Uit de klei

Het stipendium van het Fonds BKVB stelt een beginnende kunstenaar in staat een echte kunstenaar te worden - na te denken, te werken, te zoeken. De nieuwe lichting is fris en energiek en intelligent. Is dat genoeg? Er is immers zwaar weer op komst.

EEN GOED SCHILDERIJ maak je niet zomaar. Stel, je zou graag een dromerig landschap maken of een afbeelding van gewoon twee jongens in een straat, die iets aan het doen zijn. Je bent geen fotograaf, het hoeft niet precies te lijken, je wilt er misschien iets heel anders mee zeggen, je weet nog niet wat. Je stelt je voor in zo'n schilderij te onderzoeken hoe je een geloofwaardig beeld kunt scheppen, waarmee de kijker contact kan maken, zodat er in zijn hoofd iets van een gedachte of een verhaal ontstaat dat hem bindt aan je schilderij. Tegelijkertijd weet je dat je iets wilt maken dat duidelijk bestaat uit verf en doek, en dus ook in zichzelf een ding is met eigen kwaliteiten. Het klinkt als een bekende opgave. Sinds Matisse, misschien, zijn schilders opgezadeld met die combinatie; sinds een eeuw is een schilderij bijna per definitie een geval van persoonlijke expressie, geïntegreerd met elementen van de werkelijkheid.
In een tentoonstelling als Recht voor zijn raap, maar ook in de eindpresentaties van de Rijksacademie Amsterdam of de Koninklijke Academie in Den Haag zoek ik onwillekeurig naar die ‘echte schilders’, en ze zijn er altijd, als ankerpunten in het pandemonium dat de kunsten tegenwoordig bieden. Maar de aanhalingstekens geven al aan dat deze echte schilders langzamerhand een anachronisme worden, hoe goed ze ook zijn. Zij, vooral, hebben te kampen met de wervelstorm van de beeldcultuur, die het 'platte’ beeld voorgoed heeft veranderd. Hun medium heeft in zo'n tentoonstelling doorgaans een heldere, maar zwakke stem. In Utrecht hangen er twee, Joep Overtoom en Miranda Cleary, met prachtig werk. Overtoom schildert landschappen, heuvelachtige, donkere gebieden, met een hut of een huis, met een stemmig palet; om te laten zien dat het niet allemaal illusie is gebruikt hij ook touw en plastic bloemen op het doek. Cleary kijkt, als een Luc Tuymans, naar de wereld door de surveillancecamera en gebruikt de beelden van toevallige passanten in een straat als code voor een gevoel 'dat er iets aan de hand is’, waar je maar een glimp van opvangt. Die twee jongens in hun blauwe truien, zitten ze te kletsen of hebben ze net een peuter voor de trein gegooid? Haar schilderijen zijn niet groot en ze zijn bijna onnadrukkelijk geschilderd, met losse, brede streken.
Onmiskenbaar zijn 'echte schilders’ in de minderheid. 368 kunstenaars kregen tussen 2006 en 2008 zo'n stipendium voor de beeldende kunst, de vormgeving en de architectuur. Daarvan zijn er 31 in Utrecht te zien. Natuurlijk is een keuze altijd een keuze, en deze is even interessant als discutabel. Zijn deze 31 presentaties werkelijk een doorsnee, een uitgebalanceerde selectie, of hebben de samenstellers gewoon hun eigen smaak gevolgd, waardoor er een eigen visie ontstond? Er zijn bekende namen bij, mensen van wie de carrière al behoorlijk op stoom is, waarvan het zelfs een beetje verbaast dat ze nog subsidie ontvangen. De fotograaf Rob Hornstra, bijvoorbeeld, studeerde in 2004 af aan de Hogeschool voor de Kunsten, Utrecht. Hij won dat jaar een grote prijs, zijn boeken verkochten goed, zijn foto’s zijn her en der aangekocht - een van de tentoongestelde werken is bijvoorbeeld ook te vinden in het Maison Européenne de la Photographie in Parijs. Hornstra was er in 2006 bij de vorige Stipendia-tentoonstelling ook al bij; hij zat twee jaar op de Rijksacademie en kreeg daarna kennelijk nog een keer zo'n BKVB-stipendium. Hij timmert aan de weg met het Sochi-project, een vijfjarige onderneming over Abchazië en Sochi, waar in 2012 de Winterspelen gehouden moeten worden, en waar de naschokken van de ondergang van de Sovjet-Unie nog altijd te voelen zijn. Ook dat project wordt deels door het Fonds BKVB ondersteund. Hij doet ’t goed.
