee geldt misschien wel de gouden regel van Erasmus die deze, geïnspireerd door Cicero, op zijn leven toepaste: Ubi bene, ibi patria. Weinig patriottisch naar de moderne smaak, maar een zeer vruchtbare houding in een tijd toen de intellectuelen in Europa Latijn spraken en er aan de Europese hoven door componisten en musici uit verschillende landen prachtige muziek werd gemaakt.

AAN ANNA Achmatova daarentegen was deze regel niet besteed. Hoewel ze na de Revolutie naar het veilige Westen had kunnen emigreren, besloot ze om in sovjet-Rusland te blijven en zo werd ze een van de vele bannelingen in eigen land, wat al gauw een levensgevaarlijke conditie bleek te zijn. De natuurlijke staat van een kunstenaar waar Brodsky het over had, werd in de Sovjet-Unie met ijzeren vuist geformaliseerd en hoe! Samen met Mandelstam, Platonov, Pasternak en anderen bleef ze schrijven te midden van de oerchaos waarin Rusland was gestort. In haar beroemde gedicht Requiem, over een moeder wier zoon naar de Goelag is afgevoerd, vertelt ze over de marteling, de kruisiging en piëta, maar dan zonder de opstanding. Zo gaf ze de stem terug aan haar 'honderdmiljoenen volk’.
Door te blijven schrijven, met gevaar voor eigen leven, bewaarde ze ook, samen met andere kunstenaars, de Russische taal die dreigde te verdwijnen in het primitieve, betekenisloze socialistisch-realistische jargon, de nieuwe sovjettaal.
De 'nieuwe’ bannelingen in eigen land, de dissidente schrijvers in de jaren zestig en zeventig, namen die missie over. Sommigen werden 'echte’ bannelingen en ontvluchtten het land, hetzij gedwongen zoals Solzjenitsyn of Vojnovitsj, hetzij 'verplicht vrijwillig’ wanneer een kunstenaar moest kiezen tussen gevangenschap of emigratie.
Treffend is het lot van het schrijversduo Sinjavski en Daniel dat vanwege de publicatie van hun satirische verhalen in het buitenland begin jaren zestig na een geruchtmakend proces werd veroordeeld tot het werkkamp. Na zijn vrijlating verliet Sinjavski, op uitnodiging van Sorbonne, de Sovjet-Unie. Zijn leven als schrijvende balling bleek buitengewoon productief en belangrijk. Neem alleen maar zijn lezingencyclus die verschenen is onder de titel De fundamenten van de sovjet-civilisatie. De scherpzinnigste en helderste analyse van het fenomeen Sovjet-Unie die ik ooit heb gelezen. Daniel daarentegen bleef gebroken in zijn land en heeft niet veel meer geschreven. Maar als je hun beider werken in het perspectief van de eeuwigheid zet - en dat is toch het enige juiste in het geval van de kunst - dan ontdek je dat dat ene verhaal van Daniel, Hier is Moskou, waarin de Moskouse radio op een ochtend aan het verbijsterde volk De dag van het vrije moorden aankondigt, niet minder belangrijk is dan alle werken van Sinjavski tezamen.
Al die kunstenaars hadden een ding gemeen: hun lot was verbonden met dat van hun volk. Dat maakte hun kunst urgent en onmisbaar. Ongeacht waar ze over schreven, dichtten, wat ze schilderden, beeldhouwden of componeerden, hun werk was altijd politiek, alleen al door het feit dat ze de regels van de socialistisch-realistische kunst aan hun laars lapten en daarmee de vrijheid vierden. Zolang de totalitaire regimes bestonden, hadden ze een miljoenenpubliek dat haast fysiek naar hun werk snakte om iets van die vrijheid te proeven.
Met de val van het communisme veranderde de situatie ingrijpend. In zekere zin was deze genormaliseerd. Geen Methode meer die je als kunstenaar moest bestrijden, al dan niet in den vreemde, of juist dienen in ruil voor een prettig bestaan.
De verwarring van de kunstenaar die uit Oost-Europa naar het vrije Westen was geëmigreerd en die in de jaren vijftig zo scherp door Milosz werd geanalyseerd in zijn De geknechte geest, als die arme Oost-Europeaan tot zijn ontsteltenis ontdekt dat hij niet alleen met andere kunstenaars moet concurreren maar ook met dieetgoeroes, topsporters en de overige talrijke spelers van de vermaakmarkt, werd nu de realiteit voor alle Oost-Europese kunstenaars. Opeens moesten ze hun eigen overbodigheid zien te overleven.

IN JE 'HEIMAT’ ben je 'natuurlijk’ verbonden met je land, hoe pijnlijk die band soms ook kan zijn.
In den vreemde mis je die vanzelfsprekende verbondenheid, die voor een romanschrijver althans, in mijn ogen, essentieel is. Waar anders dan uit de werkelijkheid moet je je thema’s halen? Door erover te schrijven, word je ook een deel van de wereld waarin je fysiek bent ondergedompeld.
Als kunstenaar in den vreemde kun je derhalve een verbintenis proberen aan te gaan met je nieuwe heimat. Of kiezen voor Ubi bene, ibi patria.
Dat laatste lijkt me overigens meer iets voor de non-verbale kunstvormen, zoals de muziek bijvoorbeeld, met zijn niet taalgebonden, onthechte idioom.
Wat mezelf betreft heb ik voor het eerste gekozen. Omdat ik nog jong was, omdat ik snel de taal heb geleerd en vooral omdat ik pas hier schrijver ben geworden. Zo vielen voor mij het vreemde, de nieuwe taal en het schrijverschap op een organische manier samen.
Bovendien heb ik niet 'Rome’ achter me gelaten en ben ik dus niet uit het paradijs verjaagd, zoals Ovidius. Integendeel, ik heb vrijwillig en vol goede moed mijn land verlaten omdat ik geen zin had om een speelbal te zijn van gewetenloze, cynische en jawel, barbaarse machthebbers. De omgekeerde tocht dus, richting ubi bene, maar het blijft den vreemde.
Na jaren zijn geliefde Rome beweend te hebben is Ovidius begonnen aan zijn Kunst der visvangst. In het Getisch, de taal die hem in het begin tot wanhoop dreef en die hij later onder meer van de plaatselijke vissers heeft geleerd. Hij liep al tegen de zestig toen.
Dat vind ik prachtig, moedig en ontroerend. Ikzelf beweeg me nu in de omgekeerde richting. Na jaren in het Nederlands geschreven te hebben ben ik, uit angst om mijn Russisch te verliezen, in mijn eigen taal gaan schrijven.
Maar dat is niet de enige reden om door te gaan met het schrijven in welke taal dan ook. Er breken troebele tijden aan. De chaos waar Ovidius tweeduizend jaar geleden zo bang voor was, is dichterbij dan je denkt. Alleen zonder schapenvellen aan deze keer.
Aan de kunstenaars de taak om die te bedwingen.
'Dance, dance, otherwise you are lost’, bleef Pina Bausch herhalen tegen haar dansers. Ik onderschrijf dit in mijn beide talen.


Op 21 oktober houdt Sana Valiulina een lezing over 'Expats en identiteit’, in Confrontaties, het interdisciplinair programma van de AAA-serie, met muziek, beeldende kunst en debat - in samenwerking met het Stedelijk Museum. 16.00 uur, Spiegelzaal, Concertgebouw, Amsterdam