De derde generatie

Uit de koffer van mijn vader

Die Marokkaanse en Turkse jongens die volgens Pim Fortuyn ‘niet die Turken, niet die Marokkanen beroven, maar u en mij, ouwe vrouwtjes’, dat waren wij. Lotfi El Hamidi kijkt terug op zijn leven als migrantenkind.

Medium hh 2868572
Rotterdam, 1995, Het Oude Westen © Emile Luider / HH

Daar stond hij dan, voor de roltrappen van luchthaven Schiphol. Bewegende trappen, dat had hij nog nooit van zijn leven gezien. Hij had een speciaal uitgekozen pak aan, al leek het ietwat te zijn gekrompen. In zijn hand een kleine reiskoffer met wat kleding, meer had hij ook niet nodig. Had hij überhaupt meer om mee te nemen? Ik vraag me wel eens af of hij een andere koffer bij zich had, eentje vol dromen en verwachtingen. Niemand migreert zo’n drieduizend kilometer van huis zonder zich een voorstelling te maken van het leven in het land van aankomst. Net als een pelgrim is een migrant er al in gedachten voordat zijn voeten de heilige grond raken.

Het is inmiddels ruim veertig jaar geleden dat mijn vader van Marokko naar Nederland migreerde. Zijn vader, mijn opa, wachtte hem destijds op. Die was een decennium eerder in Europa neergestreken, op Corsica, aanvankelijk als tijdelijke arbeidskracht. Dat was op uitnodiging van een Franse grootgrondbezitter, een voormalige pied-noir uit Algerije die van de Franse staat een stuk grond op het eiland kreeg als compensatie voor zijn gedwongen vertrek in 1962 uit het Noord-Afrikaanse land. De rebelse Corsicanen hadden liever niets te maken met de in hun ogen Franse indringers, die nu hún landbouwgrond kwamen exploiteren. De desbetreffende pied-noir wierf daarom Maghrebijnse arbeidskrachten, met wie hij in Algerije al goede ervaringen had. Zelf was hij ook geliefd, volgens de verhalen een beschaafde en goedlachse man die zijn arbeiders naar behoren behandelde. Mijn opa werkte er bijna twee jaar voordat hij naar Rotterdam migreerde, waar meer werk was en waar veel van zijn dorpsgenoten zich al hadden gevestigd.

De afgelopen jaren worden er steeds meer verhalen gedeeld over deze groep migranten, soms door hun eigen nakomelingen, die daarmee hun eerbetoon willen brengen aan de pioniers die de stap durfden te zetten richting het onbekende. De intrigerende foto’s van jonge, modieus geklede Marokkaanse mannen met Europese haardracht, zoals te zien in het aanbevelenswaardige boek Marokkanen in Nederland (2009) van Annemarie Cottaar en Nadia Bouras, geven een levendig beeld van de eerste migranten. Of documentaires als Mijn vader, de expat (2015) van filmmaker Abdelkarim El-Fassi, die op zoek gaat naar de wortels van zijn aimabele vader voordat die als een avonturier naar Europa vertrok.

Het is uiteraard een positieve ontwikkeling dat de onbekende en onderbelichte verhalen van de eerste migranten opgeschreven en verbeeld worden, vooral omdat zij zelf niet de kennis en middelen hadden om hun relaas te delen. Toch heb ik soms moeite met de romantisering van de eerste migratiegolf van onder anderen Marokkaanse arbeiders, een fenomeen dat niet los te zien is van ongelijkheid en uitbuiting. Want dat was het in eerste instantie, het aantrekken van goedkope arbeidskrachten voor zwaar en vuil werk. Ergens zou je er zelfs een milde voortzetting van de koloniale verhoudingen in kunnen zien, een scheve machtsrelatie tussen de voormalige kolonisator en de koloniale onderdaan, al had het verschijnsel soms een glimlach zoals op het gezicht van de Franse werkgever van mijn opa op Corsica. Het was niet de bedoeling dat de migranten bleven, laat staan dat ze gelijke rechten kregen.