In deze selectie zitten bepaalde lijnen die vier jaar geleden ook al te zien waren. Jonge Nederlandse kunstenaars hebben een nuchter optimisme. Ze hebben gevoel voor humor. Ze zijn allang niet meer gebonden aan een medium. Ze hebben maar een geringe neiging tot lyriek. Ze zijn niet bang voor kunst die vooral lokaal en intiem is, die een klein verhaal vertelt, een kleine impressie geeft. Ze zijn allemaal zeer bedreven in presentatie en vormgeving.
Sommige lijnen spreken al bijna vanzelf. De buitengewoon hoge kwaliteit van het grafisch ontwerp, bijvoorbeeld, een vast element in de Nederlandse cultuur. Hier vertegenwoordigd door Felix Weigand, die werkte voor De Appel en W139. Hij maakte ook de catalogus die de tentoonstelling vergezelt. Al even goed is Job Wouters, ook al bezig voor W139, een echte typograaf die een eigen lettertype lijkt te hebben ontwikkeld dat bijna middeleeuws is, een poldercyrillisch, dat met penseel uit de losse pols geschreven wordt. Je verbaast je opnieuw over hoe fijn het is dat zulke ontwerpers zoveel vrijheid krijgen van hun opdrachtgevers, die toch uiteindelijk kaartjes willen verkopen.
In dezelfde lijn ligt de opkomst van datavisualisatie, een tak van kunst die vooral door de toenemende toegankelijkheid van online gegevens wordt opgestuwd. Reineke Otten gebruikt dat soort data voor een onnadrukkelijk overzicht van percentages huidskleuren per land, stippen tussen roze, bruin en zwart, die in één oogopslag een boodschap over de werkelijkheid van globalisering en immigratie bieden, zonder dat ze daar verder een uitspraak over doet; de esthetiek van de visualisatie komt eerst. Finland is buitengewoon wit. Nederland verhoudingsgewijs zwart. Otten maakt er kaarten van, op textiel, vaandels of vaatdoeken, helder, zakelijk, voortreffelijk georganiseerd, beeldschoon.
Ook vaste prik, inmiddels: de aandacht voor de straat. Graffiti is natuurlijk al lang museaal; de grote muurschildering In Godsnaam Gelukkig van SjocoSjon - Rietveld 2005, nu 'Freelance Dictator, Animator and Designer’ - combineert vrolijk de statige Utrechtse geschiedenis van Dom en St. Willibrord met een Marokkaanse scootervirtuoos uit Kanaleneiland, in de zwart-wit stijl van de tatoeage.

IS ER IETS NIEUWS onder de zon? Toch wel. Ten eerste verschuift het zwaartepunt van artistieke bedrijvigheid over het land. In 2006 bepaalden de grote kunstacademies uit de Randstad het beeld, nu melden zich ook ArtEZ, het Arnhem Fashion Institute, St. Joost Breda et cetera. Ook opmerkelijk: in 2006 was maar één van de deelnemers afkomstig van Design Academy Eindhoven, nu zijn het er vijf, een zevende van het geheel. Ook daar zijn gevestigde namen onder als Demakersvan, Christien Meindertsma en Atelier NL. Deze Eindhovenaren beschouwen zichzelf nadrukkelijk niet als kunstenaars. Ze voelen een beslissend verschil met de Miranda Cleary’s van de wereld. De vijf presentaties in Utrecht zijn een staalkaart van hun discipline: onderzoek doen, denken in concepten en dan pas in producten, je bezinnen op de basiselementen van het vak, op grondstoffen, processen, sociale interactie, duurzaamheid, vakmanschap. Atelier NL maakt potten en borden van de klei onder onze voeten, Demakersvan namen het gaas van de honderdduizenden hekwerken die het land indelen onderhanden en maken er kunstige kantwerkjes van - zonder werkelijk het fenomeen 'hek’ ter discussie te stellen.
Ze gaan gepaard met de presentatie van LOLA, landschapsarchitecten, verstandige creatieven met behapbare suggesties voor onze relatie met de beperkte ruimte. Laat klimop op elektriciteitsmasten groeien, leg romantische dijkjes en groene geluidsschermen aan - het zijn oplossingen voor Vinex-locaties, niet voor de toekomst van Sao Paolo of Chengdu. Het commentaar, als het commentaar ís, betreft duurzaamheid, ecologie, verloren contact met de omgeving, een mild protest tegen lelijkheid in de publieke sfeer.
