(Uit De Groene Amsterdammer, 4 juni 1911)

HERINERINGEN AAN GUSTAV MAHLER

In October 1909 kwam Mahler naar Den Haag, om er zijne Zevende te dirigeeren. Hij wilde toen het Hollandsche landschap leeren kennen en kwam met Mengelberg en Diepenbrock in een automobiel uit Amsterdam hierheen gereden.

[Vervolgens] noodigde hy ons beiden mede op een rijtoer naar Scheveningen. Daar zat ik nu plotseling in een klein rijtuigje, tegenover den subliemen kunstenaar, wiens melodieën mij reeds jaren lang den geest hadden vervuld! Als altijd, was hij blootshoofds. Ik kon nu zijn gelaat bestudeeren: dat machtig gewelfde voorhoofd, die diepe groeven om zijn mond, maar bovenal, die prachtige, donkere oogen achter de schitterende bril, en die glimlach! Wie in Mahler’s oogen gestaard heeft, wie zijn glimlach gekend heeft, die weet eerst recht, hoezeer hij zijne geheele persoonlijkheid in zyne muziek heeft gelegd.

Mahler heeft slechts éénmaal enkele uren in ons midden vertoefd. De onrustige zwerver is als een meteoor in onze Haagsche gemoedelijkheid gevallen, heeft ons zijne machtige Zevende naar het hoofd geslingerd en is haastig vertrokken… voor altijd.

Mahler, Zevende Symfonie

(‘Lied van de nacht’)

Rotterdams Philharmonisch Orkest

o.l.v. Valery Gergiev. Vrijdag 14 september,

20.15 uur, Grote Zaal, De Doelen