Racisme: Protesten in Nederland

Uit de defensieve kramp

Racisme is een ‘systemisch probleem’ dat ook in Nederland voorkomt, erkende premier Mark Rutte nadat duizenden mensen de straat op waren gegaan om tegen racisme te demonstreren. Is ons tolerante zelfbeeld eindelijk aan het kantelen?

Antiracismedemonstratie op het Abdijplein in Middelburg, 8 juni © Robin Utrecht / ANP

Nee, ze was niet weggepest uit Nederland, zoals wel eens werd beweerd, maar in goede aarde viel haar boodschap zeker niet. Toen ze een baan aangeboden kreeg aan een Amerikaanse universiteit was de keuze dan ook snel gemaakt, dat is een vruchtbaardere werkomgeving voor een academicus die racisme onderzoekt. Niet omdat racisme enkel voorkomt in de VS, wel omdat het debat daar een stuk verder is. Daar kijkt niemand je gek aan als je het hebt over ‘alledaags racisme’ of als je probeert door middel van interviews met slachtoffers daarvan een scherpere blik op het fenomeen te krijgen. Dat is in Nederland wel anders. Hier vallen zelfs progressieve collega’s, die nota bene zelf onderzoek hebben gedaan naar discriminatie, over je heen omdat je het r-woord in de mond hebt durven nemen.

Dat was althans de ervaring van Philomena Essed toen zij in 1984 haar boek Alledaags racisme presenteerde. ‘Ik wilde wetenschapper worden om te ontdekken wat de wereld beter en rechtvaardiger maakt’, vertelde ze toen wij haar vorig jaar interviewden. ‘Maar met mijn kritische aanpak stond ik niet bepaald boven aan de lijst om hoogleraar te worden. Ik merkte dat ik in Nederland tegen een soort ideologisch plafond opbotste en als je dat te lang doet beschadigt je hoofd.’

De weerstand die Essed destijds ondervond zal andere Nederlandse antiracisten bekend voorkomen. Of het nu gaat om de Kick Out Zwarte Piet-activisten (kozp) die protesteerden bij sinterklaasintochten, het academische werk van Gloria Wekker over ‘witte onschuld’, of om Sylvana Simons die via de politiek aandacht probeert te vragen voor racisme, telkens is de reflex hetzelfde: ja, discriminatie is echt heel naar, we vinden het heus erg, maar dit is niet de manier om het aan de kaak te stellen. Kan de toon misschien iets minder aanvallend? Kunnen we het een beetje gezellig houden? En is ‘racisme’ niet een erg zware aantijging? Op het moment dat ons tolerante zelfbeeld wordt doorgeprikt schieten veel Nederlanders onmiddellijk in een defensieve kramp.

Al zijn er ook genoeg Nederlanders die snappen dat dat zelfbeeld aan herziening toe is, zo bleek afgelopen week toen in verschillende steden duizenden mensen de straat opgingen, uit solidariteit met de Amerikaanse Black Lives Matter-beweging (blm), maar ook uit frustratie met het hardnekkige racisme dat hier evengoed voorkomt. Dat erkende ook premier Mark Rutte volmondig toen hem daar, tijdens een persconferentie die verder vooral ging over corona, door NRC-journalist Lamyae Aharouay naar werd gevraagd. ‘Niet alleen in de Verenigde Staten leven mensen die het gevoel hebben dat ze niet volledig meetellen’, zei hij. Racisme is een ‘systemisch probleem’ waar ook Nederland mee kampt, dus Rutte begreep heel goed dat mensen daar massaal tegen protesteerden. Zelf bleek hij van mening te zijn veranderd over Zwarte Piet; eerst zag hij het probleem niet zo, totdat hij hoorde dat kinderen met een donkere huidskleur zich gediscrimineerd voelen door deze volkstraditie. ‘Dat is het laatste wat je wil bij het sinterklaasfeest.’

