Uit de hel

Nelleke Noordervliet, Uit het paradijs. Uitg. Meulenhoff, 317 blz., 355,- geb., 339,90 pap.
Van oudsher is altijd beweerd dat de familie een paradijselijk onderkomen biedt, onbezorgd en beschermd. Toch is dat is eerder uitzondering dan regel, weten we al sinds Adam en Eva.

Meer dan een substituut voor geborgenheid lijkt de familie het domein waarin de vermaledijde vaders, ontaarde moeders en rebellerende kinderen elkaar permanent naar het leven staan.
Nelleke Noordervliets nieuwe roman Uit het paradijs verhaalt over een katholieke familie met veel zuidelijk bloed. En een waarin het kwaad vrolijk rondspookte en dat nog steeds doet. Van de talrijke duistere affaires die er zich in de loop der jaren hebben afgespeeld zijn sommige wel, andere nooit opgehelderd. Wat betekent dat het verhaal veel van wat ooit verdonkeremaand is, stukje bij beetje, en overigens perfect gedoseerd, aan het licht kan brengen. Maar tegelijkertijd ontstaan er, zoals dat hoort, altijd weer nieuwe onderonsjes die het daglicht niet verdragen.
Verteller van deze familiegeschiedenis is de vijftigplusser David Berk. Zijn interesse en belang geldt vooral de vraag naar de identiteit van zijn moeder. In dat opzicht is deze roman vergelijkbaar met Noordervliets vorige, De naam van de vader (1993), waarin het eveneens ging om een speurtocht naar de eigen wortels.
Maar anders dan in dat boek, waarin de handeling is geplaatst in het weidse perspectief van revoluties en politiek engagement, heeft Noordervliet nu voor een kleinschaliger decor gekozen. Ze beperkt zich vooral tot de familie zelf, er zijn slechts enkele verwijzingen naar de politieke en maatschappelijke realiteit van vroeger en nu, kennelijk om de introspectieve lijn van haar verhaal te accenturen.
Het paradijs uit de titel symboliseert allereerst de onbezorgde jaren van Davids jeugd in het duinlandschap van Overveen, de plek waar hij tot zijn negende jaar woonde en rondzwierf. Aan die toestand is een abrupt einde gekomen toen zijn moeder, Gezina, de consequenties trok uit een slippertje met de Belgische rubberfabrikant Jef Vervaecke en hem hals over kop meenam naar Brussel. In de week waarin het boek speelt, staat hij op het punt zijn vaders huis, ‘dat vervallen paradijs’, te kopen, en aldus terug keren naar een tijd van onuitsprekelijk geluk.
David Berk is van beroep tekenaar en grafisch ontwerper, daarbij vader van een drugsverslaafde dochter, gescheiden. Hij kent heftige emoties, maar is ook rationeel, vervalt soms in zwart-witpatronen en is gesteld op zijn isolement. Als de roman begint heeft David zijn Belgische tak te logeren in zijn woning in Leiden. Er is zijn halfbroer Cyrille, zijn schoonzus Coco, met wie hij tussen alle bedrijvigheid door een onverwacht avontuurtje heeft, en de even serieuze als zorgzame dochter Nadine. Hun aanwezigheid is al reden genoeg om hem zijn ongelukkige jeugdjaren in Brussel in herinnering te brengen. Maar de kortsluiting tussen heden en verleden is er helemaal als hij in de luciditeit van een dronken bui zijn nu al dertig jaar overleden moeder naast zich weet.
Gezina van Ooyen was een vrouw van wisselende stemmingen, blond en mooi, lustig en wellustig, een geliefd mannenobject. Ze liet zich graag verleiden (zelfs door haar schoonvader), was naïef, en droomde lang van filmsterrenroem en een gelukkig leven. Fantasieën die in bruisend Brussel een tragische dood zullen sterven. De Vervaeckes zien in haar meer de hoer dan de moeder, en voor haar terugblikkende zoon is haar onberekenbare gedrag een welkom excuus voor eigen falen: 'Omdat mijn moeder een nymfomane droomster was, heb ik zo'n rare jeugd gehad. Omdat ik zo'n rare jeugd heb gehad, ben ik contactgestoord. Omdat ik contactgestoord ben, heb ik een dochter grootgebracht van wie niets terechtkomt. Omdat mijn geflipte dochter zich laat slaan door haar gedrogeerde Neanderthaler, zal zij haar dochter - zo ze die ooit krijgt - geen zelfrespect kunnen leren.’
Dit tweetal draagt de roman, met deze kanttekening dat Gezina haar zoon David kennelijk al jaren in een wurgende, over de dood heen grijpende omarming gevangen houdt. Om iets te begrijpen van de oorsprong en de betekenis daarvan voor David, lijken me twee passages van belang: een die het verleden ophaalt, de andere uit het heden van de roman.
De eerste scène is schrijnend, bizar en onthullend. Ze beschrijft een hilarische en tomeloze uitspatting die de puber David met weerzin vervult. Op een avond ziet hij zijn moeder na een uitje stomdronken en naakt in de badkuip staan. Als een tweede Anita Ekberg voert ze daarin samen met zijn stiefvader Jef de fonteinscène uit La dolce vita op, al snel omringd door de Vervaeckes, die op het gestommel zijn afgekomen en het tafereel ogenschijnlijk met verontwaardiging gadeslaan. Terwijl hij zich doodschaamt, ziet hij in de onverholen begeerte van de mannen en de imitatiedrift van de rivaliserende vrouwen de dubbelhartigheid van het leven van de volwassenen. Jaren later zal hij Nadine in de rosse buurt van Amsterdam de menselijke paradox laten zien, 'de pathetiek van het verlangen naar zuiverheid op de rand van het kwaad’. Hij heeft dan al voldoende ervaren dat in het leven niets moeilijker is dan orde scheppen.
De chaos in hemzelf komt hij in de grootst mogelijke hevigheid tegen wanneer hij met Nadines moeder, de vrouw met wie hij niet anders dan een haat-liefderelatie onderhoudt, een even onverwachte als gepassioneerde liefdeservaring heeft in het duinhuis van zijn jeugd. Die daad behelst meer dan een wraakoefening op zijn familie en zijn moeder, voor wie hij dezelfde gevoelens koesterde. In een allesvernietigende woedetocht slaat hij zijn atelier kort en klein en kruipt vervolgens in het kind dat hij was, 'in de jongen en die weer in de man’. Voor het eerst lijkt hij in staat zich met het verleden te verzoenen.
Davids moeder trok uit haar ervaringen met het leven de pijnlijkste conclusie die mogelijk was en schroeide haar geslachtsorgaan met een strijkijzer dicht, de zoon koopt verwachtingsvol het huis waarin hij zich ooit in een paradijs waande. In het idyllisch slotbeeld ziet hij zich daar zitten als een kleine jongen op de hurken. Maar ook als de man die hij is geworden en die nu alleen nog wacht tot zijn mogelijk zwangere dochter hem komt vergezellen. Noordervliet blijft hoop houden op de heilige familie. Maar David Berk, die zoveel heeft meegemaakt, zou beter moeten weten, lijkt me.
Uit het paradijs is een roman met postuur, een boek dat staat. Noordervliet houdt greep op het verhaal, boeit en schrijft in de stijl van de grote epische vertellers, nuchter, uitbundig (veel uitroeptekens), hilarisch, ironisch, vulgair.