Do It Yourself-conservatisme

Uit de greep van de red tape

Volgens Tory-leider David Cameron is zowel de labouriaanse betutteling als de thatcheriaanse minachting slecht voor het volk. Wat hem betreft wordt arm en rijk actief in het buurtwerk, in plaats van ‘s avonds de negende herhaling van Friends te bekijken.

Dit voorjaar overleed de Britse anarchist Colin Ward. Het moet hem goed hebben gedaan dat hij de terugkeer van het mutualisme, een leer waarbij de werknemers de productiemiddelen bezitten, in het politieke debat nog heeft mogen meemaken. De laatste politicus die erover sprak was de radicale socialist Tony Benn, eind jaren zeventig. Ditmaal is het de Conservatieve leider David Cameron die pleit voor coöperatieve structuren in de publieke sector, waarbij personeel meer invloed heeft op het beleid en falende managers kan ontslaan. Het is minder gek dan het lijkt, aangezien Wards gedachtegoed was opgepikt door conservatieven als Geoffrey Wheatcroft, auteur van The Strange Death of Tory England, en de filosoof Ferdinand Mount, oom van Cameron. Maar voor het grote publiek, en zeker voor de arbeiderspartij, was het een schok: Cameron als erfgenaam van Proudhon.
Het was in de eerste plaats een verrassing dat Cameron überhaupt een politiek vergezicht had. Hij is in die zin een typische pragmatische Conservatief dat hij mensen die filosofie willen horen doorverwijst naar de werken van René Descartes. De eerste jaren van zijn leiderschap heeft Cameron, een gewezen pr-adviseur, vooral het negatieve imago van zijn partij proberen bij te stellen. De nieuwe Tories moeten empathisch, groen en modern overkomen. Naar het idee van Cameron was de partij iets te verliefd op haar jeugd, net zoals Sebastian Flyte in Brideshead Revisited. Het pr-offensief heeft in zoverre succes gehad dat er meer jonge vrouwen en etnische minderheden in zijn fractie zitten. De afgevaardigde voor Windsor, het kiesdistrict waar Hare Majesteit resideert, is een Conservatief van Ghanese afkomst, het grootste talent van de partij is woordvoerder gemeenschapsbeleid Sayeeda Warsi en na de komende verkiezingen worden de Conservatieve inwoners van Shakespeare’s Stratford-upon-Avon in het parlement vertegenwoordigd door een zakenman van Koerdische komaf. De interessantste kandidaat is de voormalige soldaat, diplomaat en schrijver Rory Stewart, wiens sociale bewogenheid aansluit bij de Camerons.
De inhoudelijke plannen van de Conservatieve Partij waren lange tijd net zo raadselachtig als de rituelen van de Anglicaanse kerk, waar de familie Cameron toe behoort. Hoewel de lezers van The Guardian moeite hebben het te geloven, is Cameron geen retro-thatcheriaan, ook al inspireerde de IJzeren Dame hem dusdanig dat hij in 1980 lid van de partij werd. Hij lijkt eerder in de traditie van drie andere premiers te staan: Benjamin Disraeli, Neville Chamberlain en Harold Macmillan. Van Disraeli, de eerste joodse premier, heeft hij het one-nation toryism overgenomen, samengevat in de frase ‘We are all in this together’. Een logisch vervolg daarop is zijn zwak voor Chamberlain, die de geschiedenis is ingegaan als het symbool van het pacifistische beleid jegens Adolf Hitler, maar hij was ook voorstander van de verzorgingsstaat die tijdens de oorlog onder aanvoering van socialistische ministers zou worden ontworpen. De stoïcijnse patriciër Macmillan, voor wie politiek een kwestie was van het kiezen tussen het onplezierige en het desastreuze, zei tenslotte dat de enige eervolle positie van een Conservatief in het midden ligt, met aan de ene kant de socialisten en aan de andere de vrije-marktideologen.