De Amerikaanse politie is niet te vergelijken met de Nederlandse. Maar racisme is er zeker

Het was opmerkelijk klare taal van een politicus die nog niet zo lang geleden vond dat Nederlanders met een migratieachtergrond zich maar moesten invechten, die de grieven over het zwarte hulpje van de Sint wegwuifde omdat zijn ‘black friends in the Antilles’ blij waren dat ze hun gezicht niet hoefden te schminken en die in 2007 zelfs werd veroordeeld vanwege het ‘aanzetten tot rassendiscriminatie’, omdat hij als staatssecretaris van Sociale Zaken gemeenten had geadviseerd om inwoners met een Somalische achtergrond strenger te controleren op fraude. Rutte zag er destijds geen kwaad in om bepaalde bevolkingsgroepen anders te behandelen, liet hij weten nadat hij door de rechter op de vingers was getikt omdat zijn advies in strijd was met artikel 1 van de grondwet. ‘Blijkbaar is dat nu wettelijk gezien niet mogelijk. Het is hoog tijd om de wet te veranderen.’

Het is een flink contrast met de woorden die hij afgelopen week uitsprak. Op Radio 1 liet kozp- en blm-organisator Jerry Afriyie weten blij te zijn met de boodschap van de premier. ‘Het is een belangrijke eerste stap.’ Maar over concrete maatregelen om dat gif in de maatschappij te bestrijden bleef Rutte vaag: ‘Een actieplan werkt hier niet, daar ben ik van overtuigd. Wat werkt is normeren en als samenleving collectief weerstand bieden.’ En over ‘institutioneel racisme’ wilde de premier niet spreken, zulk ‘sociologenjargon’ vermeed hij liever. Hij ontkende niet dat het voorkomt, maar ‘het risico van zo’n term is dat je een grote groep mensen verliest, die in de kern niet [racistisch] zijn, en die dat niet opgeplakt willen krijgen’, legde Rutte uit in de Tweede Kamer.

Niet zelden klinkt het verwijt dat de antiracisten ‘Amerikaanse problemen’ importeren, met hun aanklachten tegen institutional racism of hun analyses van white privilege. En inderdaad, het valt niet te ontkennen dat een flink deel van het antiracistische vocabulaire ontstond aan de overzijde van de oceaan – ‘Black Lives Matter’ werd een strijdkreet nadat de buurtwachtcoördinator die verantwoordelijk was voor de dood van de zeventienjarige Trayvon Martin in 2013, George Zimmerman, werd vrijgesproken. De demonstraties in de Verenigde Staten zijn in de eerste plaats gericht tegen het excessieve politiegeweld tegen zwarte Amerikanen. Rodney King, Michael Brown, Tanisha Anderson, Eric Garner, Breonna Taylor, George Floyd, het zijn namen die een trend blootleggen: de ordetroepen die bedoeld zijn ‘to serve and protect’ vormen maar al te vaak een bedreiging voor Afro-Amerikanen.

Of de situatie in de Verenigde Staten te vergelijken is met die in Nederland? ‘Nauwelijks’, zei antropoloog Sinan Çankaya afgelopen weekend in Trouw. ‘De Nederlandse politie is onvergelijkbaar met de Amerikaanse – die is militaristisch en verkeert in een staat van oorlog met de eigen bevolking.’ Maar dat betekent allerminst dat de agenten in ons land vrij zijn van racisme en discriminatie, weet Çankaya, die zelf meerdere onderzoeken deed naar etnisch profileren door de politie.

De eis ‘geen allochtonen in de woning’ bleek voor makelaars ‘geen raar verzoek’

En hoewel het korps probeert nieuwe agenten met een ‘diverse’ achtergrond te werven, valt er intern nog een hoop werk te verrichten, zo bewees een tamelijk onthutsend ‘zwartboek’ met getuigenissen van intolerant gedrag in 2017. Enkele quotes: ‘Als ik in burger een ander bureau binnenkom, waar men mij niet kent, wordt mij steevast op onvriendelijke toon gevraagd: “Wat moet je hier?”, terwijl mijn blanke collega’s gewoon door kunnen lopen. Ik word met mijn rastahaar verhoudingsgewijs vaak staande gehouden en zonder dat ik uitleg krijg over de reden.’ Voor de duidelijkheid: dit citaat is van een politieman. Nog een voorbeeld: ‘Ik was met een leidinggevende op weg naar de kantine om te gaan lunchen en vlak voor de kantine hing een poster. Het was een foto van mij, met handboeien en men had tralies op de foto getekend, voorzien van de tekst “imagine our monkey in a cage”. Duidelijk zichtbaar voor iedereen die daar langs liep.’ De nieuwe korpschef Henk van Essen wil een ‘actieve aanpak’ hanteren om dit soort taferelen ‘uit te bannen en te voorkomen’, zo liet hij afgelopen week weten in een schriftelijke verklaring waaruit de NRC citeerde.