Is dat ook echt 'recht voor zijn raap?’ Het is zeker iets anders dan introspectie of, als een echte schilder, peinzen over landschappen of toevallig geobserveerde passanten in een straat. Dit zijn, zeggen de samenstellers, vooral heldere en duidelijke betogen, en uit de titel moet iets spreken van onafhankelijkheid, onbevreesdheid en waarheidslievendheid. Het is leuk, maar het is burgerlijk. Het is kunst van binnen het systeem, niet van erbuiten. Het is eigenlijk juist niet 'in your face’, het is meer Balkenende dan branie. Zeker, er zijn buitenbeentjes en activisten, maar ze zijn in de minderheid. Een verwijzing naar Wilders? Nergens te vinden. Een groot, Wijdeveld-achtig statement over hoe de wereld eruit zou moeten zien? Nee - of het zouden die modellen voor wolkenkrabbers van Jeroen van Bergen moeten zijn. Een Koolhaas-achtige analyse van de toekomst van de metropool? Hier niet. De statements zijn er, maar ze zijn als Ottens visualisaties, stijlvol en bijna discreet. Mis niet de intense film van Ton van Zantvoort, A Blooming Business, over de uitbuiting van mens en natuur in Kenia door Europese bloemenbedrijven; een ingetogen, kalme documentaire, gedragen door de waardige stemmen van Kenianen die hun bittere lot bespreken: het water in hun meer vervuilt door de bestrijdingsmiddelen, de bedrijven tiranniseren de arbeidsmarkt, de vis verdwijnt, mensen worden ziek, de oevers worden ontoegankelijk. Het is een subtiel betoog, zonder de vlammende bekeringsdrift van Renzo Martens’ Enjoy Poverty, zonder brutale effecten, zonder oproep tot verzet.
Jonas Staal is de uitzondering die de regel bevestigt. Hij zette een enorme luidspreker op het museumdak waaruit vijf keer per dag de oproep tot gebed te horen zal zijn, een geluid dat in Utrecht tussen de donderende carillons moet opvallen. Een echte provocatie. Het werk verdient het dat een gemeenteraadslid vragen gaat stellen en de politie poolshoogte komt nemen, waarna er gedoe ontstaat over geluidshinder en vergunningen. Dat kan de kunstenaar in het brandpunt zetten, dan kan hij toeslaan, dan komt zijn gesubsidieerde arsenaal van pas.

IS DAT WAT de aanwezigheid van al die ontwerpers, die praktische, down to earth kunstenaars, ons vertelt? Dat kunst nut heeft? Moeten deze kunstenaars bewijzen dat subsidie daadwerkelijk kwaliteit oplevert, inzichten, 'innovaties’, praktische oplossingen waar we allemaal wat aan hebben? Is dit het antwoord op de gedachte dat de kunst zich geïsoleerd heeft, zoals dat heet, en de burger er de noodzaak niet meer van inziet, omdat de kunsten deel zijn van een grote internationale wereld van digitale netwerken en social media, een wereld zonder grenzen en nationaliteiten, altijd in flux, de wereld van de wendbare weerbare communicatievaardige insider, niet de wereld van Henk en Ingrid uit Kerkrade? Moet kunst dus weer potten bakken uit Nederlandse klei, en geluidswallen langs de snelweg vormgeven, opdat de kankerende vrachtwagenchauffeur mild gestemd wordt?
De directeur van het Fonds BKVB zegt elders in dit blad dat 'de frontale aanval is ingezet’ op het subsidiebouwwerk en op de nobele principes inzake de relatie tussen de staat en de cultuur die dat bouwwerk altijd overeind hielden. Moeten de kunstenaars werkelijk van de trans roepen dat de aanvallers moeten begrijpen dat de kunsten buitengewoon innovatief zijn, dat zij bijdragen aan onze internationale reputatie, dat zij belangrijk zijn voor het toerisme? Verplicht de subsidiegever de kunstenaars dus tot grotere toegankelijkheid, herkenbaarheid, letterlijkheid, dienstbaarheid? Formeel niet, natuurlijk, het Fonds BKVB is onafhankelijk, men kent zijn Thorbecke, men verdedigt dat bouwwerk met verve. Maar ik kan me voorstellen dat beginnende kunstenaars die deze tentoonstelling zien zich achter de oren krabben: waarom zou ik nog aan een dromerig schilderij beginnen?