Laat ik het niet dramatischer maken dan het was. Niemand dwong mijn opa en mijn vader om naar Europa te migreren en niemand weerhield ze om terug te keren. Bovendien was het in materiële zin een enorme vooruitgang vergeleken met de erbarmelijke en uitzichtloze situatie in het geboorteland. Als tweederangsburgers in Europa hadden zij het nog altijd vele malen beter dan de gemiddelde burger in het land van herkomst. De bescheiden en soms onderdanige houding van die generatie toont de dankbaarheid aan de ontvangende samenleving, zelfs toen de autochtone bevolking in retrospectief steeds negatiever is gaan kijken naar de komst van de eerste Marokkaanse en Turkse migranten.

***

En toch is er de tragiek van de migrant, ondanks de geneugten van de westerse consumptiemaatschappij en de onvervreemdbare universele rechten van de mens (althans op papier) die zo pijnlijk ontbreken in het thuisland. De migrant moest zich erbij neerleggen dat hij geen echt thuis meer had, behalve dat van zijn herinnering en verbeelding. Hij moest ook inzien dat zijn kinderen en kleinkinderen niet tot dat thuis konden behoren, hoe hard hij ook zijn best deed om hun de eigen normen en waarden mee te geven. Maar dat zijn allemaal inzichten waar een migrant doorgaans niet op geprogrammeerd is. Wat rest is heimwee naar een land en tijd die inmiddels niet meer bestaan, behalve in nostalgische verhalen die weinig met de werkelijkheid van doen hebben.

Nu mijn vader met pensioen is breng ik wat meer tijd met hem door en probeer ik meer te weten te komen over zijn vroege leven. Net als een geroutineerde verhalenverteller is hij het type dat zichzelf graag herhaalt, met het enthousiasme alsof het de eerste keer is, wat bij sommige mensen irritatie opwekt maar mij juist boeit, omdat ik daardoor zijn verhalen beter onthoud en altijd wel nieuwe details opvang.

Wij leefden als het ware in onze zelf gecreëerde en geïsoleerde polderkasba’s, volgens onze eigen talen, regels, gewoonten en codes

Mijn vader is een wandelend anachronisme, alsof met zijn migratie de tijd is stopgezet. In mijn gesprekken met hem levert het levendige geschiedenislessen op en het fascineert mij hoe een eenvoudige boerenjongen zichzelf onderwees in een land waar de kans groot was dat je als analfabeet opgroeide. Hij moet een nieuwsgierige jongeman zijn geweest, die regelmatig de naburige Spaanse enclave Melilla bezocht (lang voordat die werd omgetoverd tot een militair fort om migranten tegen te houden) en daar voor een habbekrats een stapel oude kranten en tijdschriften opkocht, zijn papieren venster op de wereld. Hij raakte in de ban van de levendige Arabische cultuur, luisterde naar muziek van de in de Arabische wereld razend populaire Abdel Halim Hafez en Farid al-Attrash en van de legendarische zangeressen Oum Kalthoum en Fairouz en las gedichten van Mahmoud Darwish en Nizar Qabbani. Hij voelde zich ook aangetrokken tot het vooruitstrevende Arabisch socialisme, wat onder de toenmalige Marokkaanse koning Hassan II een gevaarlijke flirt was, om voor de hand liggende redenen.

Maar hoe belezen en cultuurgevoelig hij ook was in Marokko, in Nederland was het allemaal irrelevant. De migratie van mijn vader was immers een zakelijke onderneming, geen cultureel uitwisselingsprogramma. Al gauw was zijn verdere levensloop grotendeels uitgetekend: een baan bij een fabriek, een eenvoudige eengezinswoning in een oude volksbuurt in Rotterdam en een gearrangeerd traditioneel huwelijk waar uiteindelijk vier kinderen uit voortkwamen. De koffer vol dromen en wensen bleef ongeopend en hij bewaarde die voor zijn kinderen en misschien wel vooral voor mij, zijn oudste zoon.

***

Migratie is ook het centrale thema in de bejubelde stand-up show Homecoming King van de Amerikaanse komiek Hasan Minhaj, wiens ouders oorspronkelijk uit India komen. Op een luchtige maar soms ook serieuze manier schetst Minhaj een voor migrantenkinderen zeer herkenbaar beeld van opgroeien als kleurling in een overwegend witte samenleving, zoals de niet gevierde verjaardagsfeestjes, de hoge succeseisen van migrantenouders, het gebrek aan representatie en de subtiele maar ook expliciete gevallen van discriminatie en racisme. De rode draad van zijn verhaal: de zoektocht naar een tussenpositie in een land waarin je weliswaar geboren en getogen bent, maar waar je je vanwege je huidskleur en (vermeende) religieuze achtergrond continu moet verhouden tot de dominante meerderheidscultuur, terwijl je aan de andere kant de banden met familie en de minderheidsgroep wil blijven behouden. Afhankelijk van klasse en omgeving kan de zoektocht relatief soepel verlopen, zoals bij Hasan Minhaj, geboren in een keurig middenklassegezin in een rustige Californische voorstad, of juist een verwoestende uitwerking hebben, zoals we dat nu onder onze ogen zien gebeuren in de gesegregeerde volkswijken van de grote steden in West-Europa. Achteraf bezien zat ik er ergens tussenin.