‘We hebben een eigen Nederlands racisme’, vervolgde Çankaya in Trouw. ‘Zo bestaat er anti-zwart racisme, denk aan teksten over verschillen in intelligentie tussen rassen. Maar ook vormen van islamofobie en antisemitisme zijn springlevend, vanwege de groei van extreem-rechts. Denk ook aan de smerigheid die Arnon Grunberg over zich heen kreeg toen hij tijdens de Nationale Dodenherdenking Marokkaanse Nederlanders aanhaalde.’

Rutte mag ‘institutioneel racisme’ dan een sociologenterm vinden die de zaken onnodig compliceert, eigenlijk is het niet bijster ingewikkeld. Het is een begrip met een heldere definitie die licht kan werpen op structurele vormen van uitsluiting. Het is een vorm van racisme die, aldus het Wikipedia-lemma, tot uiting komt in ongelijkheid van onder meer ‘wealth, income, employment, housing, political power and education’. Toen we daar twee jaar geleden onderzoek naar deden, spraken de cijfers voor zich: witte Nederlanders hebben een gemiddeld vermogen van 38.400 euro, bij hun landgenoten met een niet-westerse migratieachtergrond was dat zeshonderd euro. Ook in de inkomensstatistieken zijn de verschillen groot: respectievelijk 29.000 en 20.700 euro. Het openbaar bestuur in Nederland is een wit bastion en ook in de boardrooms van grote bedrijven of advocatenkantoren is weinig kleur te bekennen.

Toen wij onderzoek deden naar discriminatie op de woningmarkt hadden we wel een vermoeden dat daar sprake van zou zijn, alleen al omdat talloze studies hadden uitgewezen dat het volop gebeurde op bijvoorbeeld de arbeidsmarkt en bij het vinden van een stageplaats. Maar toen we vervolgens vijftig makelaars belden om ons zogenaamde huis te verhuren met de eis ‘geen allochtonen in de woning’, bleek dat al snel ‘geen raar verzoek’. Bij de eerste telefoontjes was het al pijnlijk. Maar toen ruim negentig procent van de makelaars doodleuk inging op ons discriminerende verzoek – voor sommigen was het zelfs een aansporing er een schepje bovenop te doen (‘Ik moet ook geen Indiërs in mijn huis, dan wordt het straks een halve wokpan’) – werden we rechtstreeks en zonder omhaal geconfronteerd met institutioneel racisme.

Is de toeslagenaffaire inderdaad een affaire? Of legt het iets diepers bloot in de samenleving?

Als dat al niet overtuigend genoeg is, dan is er nog de toeslagenaffaire bij de Belastingdienst. Daarbij werden onrechtmatig kinderopvangtoeslagen stopgezet van ouders die naast de Nederlandse nog een nationaliteit hadden, die heimelijk werd bijgehouden, met desastreuze financiële gevolgen voor de desbetreffende gezinnen. Een helderder voorbeeld van institutioneel racisme zul je nauwelijks vinden.

De vraag is echter: is het inderdaad een affaire, of legt het iets diepers bloot in de samenleving en de manier waarop dit soort instituten functioneren? Want hoe kan het dat hier intern kennelijk wel over is geklaagd, maar dat er niks mee is gebeurd? Het waren de journalisten Pieter Klein van rtl en Jan Kleinnijenhuis van Trouw die de affaire blootlegden waardoor staatssecretaris Menno Snel uiteindelijk moest aftreden – en die voor hun onderzoek terecht zo ongeveer alle journalistieke prijzen ontvingen. Dat is de vraag die het parlement nu ook met een ‘mini-enquête’ hoopt te beantwoorden: hoe heeft dit kunnen gebeuren? Waarom heeft toenmalig minister Lodewijk Asscher niet ingegrepen toen hij signalen kreeg? Datzelfde geldt voor premier Rutte en Eric Wiebes, destijds staatssecretaris.

