Uit de koude keuken

WAT ME NOG nooit eerder is overkomen, gebeurde me met de novelle De verstekeling van Maarten Asscher. Ik droomde over het boek voordat ik het had gelezen; niet over de inhoud droomde ik, maar over het boek op zich en de auteur. Achteraf denk ik dat het kwam omdat ik er met iemand over had gesproken door de telefoon. ‘Die Asscher lijkt me wel een verstandige man’, had die persoon gezegd. Ik had iets tegengeworpen in de trant van: ‘Maar zijn boeken zijn zo dun’, waarop mijn gesprekspartner had volhard in zijn positieve oordeel bij voorbaat. ‘Moet je nagaan, die man is hier’ - ik belde met iemand in Den Haag - ‘directeur Kunsten geworden en heeft weer een boek geschreven!’

Iets hiervan moet zich hebben vastgezet in mijn onderbewuste, want die nacht, vannacht om precies te zijn, droomde ik dat ik bij Maarten Asscher over de vloer kwam. Zijn vrouw deed open, want Asscher zelf werd net op dat moment geïnterviewd voor een Amerikaans televisiestation. Ontspannen zat hij achterover in een bruine leren fauteuil, type rookstoel, en liet zich ondervragen door iemand die tegenover hem op een poefje zat. Op de glazen salontafel lag een flinke stapel Verstekelingen.
Ik was vooral verrast door de vrouw des huizes. Ze was heel jong, had blond opgestoken haar en gaf Asscher voortdurend kleine kusjes, tijdens het interview dus. Haar leeftijd bracht me een beetje in verwarring, omdat ik wist - ik droomde dat ik wist - dat Asscher al drie grote kinderen had. In een hoek van de kamer stonden drie houten bureaus tegen elkaar aan geschoven, het ene groot, het tweede middel en het derde klein, als in het sprookje van Goudhaartje en de drie beren.
Omdat Asscher nog geen tijd voor me had en ik verder niet zo goed wist wat ik moest doen, begon ik te dwalen door het huis. Het was een enorm groot huis, zo'n oud herenhuis met kamers-en-suite en een erker. Ik liep de houten trap op naar boven, hoger en hoger, en kwam via een laatste ijzeren wenteltrap op een gigantische zolder terecht. Echt gigantisch. ‘Je kunt hier wel een appartement van maken’, zei ik hardop en schrok van de echo van mijn eigen stem in die lege ruimte. Vanuit het zolderraam keek ik uit op een kade, er dobberden wat eendjes in het loodgrijze water.
Zoals dat nu eenmaal in dromen gaat, bevond ik me het volgende moment op weg naar huis. Ik had afgesproken ’s avonds met Asscher en zijn vrouw te gaan eten in mijn woonplaats, waar hij toch zou moeten zijn vanwege een signeersessie. Inmiddels was Asschers uiterlijke verschijning steeds meer die van een andere schrijver geworden, namelijk die van Hans Maarten van den Brink.) Min of meer met mijn ziel onder de arm liep ik op straat, op zoek naar een plek om rustig te kunnen lezen, want de klok die tikte en mijn voorbereidingstijd werd steeds korter. Ik bleef maar lopen, terwijl ik me dat niet kon permitteren en dat besef werd steeds nijpender. Onbewust was ik weer in de straat van Asscher gekomen en ik wist dat het het stomste was wat ik kon doen, maar toch deed ik het. Ik belde andermaal aan, mezelf sussend met de gedachte dat hij er toch niet zou zijn.
'Ja?’ klonk zijn stem door de intercom, een beetje moe en geïrriteerd. Ik stotterde dat ik in de buurt was en dacht dat we misschien… alvast… Bruusk onderbrak hij me. Of ik niet meer wist dat we een andere afspraak hadden gemaakt? Of ik soms dacht dat hij Amsterdam nooit uit kwam? Schuldbewust droop ik af en in plaats van ergens nu wel te gaan zitten lezen, bleef ik maar lopen en lopen met een steeds sterker wordend gevoel af te stevenen op mijn ondergang.