Dat is ook de positie van Phillip Blond, de uit Liverpool afkomstige theoloog-filosoof, die een aanzienlijke, doch heimelijke, invloed heeft op het denken van Cameron. Dat heimelijke heeft te maken met de titel van zijn jongste boek: Red Tories: How Left and Right Have Broken Britain, and How We Can Fix It. Het paradoxale begrip 'Rode Tories’ doet het niet goed bij de meritocratische socialistenvreters, de volgelingen van het thatcheriaanse halen, hebben en houden. Dit zijn niet alleen de miljonairs die begonnen als krantenjongen of schroothandelaar, maar ook de verkopers, kleine ondernemers en Sun-lezende bestuurders van witte bestelbusjes, de 'garagistes’. Zij staan binnen de coalitie die de Conservatieve Partij in wezen is tegenover de nieuwe lichting patriciërs, waar de Camerons deel van uitmaken. De Anglicaanse bohemien Blond ageert vooral tegen monopolies, van welke aard dan ook. Volgens hem is de werkende klasse in de jaren tachtig verraden door de vrije-marktideologie van Thatcher, met de bijbehorende verheerlijking van het eigenbelang. Door het privatiseren van openbare diensten - onder het misleidende mom 'power to the people’ - zijn zowel werknemers als burgers van de zure regen in de drup beland. Na door Thatcher te zijn uitgekleed, zo betoogt Blond, was de werkende klasse weerloos tegen de negatieve bijwerkingen van de staatsbemoeienis onder New Labour, zoals een aantasting van familiestructuren, het tegenwerken van vrijwilligersorganisaties en de erosie van de intellectuele cultuur. Blond pleit voor een herwaardering van het Victoriaanse conservatisme. Het waren indertijd de Tories, zo beweert Blond, die de arbeiders probeerden te beschermen tegen het 'Manchester liberalism’ van de industriële revolutie, niet de progressieve lezers van de Manchester Guardian.
Uit publicitair oogpunt zal Cameron niet snel pleiten voor een nieuw Victorianisme, zoals Thatchers luitenant Norman Tebbit dat eens deed door tijdens een Hogerhuisdebat, met een knipoog, op te merken dat het beter is om onszelf terug te slepen naar de negentiende eeuw dan de 'disagreeable’ 21ste te omarmen. Maar Cameron deelt de analyse van Blond grotendeels. Hij wil het conservatisme voorbij de geestdodende rechts-links-discussie brengen. In wezen was het thatcherisme een neoliberaal fenomeen met een trotskistisch, revolutionair karakter. Cameron heeft gezegd dat 'er een sterke ader van sociaal-conservatisme door onze geschiedenis loopt, maar dat deze in de jaren tachtig niet de aandacht heeft gehad die het verdiende’. Volgens hem heeft Thatcher wel de economie, maar niet de samenleving weten te redden.
Cameron heeft dit op een subtiele manier proberen te benadrukken door de presentatie van het verkiezingsmanifest, een 131 pagina’s tellend boekwerk met de naar Abraham Lincoln verwijzende titel An Invitation to Join the Government of Britain, in Battersea Power Station te presenteren. Volgens David Cameron staat de krachtcentrale met haar vier witte schoorstenen, bekend van de hoes van Pink Floyds elpee Animals, symbool voor het land: groots, maar vervallen. In de jaren tachtig had de zakenman John Broome grootse plannen met dit gebouw, gesteund door Thatcher, die ter plekke het startschot gaf voor de renovatie, die nog steeds moet plaatsvinden.
Waar hij zijn aanvallen op La Thatch eufemistisch moet brengen, daar is zijn kritiek op New Labours statisme openlijker. Hij hekelt bovenal Gordon Browns betweterij. De premier heeft er moeite mee macht te delegeren aan zijn ministers, laat staan aan burgers. Elke sociale handeling vindt volgens de centralist Brown, die ieder probleem met geld denkt op te kunnen lossen, haar oorsprong in het ministerie van Financiën. Dat volgens hem met een belastingverhoging geld in de economie wordt gepompt spreekt boekdelen. Door alle streefcijfers, richtlijnen en vijfjarenplannen is er een bureaucratische Nanny State ontstaan waarbij de overheid volwassenen als kinderen behandelt en kinderen als volwassenen. Typerend is het omslag van Labours verkiezingsmanifest, dat het midden houdt tussen een maoïstisch partijprogramma en het openingsbeeld van de Teletubbies. De premier gelooft heilig in het adagium 'vertrouwen is goed, controle is beter’. 'Brown geeft de indruk’, schreef commentator Bruce Anderson in The Daily Telegraph, 'dat hij in elke operatiezaal of elk klaslokaal wil staan om aanwijzingen te geven.’ Het begrip empowerment is hem onbekend, dit tot frustratie van de ex-minister van Sociale Zaken James Purnell, die in juni gedesillusioneerd aftrad en de politiek gaat verruilen voor gemeenschapswerk.

