Erotische poëzie

Uit de kleren

Calvinistisch Nederland is karig bedeeld. Hoewel de laatste tijd, nu dichters de regels van de poëzie aan hun laars lappen, meer mogelijk lijkt te zijn.

Liefde kent zoveel schakeringen als de mens kent, en dat zijn er schier oneindig. Je hebt kalverliefde, platonische liefde, herenliefde, hitsige liefde, onmogelijke liefde, eeuwige liefde, enzovoort. Het is dan ook een uiterst vaag en breed thema dat de CPNB uitkoos voor de boekenweek van volgend jaar. Met de eerste Middelnederlandse zin ooit geschreven — die natuurlijk over de liefde ging, want wat beweegt de mens anders — brengt de CPNB waarschijnlijk een massa bloemlezingen van vooral poëzie op gang. Want je hebt wel verhalen en romans over de liefde (neem maar een bloemlezing als Op de man af, vol liefdesverhalen van schrijfsters als Kristien Hemmerechts, Ethel Portnoy en Helga Ruebsamen), maar in poëzie lijkt de liefde zich makkelijker te concentreren. Bovendien staat de liefde in het Nederlandse gedicht in een traditie. Het in een hoekje van een manuscript in een abdij gevonden «Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu wat unbidan we nu» (wat in vele varianten geschreven telkens neerkomt op: alle vogels zijn begonnen met nestjes bouwen, behalve jij en ik, wat doen we nu?) kondigt de middeleeuwse liefdeslyriek aan. Die lyriek stond soms in het teken van God — Hadewijch die zich hallucinerend verloor in de vleselijke eenwording met haar geliefde meester —, soms in het teken van de uit Frankrijk stammende troubadourzangen. De geletterde troubadour Henric van Veldeke bijvoorbeeld bezong de hoofse liefde, waarin de vrouw met een knipoog op een voetstuk werd geplaatst. Ongetwijfeld schreef men toen ook erotisch zoals de latere generaties troubadours uit Frankrijk deden, maar de tijd en kuise monniken vertroebelden veel. Brandende kloosters, rituele boekverbrandingen, onachtzaamheid en onwillige kopieerpennen verduisterden of «verbeterden» veel literatuur. Maar in de Van Hultumgeschriften, een verzameling ijverig overgeschreven rijmen uit om en nabij 1400 staan nogal wat verrassende, de liefde bespottende «boerden». Scabreus was toen zelfs een tijdje mode.

August Willemsen schrijft in zijn toelichting op de liefdesgedichten van de Portugees Carlos Drummond de Andrade dat de erotische literatuur «in de Romaanse talen een lange traditie» kent. In Nederland zette dit genre niet door, misschien, zo suggereert Willemsen, vanwege het calvinisme. Misschien zelfs, filosofeert hij verder, kregen seksueel getinte woorden door het calvinisme ook een andere lading dan in culturen die meer op het Romaanse erfgoed doorborduurden.

In het Nederdietse taalgoed verbraafde de liefde inderdaad. Zo schreef de Gentenaar Justus de Harduwijn (1582-1636) in zijn studententijd enigszins truttige liefdesgedichten: «Den soeten nachtegael beghint van her te ruyten [kwelen]:/ En yder aerds ghediert wilt nu tot liefde slaen.» Later, inmiddels een uiterst gelovig man, noemde hij zijn gedichten «Venus ghejancksel», maar dat weerhield Jacob Groot er niet van om in zijn prachtige bloemlezing uit 1981 (De liefste) een flink aantal van deze lyrische gedichten op te nemen.

Daarna kregen we in onze Gouden Eeuw de eveneens in jonge jaren geschreven liefdeslyriek van poëten als P.C. Hooft, die in Italië beïnvloed raakte door de petrarkistische, neoplatoonse poëzie en stiekem versjes voor leuke meisjes schreef. Liefde en min (vleselijke geneugten) kwamen samen in Granida (1605), maar dat bleef «jeugdwerk». De enige die wat «boertiger» dichtte over de liefde was Bredero. Postuum verscheen van hem het Boertigh, amoreus, en aendachtigh Groot Liedboeck (1622), waarin netjes Venussen uit het «pekelschuim» herrijzen en de snijdende pijlen van Cupido tot «krakélen» en «zeverbekken» leiden, maar evengoed ouweheren die jonge dames verleiden bespottelijk «ouwe rochelaar» heten of fel krijgen toegebeten: «vrijt geen vrijster, maar een graf». Scabreus wordt het echter nergens. Sappig schijnt wel het in 1651 verschenen Uyt-heemsen Oorlog, ofte Roomsche Min-triomfen van Mathijs van der Merwede van Clootwyck te zijn, waarin hij van zijn «kleutermin» verhaalde. Maar dat is in geen bloemlezing meer na te lezen, zelfs niet in die van Jacob Groot.