En ja, ’s avonds, gezeten tegenover Goudhaartje en haar schrijver, kreeg ik de vraag op me afgevuurd: 'Heb je het boek eigenlijk wel gelezen?’ Ik was weer vijftien en stond voor de klas waar de leraar aardrijkskunde de kaart van Europa had uitgerold. 'Heb je je huiswerk gedaan?’ Met de aanwijsstok maakte ik deukjes in de neuzen van mijn gympen. 'Nou, wijs ze dan maar eens aan, de Dolomieten…’
WAAROM IK DIT staaltje van particulariteit hier uitsmeer ten koste van kostbare ruimte? Omdat het met de nieuwe novelle van Maarten Asscher een beetje is als met het navertellen van een droom. Het verhaaltje staat voor iets ongetwijfeld dieps en betekenisvols, maar beide, verhaal en betekenis, zijn voor een buitenstaander al gauw slaapverwekkend. Niet dat De verstekeling onbegrijpelijk is. Het is voornamelijk levenloos, als ware het de uitwerking van een 'ideetje’.
Dagenlang heeft dat ideetje op het vuur staan inkoken, tot het bijna verdampt was en alle geur en smaak achterbleven in een klein plasje. In een krappe honderd pagina’s behandelt de auteur de kwestie 'wie ben ik en waarom zou ik niet iemand anders kunnen zijn’. De sleutelzin luidt: 'Ik dacht bij mijzelf: daar gaat iemand die ik ook had kunnen zijn, iemand op wie ik sprekend lijk, iemand die blijkbaar wel een normaal leven leidt.’
De figuren die Asscher uit de kast haalt moeten die gedachte body geven: de indolente David Melba die wil weten wat voor iemand hij zou willen zijn bij gebrek aan 'echte’ identiteit, en de illegale Marokkaan Moustafa Chalaf die slachtoffer en dader tegelijk is onder de druk der omstandigheden.
Naarmate de constructie duidelijker wordt, ontrolt het verhaal zich soepeler. Maar na het laatste hoofdstuk, 'De bezegeling’, vraag je je af wat je eigenlijk gelezen hebt. En wat de moraal van het verhaal is. Liefde overwint alles?
OVER DE MORAAL van haar verhaal is Daphne Meijer heel wat duidelijker. Maar in andere opzichten deed haar novelle De bezoeking mij sterk denken aan Asschers De verstekeling. In plaats van levende letteren zijn beide boeken producten uit de koude keuken. Ook Meijer lijkt braaf aan een opdracht te hebben voldaan: beschrijf wat er gebeurt met iemand die slachtoffer wordt van machinaties van hoger hand. Nu is De bezoeking ook echt in opdracht geschreven blijkens een mededeling voorin, van het Amsterdam Juridisch Genootschap 'Notariële Vereniging’. Niet vermeld staat hoe de opdracht precies luidde, maar die zou wel iets kunnen verklaren van het schoolse karakter van de novelle.
Net als in Asschers novelle wordt in De bezoeking iemand aangehouden omdat wordt gedacht dat hij iemand anders is dan hij zegt te zijn, en ook hier gebeurt dat op Schiphol. Meijers slachtoffer, de Amerikaan John Maniteau Cooper ('Een saaie lul zonder enige fantasie’), is niet een figuur die de interesse op enige manier opwekt. Dat zal ook wel niet de bedoeling zijn, want De bezoeking is een soort moderne parabel over de strijd tussen de goden Apollo en Dionysos. In eerste instantie denk je als rechtgeaard veramerikaanste moderne mens in Ol en Dio nog dikkige FBI-types te herkennen, in een undercover-busje voor de deur van het verdachte object, maar de intrige blijkt een stuk meer ontstegen aan het hier en nu.
Eerlijk gezegd, toen ik er achter kwam dat Ol en Dio niet van de politie waren, en dat zij zelfs (dan maar in godsnaam dát) geen duiven waren die vanaf het dak alles in de gaten konden houden, voelde ik de desinteresse met terugwerkende kracht haar werk doen. Alsof je een heel verhaal had gelezen, moeite had gedaan om op- en neergang van de hoofdpersoon te volgen, je te verdiepen in het hoe en waarom, om uiteindelijk beloond te worden met de afmaker: 'En toen werd hij met een schok wakker.’
Het was allemaal maar een ideetje van de schrijver. Het was allemaal maar een droom.