Tegenover Browns Big Government plaatst Cameron de Big Society, niet te verwarren met de Great Society, het ambitieuze maakbaarheidsproject van Lyndon Johnson. Hij heeft afstand genomen van Thatchers, uit de context gehaalde, constatering dat er niet zoiets bestaat als 'de samenleving’. Camerons mantra is dat er wel degelijk een samenleving bestaat, maar dat die niet hetzelfde is als 'de staat’. Hiermee keert hij terug naar de Little Platoons van Edmund Burke, de grondlegger van het conservatisme die grote waarde hechtte aan de rol van kleine gemeenschappen als basis van een fatsoenlijk functionerende maatschappij. Anders dan liberalen en socialisten denken conservatieven vanuit mensen, en niet vanuit systemen zoals de vrije markt en de staat.
De Big Society moet het antwoord zijn op de Broken Society waar Cameron al jaren voor waarschuwt. Hij wijst daarbij op de sociale problemen, van pubers die elkaar als schietschijf benutten tot peuters die het slachtoffer worden van wreed ouderlijk gedrag. Dat soort uitwassen vindt vooral plaats aan de onderkant van de samenleving, waar het erfelijkheidsprincipe, na te zijn verdwenen uit de politiek, weer is opgedoken. Werkloosheid en uitzichtloosheid gaan er over van generatie op generatie.
Het is vooralsnog onduidelijk hoe Cameron sociale cohesie terug wil brengen, al heeft hij enkele proefballonnetjes opgelaten. Indachtig John F. Kennedy’s 'Vraag je niet af wat het land voor jou kan doen, maar jij voor het land’ wil hij een sociale dienstplicht invoeren. Uiteraard belooft Cameron de armoedeval aan te pakken en wil hij een belastingvoordeel voor mensen die getrouwd zijn of ongehuwd samenwonen. Dat laatste is meer een symbolische maatregel waarmee hij zeggen wil dat de alleenstaande moeder niet langer de hoeksteen van de samenleving vormt. Op onderwijsgebied zijn de Conservatieve plannen het verst gevorderd. Daar wil de partij het Zweedse systeem invoeren, waarin ouders, stichtingen of gemeenschappen de ruimte krijgen om, op kosten van de staat, eigen scholen te beginnen. Het valt te bezien of zo'n systeem ook werkt in een casinokapitalistisch land waar mensen bij het woord class eerder denken aan status dan aan onderwijs. Tevens is het de vraag wat de relevatie is voor mensen in de maatschappelijke degradatiezone, waar de onderwijsproblemen het grootst zijn. Het verminderen van het aantal onderwijsdeskundigen, het afschaffen van ranglijsten voor scholen en het terugbrengen van traditioneel onderwijs sorteren mogelijk meer effect. Dat de kijkers van het eerste verkiezingsdebat opgetogen reageerden toen Cameron de woorden 'discipline in het klaslokaal’ liet vallen, zegt genoeg.
De plannen voor een georganiseerd gemeenschapsleven, waar Cameron grote verwachtingen van koestert, doen wat gekunsteld aan, als zijnde het equivalent van een sfeerteam in een modern voetbalstadion. Wat hem betreft worden mensen - rijk of arm - actief in het buurtwerk, in plaats van ’s avonds de negende herhaling van Friends te bekijken. Van Barack Obama heeft hij het idee van community organisers overgenomen, die uiteraard eerst op cursus moeten. Elk jaar moet er een Big Society Day plaatsvinden, waar de onvermijdelijke Big Society Champion een prijs krijgt. Bij dit communitarisme voor dummies duikt een interessante paradox op, namelijk dat de omstandigheden waarin de samenleving kan floreren mogelijk moeten worden gemaakt door de overheid. Op deze manier komt het idee van een maakbare samenleving, iets waar conservatieven argwanend tegenover staan, via de achterdeur binnen.
In eigen kring klinkt het verwijt dat de plannen, zoals James Forsyth het noemde in The Spectator, niet 'pub ready’ zijn, dat ze niets zeggen over immigratie, benzineprijzen en criminaliteit, om maar eens drie belangrijke onderwerpen te noemen. Ze horen bij een buurtcomité in een idyllisch dorpje. Het is geen toeval dat een van Camerons voorbeelden zich afspeelt in zijn eigen kiesdistrict Witney. Enkele buurtbewoners van dit welvarende stadje in Oxfordshire, waar het buitenhuis van Kate Moss staat, hebben een braakliggend terrein uit eigen initiatief veranderd in een parkje met een vijver, dit zonder ambtelijke frustratiepogingen.