Dat de verantwoordelijken voor het discriminatieschandaal bij de Belastingdienst diep door het stof moeten, zal niemand verwonderen, maar etnisch profileren gebeurt ook met onschuldigere intenties en ook dan ligt het gevoelig. Zo bleek de nos een database bij te houden waarin de afkomst van mensen werd geregistreerd, maar dan juist bedoeld als aanmoediging om diversere journalistiek te bedrijven. De journalisten die daar het beste in slaagden ontvingen dan de ‘divibokaal’, een symbolisch trofeetje. Nu is het streven naar berichtgeving waarin verschillende perspectieven aan bod komen natuurlijk te prijzen, maar het wringt op het moment dat diversiteit een gimmick wordt. Dat maakte de teksten uit het ‘juryrapport’ ook zo pijnlijk. ‘Om in zo’n witte mannenwereld een vrouw te vinden met een migratie-achtergrond die ook leuk en vlot spreekt is erg knap.’ Na afloop toonde nos-hoofdredacteur Marcel Gelauff zich daarover schuldbewust: ‘We hebben onvoldoende ingezien dat het mensen kwetst.’

Ook minder knullige diversiteitscampagnes hebben lang niet altijd het gewenste effect, zo merkten wij toen we voor ons onderzoek naar institutioneel racisme in Nederland met de Marokkaans-Nederlandse ‘Samir’ (gefingeerde naam) over de Amsterdamse Zuidas liepen. Hij vertelde dat hij droomde van een carrière bij een van de grote advocatenkantoren, wat voor hem, ondanks een mooiere cijferlijst, een stuk moeizamer ging dan voor de ‘Florissen en Willemijnen’ uit zijn studiejaar.

Ook agenten met veel plichtsbesef kunnen een zwarte man in een dure auto aan de kant zetten

Terwijl er toch genoeg kantoren zijn die zich inspannen om divers talent te werven. Op de Zuidas snapt men dat diversiteit goed kan zijn voor de business. Maar dat besef is nog geen garantie voor een minder homogene organisatie, want veel van de talenten voelen zich uiteindelijk toch niet thuis en haken af. Het zit ’m in kleine dingen, zei Samir. Neem de baas die dacht dat hij niet bereid zou zijn tot overwerken, omdat familie ‘in zijn cultuur’ zo belangrijk was. Of de vrijdagmiddagborrel, een belangrijke traditie op de Zuidas; wanneer je die overslaat of vanwege je geloof de alcohol mijdt, krijg je toch scheve blikken toegeworpen. Zonder de omslag in bedrijfscultuur die nodig is om ook het diverse talent zich er thuis te laten voelen, blijft het diversiteitsbeleid window dressing. Ondanks alle goede intenties had nog geen twee procent van de advocaten op de Zuidas een migratieachtergrond, zo ontdekte Sylvia van der Raad in 2015 in haar proefschrift.

Wie erop wijst dat kleur er helaas nog altijd toe doet en dat we het ons niet kunnen veroorloven om kleurenblind te zijn als we kansenongelijkheid willen bestrijden, krijgt nogal eens het verwijt ‘identiteitspolitiek’ te bedrijven. Met het aankaarten van ‘wit privilege’ of ‘witte onschuld’ zouden antiracisten zélf discrimineren tegen de blanke bevolking. Een kritiek op een systemisch probleem wordt onmiddellijk uitgelegd als een persoonlijke aanval. Vandaar dat Rutte wars is van een term als ‘institutioneel racisme’, want ‘die instituties bestaan toch uit mensen? (…) Spreek mensen aan op een heel basaal besef van fatsoen.’ Alsof racisme bestaat bij de gratie van een paar rotte appels die een hekel hebben aan mensen met een andere huidskleur. Alsof Marokkaanse, Turkse of Surinaamse Nederlanders niet dezelfde kansen hebben als hun witte landgenoten enkel omdat een aantal mensen dat ‘basale besef van fatsoen’ zou ontberen.