In het boek Poppy: Trails of Afghan Heroin uit 2012 volgen journaliste Antoinette de Jong en documentairefotograaf Robert Knoth het desastreuze spoor van de Afghaanse heroïne. De fotodocumentaire begint in 1993, Afghanistan, waar op dat moment een burgeroorlog woedde tussen partijen die voorheen nog eensgezind tegen de sovjets vochten. De strijd ging nu om de lucratieve opiumhandel, een miljardenindustrie waar de krijgsheren graag een graantje van wilden meepikken. De Jong en Knoth laten aan de hand van confronterende foto’s en helder geschreven reportages de menselijke ellende zien achter de wereldwijde heroïnehandel, die via een moderne zijderoute een spoor van vernieling aanricht in de voormalige sovjetrepublieken tot aan de troosteloze achterbuurten van West-Europa.

Al bladerend tref ik foto’s aan van Rotterdam-West, waarop te zien is hoe verslaafden de straten afstruinen om drugs te scoren. Ik kan me de beelden levendig herinneren, want ik groeide ermee op. Niet dat ik er met afschuw aan terugdenk, daar was het straatbeeld mij te vertrouwd voor. Het maakt het natuurlijk niet minder bizar dat kinderen in een welvarend land als Nederland dagelijks langs de vuile injectienaalden, gebruikte condooms en menselijke uitwerpselen naar school liepen en ouders maar moesten hopen dat we veilig en wel terugkeerden.

En toch, als ik terugdenk aan mijn jeugd in die door drugs geteisterde wijk, kan ik het valse gevoel van nostalgie niet onderdrukken. We hadden niet veel, maar in een buurt waar bijna iedereen tot dezelfde inkomensgroep hoorde leek het genoeg. Wij leefden als het ware in onze zelf gecreëerde en geïsoleerde polderkasba’s, volgens onze eigen talen, regels, gewoonten en codes. Elke buurt had zijn eigen kleurrijke figuren die zo leken weggelopen uit een Martin Scorsese-klassieker: ongedocumenteerden, beroepssjacheraars, drugsdealers, junkies, straatvoetballers die droomden van een profcarrière bij Feyenoord of Sparta en vrome gelovigen die geen enkel ochtendgebed misten, terwijl de dronkaards op hetzelfde moment huiswaarts keerden. Er werd gestolen, geheeld, teruggestolen. Zelfs de kleintjes wisten achter welke deuren zij de illegale kopieën van hun gewilde computerspelletjes konden bemachtigen.

Maar voor de buitenstaander was de realiteit grimmiger. De arbeiderswijken begonnen tekenen van verval te vertonen. De witte vlucht had zich reeds voorgedaan en wat overbleef was een onderklasse van voormalige gastarbeiders, die inmiddels werkloos of arbeidsongeschikt waren geraakt. De lucratieve drugseconomie trok de arme migrantenkinderen aan, want een carrière in de misdaad zorgde in ieder geval voor materiële vooruitgang. Althans op de korte termijn, terwijl de gevolgen voor de gezinnen en omgeving tot op de dag van vandaag nog voelbaar zijn. Het is dan ook geen toeval dat Rotterdam-West het ground zero van het Nederlandse populisme bleek te zijn, want een van de buitenstaanders die het allemaal van dichtbij zag gebeuren was niemand minder dan Pim Fortuyn.

Voor de meeste Marokkaanse kinderen was het Arabisch een nog vreemdere taal dan het Nederlands

‘Dit land is het zat!’ riep Fortuyn theatraal op het moment dat duidelijk werd dat hij niet meer als lijsttrekker door mocht voor Leefbaar Nederland. Na publieke optredens waarin hij onder andere de islam een achterlijke cultuur noemde en de grenzen wilde sluiten voor moslimmigranten werd hij door het bestuur van zijn partij teruggefloten. Maar Fortuyn was geenszins van plan om afstand te nemen van zijn uitspraken. ‘Godverdomme, in mijn stad. Marokkaanse jongens, Turkse jongens, die niet die Turken, niet die Marokkanen beroven, maar u en mij, ouwe vrouwtjes.’