Los van de praktische bezwaren rijst de vraag of de tijd geschikt is voor een culturele revolutie, in de vorm van een Do It Yourself-conservatisme. Knagen aan de grootte van de staat is geen vanzelfsprekendheid in deze onzekere tijden en kan al snel het verwijt uitlokken, reeds geuit door de regeringspartij, dat mensen aan hun lot worden overgelaten. Hoewel kiezers volop klagen over politici is door de beloften van een betere wereld de verwachting gegroeid dat 'de politiek’ alles moet of zelfs kan oplossen, tot het oppikken van gestrande vakantiegangers in den vreemde. Voor Labour, dat wegens haar goede intenties meestal het voordeel van de twijfel krijgt, had de kredietcrisis het voordeel dat ze legitimiteit gaf aan enthousiast overheidsingrijpen door het (deels) nationaliseren van de banken. Er niet door gehinderd dat hij daarmee onbedoeld het onverantwoordelijke gedrag van burgers en banken beloonde, hamert Brown er nog dagelijks op dat de Conservatieven de theorie van het 'nietsdoen’ aanhangen.
Afgezien van het feit dat dat onjuist is waar het aankomt op de economische misère, is het in politiek-filosofisch opzicht een interessante aantijging. Cameron zou het lef moeten hebben dit als een compliment op te vatten. Het vormt een uitdaging om de bestuurlijke optie 'nietsdoen’ politiek salonfähig te maken, indachtig het gegeven dat de weg naar de hel nu eenmaal geplaveid is met goede bedoelingen. 'Nietsdoen’, schreef voormalig Tory-Kamerlid Matthew Parris een paar jaar terug in The Times, 'is een van de spannendste mogelijkheden in de politiek. Er komt een ijskoude houding bij kijken en een vertrouwen dat het lot het landschap op onvoorziene manieren zal veranderen, iets waar het lot altijd op wonderbaarlijke wijze in slaagt. Wanneer overal “Er moet iets worden gedaan” klinkt, kan passiviteit als een teken van kracht en volwassenheid worden gezien.’
Dat sluit aan bij Camerons hoop dat wanneer de staat zich minder bezighoudt met het betuttelen van individuen, families en verenigingen - in het kort: de samenleving - mensen hun verplichtingen herontdekken en weer verantwoordelijkheid nemen. Daarom is hij niet van zins voor elk probleem, onder druk van de hijgerige media, het wetboek aan te vullen. Gevraagd wat de grootste obstakels zijn voor een premier, zou Cameron in navolging van Macmillan verzuchten: 'Events, dear boy, events.’ Labours legalisme heeft namelijk geleid tot honderden nieuwe wetten en regels, vaak van inferieure kwaliteit, zoals de journalist Philip Johnston aantoont in zijn boek Bad Laws: An Explosive Analysis of Britain’s Petty Rules, Health & Safety Lunacies, Madcap-laws and Nit-picking Regulations. Erger nog is dat het legalisme juist ten koste gaat van het gemeenschapsleven. Afgelopen jaren zijn buurtverenigingen, cafés en andere plekken waar mensen samenkomen gewurgd in 'Red Tape’, zoals bureaucratie in Engeland wordt genoemd. Dat brengt niet alleen hoge kosten en irritatie met zich mee, maar leidt ook tot een vertrouwensbreuk tussen mensen. Een regel zal al snel worden benut om verantwoordelijkheden weg te schuiven.
In het verlengde daarvan wil Cameron het aantal politici en ambtenaren verminderen. Immers, een groot deel van de activiteiten op de ministeries valt onder de noemer 'werkverschaffing’. De meeste politici zijn uit op een carrière, en voor de onbekende Parliamentary Under-Secretary of State for Crime Reduction of de obscure Parliamentary Under-Secretary of State for Disabled People is het belangrijk om regelmatig met sprankelende wetsvoorstellen te komen, teneinde zichzelf te profileren. In dat laatste heeft Cameron geen zin.
Hij is niet verblind door de rijken der aarde, zoals Tony Blair, noch wil hij de wereld van de ondergang redden, zoals Gordon Brown. Cameron slaagt er beter in uit te leggen wat hij níet dan wat hij wél gaat doen, al gaat hij niet zo ver om in navolging van Dries van Agt 'Geen’ te antwoorden op de vraag wat zoal de voordelen zijn van hem als partijleider. Waar de calvinist Brown niet uitgepraat raakt over zijn morele kompas waarmee hij de burgers belooft te leiden naar het paradijs, daar staat Cameron in de Anglicaanse traditie waarin een hoogdravend moralisme gepaard gaat met het besef dat er nu eenmaal zaken zijn waar men niets aan kan doen. Het hoort bij de conservatieve gedachte dat mensen het beste moeten maken van het leven in een onvolmaakte wereld. Dit is een moeilijk te verkopen boodschap, zelfs voor Cameron, die tijdens zijn verkiezingscampagne opvallend veel doe-het-zelfwinkels bezoekt.