Het onvermogen om te erkennen dat zelfs ‘fatsoenlijke’ mensen kunnen bijdragen aan institutioneel racisme, maakt het bestrijden daarvan alleen maar moeilijker. Toen we voor ons onderzoek naar discriminatie op de woningmarkt spraken met socioloog Pieter-Paul Verhaeghe, die in België een soortgelijke studie had gedaan, legde hij uit dat de verhuurders die liever voor Jaap dan Rachid kozen heus niet allemaal op de pvv stemmen. Er speelden subtiele vooroordelen mee, die onbewust kunnen doorwerken, waardoor een intuïtief genomen beslissing vaker uitpakt in het voordeel van Jaap. Net zomin zullen alleen ‘foute’ politieagenten zich schuldig maken aan etnisch profileren; ook dienders met veel plichtsbesef of met een migratieachtergrond kunnen zichzelf erop betrappen dat ze een zwarte man in een dure wagen aan de kant zetten omdat ‘het profiel’ niet klopt. En dat Zwarte Piet een racistische karikatuur is, maakt niet iedereen die met plezier het sinterklaasfeest vierde tot een geharde racist. Pas wanneer we erkennen dat institutioneel racisme niet komt door de kwade intenties van een stel aso’s, maar structurele oorzaken heeft, kunnen we op een constructieve manier nadenken over oplossingen.

De discussie in Nederland is ontegenzeggelijk een stuk verder dan twintig jaar geleden, toen Philomena Essed naar de VS emigreerde. Een demonstratie van tienduizenden mensen die, zelfs ten tijde van een pandemie, borden omhoog houden met teksten als ‘against anti-black violence’ en ‘white silence is white consent’, was destijds ondenkbaar. Er is een nieuwe generatie die luider terugpraat en het niet langer pikt, die zich weet te mobiliseren met behulp van sociale media en zich ook het leed van onderdrukte groepen elders ter wereld aantrekt. Deze jongeren hebben veel minder moeite de – soms zo subtiele – vormen van racisme te signaleren en het beestje bij de naam te noemen.

Premier Rutte houdt daar meer moeite mee. Hij wil niet over institutioneel racisme praten omdat het mensen tegen de haren in strijkt, het zou afschrikken. Maar dat hij nu eindelijk tot het inzicht is gekomen dat een egaalzwarte Piet echt niet kan, en met hem heel veel andere Nederlanders, is juist te danken aan de mensen die volgens hem afschrikken. Dat vvd-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff nu verklaart dat de tijd van ‘laat maar’ voorbij is en begrijpt dat racisme meer behelst dan ‘een paar malloten die mensen met kleur diep grieven’, is een teken dat de activisten erin zijn geslaagd om het maatschappelijk debat in Nederland te kantelen. Na alle ophef over de mensenmassa op de Dam en het optreden van burgemeester Femke Halsema, kwam ook in de kranten en op televisie een inhoudelijk gesprek over racisme op gang.

‘De ontwikkelingen in Nederland gaan de hoopvolle kant op’, ziet Essed vanuit de Verenigde Staten. Maar wat er na alle mooie woorden en ‘geopende ogen’ nog altijd ontbreekt zijn daadwerkelijke acties, schrijft ze ons per e-mail: ‘Het kan niet blijven bij morele afkeuring, er moeten concrete gevolgen zijn voor discriminerende instituties die leiders in die instituties daadwerkelijk voelen. Het gaat niet om “diversiteit” of “inclusiviteit” – oude woorden, lege doelen – maar om een anders denken over de samenleving als geheel. Ik heb het gevoel dat de jongere generatie dit beter doorheeft dan “mijn” generatie.’


12/06/20 Correctie: George Zimmerman, de man die in 2013 Travon Martin doodschoot, was op dat moment geen agent maar coördinator van de buurtwacht.