Die Marokkaanse en Turkse jongens, dat waren wij.

***

Wat betekende dit allemaal voor mij, als tiener? Naast alle onzekerheden waar pubers vroeg of laat mee te maken krijgen had ik het gevoel dat ik een erfzonde op mijn schouders moest dragen. Ik was toevallig een migrantenkind, sterker nog, een Marokkaan en nog erger, een moslim. Wat voor mij vanzelfsprekend was moest opeens bevraagd worden. Maar wie kon mij daarin de weg wijzen?

Lange tijd had ik zelden het idee dat ik ‘anders’ was, terwijl daadwerkelijk alles anders was toen ik opgroeide. Zo kreeg ik tijdens mijn basisschoolperiode in de jaren negentig een aantal uren in de week les in de ‘eigen’ taal, of ‘onderwijs in allochtone levende talen’, zoals dat bijna oriëntalistisch heette. Dinsdag- en vrijdagmiddag werden de Marokkaanse en Turkse kindjes uit de klas geplukt, op weg naar een ander lokaal om daar Arabisch of Turks te leren. Het klinkt nu onwerkelijk, maar in die tijd heerste nog het idee dat het behoud van de eigen cultuur en identiteit (dat wil zeggen de cultuur van de ouders en grootouders) houvast zou bieden in de verwarrende maatschappelijke positie van de migrantenkinderen. Twee keer in de week waakten de ogen van Atatürk, de Turkse vader des vaderlands, en die van de Marokkaanse koning Hassan II, wier portretten boven het krijtbord hingen, over onze kwetsbare kinderhoofden. In die lokalen kwamen het paternalisme van links en de onverschilligheid van liberaal rechts gebroederlijk samen.

Niet dat de lessen een succes waren overigens. Voor de meeste Marokkaanse kinderen was het Arabisch een nog vreemdere taal dan het Nederlands, omdat thuis voornamelijk Berberse dialecten werden gesproken. Het duurde niet lang tot de docent door had dat zijn inspanningen weinig uitrichtten en besloot om er voortaan maar een halve godsdienstles van te maken. Dat sloot in ieder geval aan bij de voorkennis en belevingswereld van de meeste leerlingen.

De Surinaams-Nederlandse juffen en meester, die gelukkig het hart en het lef hadden om op onze vrijwel volledig ‘zwarte’ school te doceren, bereidden ons intussen voor op wat er volgens hen komen ging: een keiharde wereld waar je te maken zou krijgen met discriminatie en racisme, zodat je maar beter je diploma’s kon behalen om op eigen benen te kunnen staan, of in ieder geval een gevoel van eigenwaarde kon behouden om daarmee enigszins de pijn te verzachten. Zij wisten waar we vandaan kwamen en waar we naartoe gingen, omdat zij een generatie eerder hetzelfde proces meemaakten.

Medium hh 2808905
Rotterdam, 1998 © Peter Hilz / HH
Wat waren die diploma’s waard op een arbeidsmarkt waar ik met mijn naam alleen per toeval een kans maakte op een baan?

En zo rolde ik de middelbare school binnen, met een veel te grote rugzak met boeken voor acht lesuren en een onzichtbare rugzak met de dagelijkse ervaringen in de achterstandswijk. Ondertussen pendelde ik tussen thuis, school, moskee en straat, elke ruimte met eigen verwachtingen en regels. Thuis probeerde ik de ideale zoon uit te hangen, de behulpzame jongen die graag boodschappen deed voor zijn chronisch zieke moeder en in het weekend samen met zijn hard werkende vader het onkruid in de achtertuin verwijderde. Op school was ik een notoire onderpresteerder, die zijn docenten uitdaagde maar nooit te ver ging, omdat ik aan het einde van de rit niet met lege handen wilde staan. In de moskee een vrome jongen met een uitstekend kalligrafisch handschrift, waaraan binnen islamitische kringen vaak goede karaktereigenschappen worden toegedicht. En op straat een meeloper, loyaal aan de groep en soms zelfs medeplichtig aan misdaden waar ik getuige van was.