Toch is De liefste van Jacob Groot erg bijzonder, vanwege het scala aan vooral oud liefdeswerk. Andere bloemlezingen over de liefde, zoals Willem Wilminks Ik heb de liefde lief (1993) en het door Gerrit Komrij ingeleide Het liefste gedicht, verbleken bijna bij Groots gewaagde keuzes. Groot koos namelijk niet alleen erg veel middeleeuwse gedichten (uit welke as overgangsfiguren Suster Bertken en Lucas D'Heere verrijzen), hij bedeelde alle historische tijden rijkelijk. Om maar eens door de tijden te glijden: J.J. Starter (1594-1628), die met besuikerde lippen zong: «Schoon die met u soet gesicht/ Met u suycker-soete woorden/ In mijn boesem hebt ghesticht/ D'eerste brand die my bekoorden»; Hendrik Tollens (1780-1856), de brave Hendrik die schalks knipoogt met het einde van zijn gedicht Aan Klita: «ontbloot den open boezem/ Voor de blikken van myne oogen en de kusschen van myn mond» en de rest laat zich raden. J.A. Dèr Mouw (1863-1919) die langzaam maar zeker toch weer wat erotiek in de poëzie brengt met zinnen als: «En ‘k voel, ze rilt, nu op haar borst zich legt/ Mijn gulzige hand om de veerkracht'ge vorm», tot Pierre Kemp (1886-1967) die beleefd in deze tijd belandt met: «Als hij met een vinger de split/ van mijn vingers beroert, word ik rood/ en voel ik mijn schoot», Anna Blaman die teerverlangend dicht: «ik zie de tippen/ van haar borsten deinend gaan en komen» en Thomas Graftdijk die er als een van de weinige dichters geen doekjes om windt en adviserend dicht: «Verwar de flair van je erectie niet met hartstocht».

Langzaam maar zeker lijken in zo'n overzicht onverbloemde woorden en erotische benamingen weer terug te komen in de poëzie. Met de nadruk op langzaam. Ingmar Heytze constateerde onlangs in zijn artikel «De dichter is een eenzame rukker» (U-blad) dat je naar erotische Nederlandse poëzie met een vergrootglas op zoek moet. Je vindt enkel «parodieën, vrolijke schunnigheden en lachwekkende pornografie», getuige de erotische bloemlezing Met de hand (1992) van Rob Schouten («De enige enigszins recente Nederlandstalige bloemlezing met erotische poëzie gaat uitgerekend over masturbatie», schrijft Heytze) en een gedicht van J.C. Bloem, die als student onder het pseudoniem Ego Flos debiteerde: «Muze neem hem in uw hoede,/ Snijd hem af, al is ’t niet leuk,/ Snijd hem af zijn vuile roede,/ Dan is ’t uit met dat geneuk».

Met speurderszin vind je in de bloemlezing van Jacob Groot ook nog wat erotiek. Subtieler dan Ego Flos, maar even goed erotisch dichtte Gorter bijvoorbeeld:

O kon ik zijn in u,

O kon ik maar zijn niets,

Geheel in u, in u.

Dat men mij zocht en niets

Vond, maar een spoor, een iets

Van mij, in u, in u.

Nee, dan de studentenlyriek van E. du Perron, die zelfs verschillende pseudoniemen gebruikte om zijn ophitsende gedichten onder te verschansen. Zo dichtte hij onder de wel heel studentikoze naam W.C. Kloot van Neukema de sonnettenkrans In memoriam Agathea, «waarin de dikke keukenmeid in al haar lichaamsopeningen wordt bezeten, en alle sappen vloeien» (Harm-Jan van Dam in zijn toelichting op het door hem vertaalde Priapea, een bundel Latijnse, knipogende spotdichten genoemd naar de boertige god Priapus, die met een «gewichtig lid» tussen de benen kluchtige vruchtbaarheid waarborgde). Als Cesar Bombay beroerde E. du Perron ondubbelzinnig weduwe Sophie met zinnen als: «zal dus je kut steeds onbespoten blijven/ omdat je man is dood?» (o, akelige rijmdwang), en: «ieder die je ziet voelt ras zijn pik verstijven».

Zelf met een vergrootglas in de weer gaan, levert nog een paar erotische gedichten op. Willem Frederik Hermans schreef waarschijnlijk rond 1950 het gedicht Luís Cima tarra: De heilige Maria Juana, waarin lyrisch-droog een zestienjarige opleeft: «Je oksels glad als tulpen,/ Je venusheuvel een kinderwang», waarna de hitsigheid van de liefde verwordt tot een «hemels» gezang: «Heiliger dan de Hostie is je vulva!// In mijn penis wordt het brood gebroken./ Ik olie je verhemelte met mijn sperma». En zo maar door, vier pagina’s lang. Minstens zo recht voor z'n raap bracht Joost Zwagerman een ode aan Hugo Claus. In het onlangs verschenen Bekentenissen van de pseudomaan begint het gedicht Kanshebber rauw met de volgende strofe:

Ik ben de weerwolf in haar grot.

Als god beluister ik het duister van haar vlees.

Eend met pik in de holte van haar kot,

haar blik bijziend en scheel, lauw ooglid

zonder bol, brakke zee van nooit teveel.