Terwijl mijn nostalgische vader nog altijd via de schotel naar de zwart-witopnamen van zijn favoriete Arabische artiesten uit de jaren zestig keek, naar de langdradige, homofone muziekoptredens die hem in een melancholische en trieste stemming brachten, zocht ik als tiener steeds meer mijn leeftijdgenoten op om enige ademruimte te krijgen van het saaie en soms verstikkende thuisfront. Ik begon vaker op straat te hangen en met jongens om te gaan die als een verlate no future-generatie al lang niet meer geloofden in opleiding en carrière. We luisterden naar Algerijnse raï, een hedonistisch muziekgenre, vooral populair onder de Maghrebijnse jongeren, waarin onder meer de hoop op migratie en anders wel de pijn ervan werd bezongen, de vrije en verboden liefde en alcoholgebruik. De subversieve liedjes pasten bij de losbandige levensstijl van Noord-Afrikaanse jongemannen in West-Europa, die zich probeerden te ontworstelen aan de traditionele cultuur waaruit zij voortkwamen, maar tegelijkertijd door hadden dat zij nooit volwaardig geaccepteerd zouden worden door de moderne samenleving waarin zij al dan niet ongevraagd terechtkwamen.

Tussen die twee werelden en tijdsdimensies in, tussen oost en west, traditie en moderniteit, moest ik een positie zien te vinden. Maar omdat die tussenpositie geen kant-en-klare identiteit aanbood, niets kon garanderen en onvoorspelbaar was, zocht en vond ik mijn heil in de vertrouwde en overzichtelijke collectieve identiteiten van familie, moskee en straatcultuur. Het was een verdedigingsmechanisme, een belegeringsmentaliteit in een almaar polariserende samenleving. Ik werd er dagelijks aan herinnerd, omdat ik onderweg naar mijn middelbare school langs de straat van Fortuyn moest lopen, een symbolische scheidslijn tussen de verloederde multiculturele buurt waar ik vandaan kwam en de statische, nette witte wijk waar het schoolgebouw stond.

***

De roerige periode sinds de aanslagen van 11 september 2001 en de opkomst van Fortuyn had ook zijn weerslag in de klaslokalen van mijn middelbare school gevonden. Met name tijdens maatschappijleer hing er altijd een gespannen sfeertje, vooral wanneer de docent de les begon met de actualiteit. Ik zat samen met mijn Marokkaanse klasgenoten achterin, zoals gewoonlijk, en wij speelden de rol van de brutale straatjongens met verve. Elke discussie over criminaliteit, islam, Marokkanen of Fortuyn verzandde in een rechtstreekse confrontatie met de leraar, die tevergeefs pogingen ondernam om ons een spiegel voor te houden, terwijl wij juist alle negatieve stereotyperingen wilden bevestigen. Wij hadden geen verbale munitie, geen eigen mediakanalen of vertegenwoordiging (al kon de rellerige Abou Jahjah destijds op onze sympathie rekenen). Ons gedrag in de klas was een middelvinger naar de samenleving die ons uitkotste.

Uiteindelijk ging ik alsnog met een mavo-diploma van school, onder mijn niveau, maar mijn ouders waren in ieder geval trots dat ik met een papiertje thuiskwam. Dat het geen ticket naar de universiteit was vond mijn hoopvolle vader nog geen probleem, dat zou vroeg of laat wel gebeuren. De realiteit was dat ik op het mbo elk jaar wel van opleiding wisselde. Ik had geen motivatie en geen enkel vertrouwen dat het nog goed zou komen. Wat waren die diploma’s überhaupt straks waard op een arbeidsmarkt waar ik met mijn achternaam alleen per toeval een kans maakte op een baan? En zo cultiveerde ik de slachtofferrol bij elke onvoldoende, geweigerde stageplek of zogeheten preventieve fouilleeractie. Het was een vorm van escapisme; zolang het niet aan mij lag kon ik mezelf niets verwijten.

Mijn situatie was nog kansrijk vergeleken met mijn vrienden en buurtgenoten. Ik zag ze voor mijn ogen ontsporen. Kruimeldieven werden overvallers of beruchte drugsdealers, schoolverlaters werden bajesklanten. Al die tijd stond ik erbij, op de hoek van de straat of in het koffiehuis, als een regisseur die een film aan het draaien was. Toen ik op een dag mijn beste jeugdvriend bezocht in de gevangenis van Middelburg werd ik voor het eerst van dichtbij geconfronteerd met de consequenties van een kritiekloze collectieve identiteit. Wat de uitdagingen ook waren in deze maatschappij, de bodemloze put van dergelijke alternatieve routes was het niet waard.

Voor het eerst worstelde ik serieus met mijn individuele wensen en dromen tegenover de collectieve identiteiten waar ik me tot dan toe verhield. Wanneer zou ik een keer voor mezelf kiezen? Waarom liet ik me leiden door de verwachte successen thuis, de kwalijke beeldvorming door de media en politiek, de groepsloyaliteit op straat en de hypocrisie van de moskee? Wanneer zou ik eindelijk eens mijn eigen droomkoffer samenstellen en uitpakken? Geleidelijk nam ik afstand van de collectieve identiteit. Als een asceet isoleerde ik mezelf en begon me te oriënteren op een studie die bij me zou passen. Eerst moest ik een mbo-opleiding afmaken, vervolgens een toelatingsexamen afleggen voor het hbo, wat mij redelijk gemakkelijk afging. Na mijn propedeuse had ik dat felbegeerde ticket tot de universiteit in mijn bezit en kon ik aan mijn droom beginnen.

Het betekende geen einde aan de identiteitsstrijd. Ook als vrijgevochten individu word je nog primair gezien als onderdeel van een etnische of geloofsgemeenschap. Journalisten en opiniemakers die van je eisen afstand te nemen van misstanden die door je ‘soortgenoten’ worden veroorzaakt. Politici die de neiging niet kunnen weerstaan om te benadrukken dat ‘onze’ cultuur beter is dan alle andere en de bal ongevraagd bij Nederlanders met een migrantenachtergrond leggen, om vervolgens tegen het geslaagde deel te zeggen dat zij er wél bij horen. Krantenkoppen als ‘Wij zijn hier de baas’ (De Telegraaf na de Turkse rellen in Rotterdam) of ‘Wéér Marokkanen. Toeval?’ (Algemeen Dagblad na de aanslagen in Barcelona) blijven het giftige politieke klimaat rondom het integratiedebat voeden, dat eigenlijk nooit een debat is geweest. En zo gaat het maar door, sinds ik me kan herinneren. Ondertussen krijgt een witte sollicitant met een strafblad eerder een baan dan een allochtoon zonder, een constatering waar niemand meer echt van opkijkt.

Ik bezoek nog altijd regelmatig mijn oude buurt, waar ik me nog steeds mee verbonden voel. Cosmetisch lijkt er veel te zijn veranderd. Er zijn geen verslaafden meer op straat, de vele drugspanden zijn ontruimd en opgeknapt, winkelstraten zijn deels gegentrificeerd en je treft er zelfs bakfietsen aan. Toch zijn de problemen nog talrijk. De schooluitval en werkloosheid zijn er nog altijd hoog, diefstal en berovingen vinden geregeld plaats. En zelfs daar waar oude problemen zijn opgelost lijken er nieuwe te ontstaan. Terwijl de Berberse tatoeages van de oude migrantenvrouwen aan het vervagen zijn, samen met de traditionele ongeschreven regels en codes, groeit de aanwezigheid van de baarden en lange sombere gewaden. Daar hoeft niet per se een dreiging vanuit te gaan, maar gezien de ontwikkelingen in de rest van Europa is het geen geruststellend gegeven. Dromen is voor te veel mensen een luxe geworden die zij zich niet kunnen veroorloven, en voor nachtmerries zijn ze al lang niet meer bang.

Vorig jaar kon ik met mijn vader het goede nieuws delen dat ik bij De Groene Amsterdammer werd aangenomen als fellow. Tot mijn stomme verbazing antwoordde hij: ‘Het oudste weekblad van Nederland toch?’ Toen ik vroeg hoe hij dat wist vertelde hij over zijn eerste baan bij een hotel, waar hij het blad altijd zag liggen. Hij was blij voor me, ik kon de trots van zijn gezicht aflezen. Alsof ik uit zijn oude koffer een droom uitvouwde.


Lotfi El Hamidi was het afgelopen jaar Martin van Amerongen-fellow bij De Groene Amsterdammer. Op 1 september begint hij als opinieredacteur bijNRC Handelsblad