Ik pel haar larf open. Zij beeft als ik haar lees.

Om te eindigen met: «Ik kan het nooit zo Nobel en westvlaams/ als hugo fucking claus». Die «fucking» Claus doet het inderdaad behoorlijk nobel. Hij laat het bijvoorbeeld grimmig in zijn (oudere) gedichten fluisteren: «Ik zal je schaamlippen beklemmen/ alsof ik er tegen sprak». Hij dicht over «de lillende monding», «de happige blik» of over de naaktheid van een «Zij»:

Daar wentel je je bekken open

en je krinkelt, scheurt en slaat

met onvaste voet en hekseschoot,

mijn zomernaakt, mijn

dolzinnig wild, mijn bikkelnaakt.

Om even later te vervolgen: «Geducht bor durend borend bereik je mij/ als naakt je kamhaar splijt». Misschien veranderde er onlangs toch iets in de poëzie, zodat erotiek een «gewonere» plek kreeg. Zwagerman is daar niet alleen een voorbeeld van, maar ook Ilja Leonard Pfeijffer, die in zijn ultramoderne gedicht uit duizenden lyrisch-suggestief de elektronische liefde bestamelt: «full colour tentoongespreid wil ik in jou». «Bladeren» volgt er op de volgende regel, maar de regelafbreking suggereert genoeg. En na «ik download jou in alle maten» klinkt het «laat jou hortend/ live stream vullen met de lengte van mijn liefde», waarbij de lengte priapische vormen aanneemt.

Maar Heytze heeft gelijk: erotische poëzie vind je niet gauw. Waarom niet? Willemsen maakte een goed punt met het calvinisme. Het geloof mat danig wat dichterszielen een kuisheidsgordel aan. Tegenwoordig is dat gesjor niet meer nodig, al ebt het calvinisme nog na in onze woordenschat. Toch weerhoudt niet alleen het calvinisme de erotiek ervan welig te tieren. De aard van de poëzie speelt ook een rol. Poëzie is in en in verlegen; ze suggereert in plaats van te zijn. Wie dan schuttingtaal gebruikt, schendt in feite de wetten van de dichtkunst.

Pas de laatste jaren is de dichtkunst zo vrij dat dichters de regels van de poëzie aan hun laars lappen, maar expliciete dichtkunst kan nog steeds op weinig waardering rekenen (zoals ook Heytze constateerde). En waarschijnlijk kleeft er nog een derde punt aan dit verhaal. Wil een dichter over erotiek en heftig meeslepende liefde «boerten», dan is het zaak dat de dichter zelf de liefde voorbij is, althans voor de duur van de creatie. Want, schrijft Komrij: «Een geniaal dichter kan een geniaal liefdesgedicht schrijven, ook als hij helemaal niet verliefd is. Júist als hij helemaal niet verliefd is.» Beroering breng je het best teweeg als je onberoerd bent, door de materie te overheersen in plaats van er deel van te zijn. En eenmaal ontwaakt uit de roes van de erotiek is dichten over de geslachtelijkheid waarschijnlijk te veel ongein. Niet voor niets staat in Lodewicks Literaire kunst bij «Liefdes- of minneliederen»: «Bijna elke dichter schrijft in zijn jeugd liefdesgedichten». Erotische gedichten zijn meestal in de studententijd ontstaan, en worden als jeugdzonde afgedaan: te grappig, te onvolwassen, misschien zelfs te puur. Zie dichters als De Harduwijn, Perron, Bloem, Hermans of Geerten Gossaert, die in 1983 met studentikoze Priapaeën kwam.

Komrij schrijft in zijn inleiding tot Het liefste gedicht: «De liefde is poëtisch en elk gedicht is een liefdesgedicht.» Liefde en poëzie zijn zo met elkaar verstrengeld dat ze niet meer uit elkaar zijn te rijten. Jean Pierre Rawie stelt iets soortgelijks in het nawoord van zijn uit eigen werk samengestelde bloemlezing Wij hebben alles nog te goed. De mooiste liefdesgedichten: «Toch zou ik geen gedicht hebben geschreven zonder de liefde, en zou een bloemlezing van mijn liefdesgedichten evengoed kunnen samenvallen met mijn verzameld werk.»

Dat geldt, denk ik, voor iedere dichter, en dat maakt het genre liefdespoëzie ontoe reikend en liefde als onderwerp van een boekenweek net zo. Het omvat álles wat geschreven is (leerde Leo Vroman ons niet dat liefde zelfs in de rode en witte bloedcellen zit en in alles wat leeft, en dat daarom alles liefde is?!). Wil de CPNB nog karakter tonen, dan geeft zij de boekenweek een echt thema mee: de erotiek bijvoorbeeld. Dat zou in elk geval het genre van de erotische poëzie uit de luwte halen.

En wie weet, nu onze geest zo vrij is dat televisie en media vol bloot zijn, is de tijd wellicht rijp dat ook de literatuur eens uit de kleren gaat.