Nut van ‘t Algemeen

Uit de modder omhoog

Het beschaven van ‘de minder vermogende burger’ was twee eeuwen geleden misschien nog een staaltje noblesse oblige, anno 2011 doen de idealen nogal ouderwets aan. Toch herontdekt de politiek de volksverheffing.

OP EEN ZATERDAGOCHTEND eind oktober gonst het in de gangen van de Volksuniversiteit in Woerden, door marktonderzoekers uitgeroepen tot de meest gemiddelde stad van Nederland. Cursisten haasten zich over het glimmende linoleum naar hun lokaal. Het koffieapparaat zoemt onophoudelijk. Een schema in de hal laat zien wat het leergierige deel van de Woerdenaren op de been heeft gebracht: behalve modieuze bezigheden als een workshop ‘grand dessert maken’ en de cursus mindfulness ook zwaardere kost. Een tekstanalyse van Mulisch’ De ontdekking van de hemel en lessen Spaans, Frans en Russisch behoren tot het aanbod die dag.
Op de tweede verdieping zit een klein groepje bijeen voor de cursus 'moderne kunst: zes karakters uit de twintigste eeuw’. Het zijn overwegend vrouwen van middelbare leeftijd, onberispelijk gekleed, met zorgvuldig gekapt haar. 'Ik ben meegenomen door mijn vrouw’, verklaart de enige man van het gezelschap zijn aanwezigheid. Op het programma staat een college over de Poolse art deco-schilder Tamara de Lempicka. In rap tempo laat docent Aldwin Kroeze - een vrolijke beeldend kunstenaar gekleed in geblokt overhemd en strakke zwarte broek, met een scherpe zijscheiding in het haar - het tijdvak 1900-1930 passeren. De centrale boodschap: het volk opvoeden was een belangrijk motief in die tijd. Driftig worden er aantekeningen gemaakt.
De Volksuniversiteit. Begin twintigste eeuw gesticht om 'de burgerij van alle klassen de gelegenheid tot meer algemene ontwikkeling en hogere beschaving te geven’, zo valt in de oude prospectussen te lezen. Oprichter was Sebald Rudolf Steinmetz, die begon met volksonderwijs op zijn studentenkamer in Leiden en regelmatig met een boekenkist de volkswijken in trok om, zoals hij schreef in zijn essay De student en de volksopvoeding, de arbeider op te voeden tot een 'beschaafd man en waarachtig staatsburger’. In 1913 opende hij de eerste Volksuniversiteit, in Amsterdam. Rotterdam en Den Haag volgden kort daarna. De vestiging in Woerden dateert van halverwege de jaren zeventig, een tijd waarin het volksonderwijs in Nederland een kortstondige heropleving meemaakte.

MET ZIJN WENS OM Nederlandse arbeiders te beschaven trad Steinmetz in de voetsporen van de doopsgezinde predikant Jan Nieuwenhuyzen die ruim een eeuw eerder, in 1784, de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen oprichtte. Het doel: 'Godsvrucht, nuttige kunsten en wetenschappen voornamelijk bij de minder vermogende burger voort te planten en zo verstand en hart te beschaven.’ ’t Nut, dat nog steeds kantoor houdt in hetzelfde monumentale pand in Edam waar Nieuwenhuyzen zijn missiewerk begon, was tot ver in de jaren zeventig een dagelijkse aanwezigheid in het leven van velen in de vorm van nutsscholen, nutsspaarbanken en lesprogramma’s voor volwassenen.
Het beschaven van 'de minder vermogende burger’ was twee eeuwen geleden misschien nog een staaltje noblesse oblige, anno 2011 doen de idealen van Steinmetz en Nieuwenhuyzen nogal ouderwets aan. De morele en geestelijke verbetering van de bevolking - volksverheffing, kortom - is een missie waar niemand zich meer echt toe geroepen voelt. Het systeem van openbaar onderwijs garandeert in principe voldoende scholing voor ieder individu en wat geldt als 'waarachtig’ en 'beschaafd’ moet iedereen vooral zelf uitmaken.
Toch wint in politieke kringen het idee van volksverheffing opnieuw aan populariteit. In juni 2008, kort na een gevoelige verkiezingsnederlaag, schreef toenmalig PVDA-leider Wouter Bos een opiniestuk in NRC Handelsblad waarin hij volksverheffing een 'kernbegrip’ van de sociaal-democratische traditie noemde. Wat hem betrof moest 'een leidende elite’ de 'morele standaard’ zetten waar het volk zich aan op zou kunnen trekken. Bos’ pleidooi voor volksverheffing werd destijds lauwtjes ontvangen, maar inmiddels staat het onderwerp binnen de PVDA prominent op de agenda. De Wiardi Beckman Stichting besteedde onlangs een heel nummer van Socialisme en Democratie aan 'verheffing’. Samen met onder meer 'bestaanszekerheid’ en 'arbeid’ vormt dit een hoofdthema van de sociaal-democratie van de 21ste eeuw, aldus de denktank.
En de sociaal-democraten zijn niet de enigen die de volksverheffing van stal halen. Onlangs bracht het wetenschappelijk bureau van GroenLinks het boek Vrijzinning paternalisme uit waarin samenstellers Dick Pels en Anna van Dijk pleiten voor een nieuw 'cultuursociologisch verheffingsideaal’. Volgens Pels is volksverheffing in de jaren zestig onterecht overboord gegooid als bedenkelijk voorbeeld van paternalisme. Het resultaat: een samenleving van 'dikke ikken’ die elke bemoeienis en verheffing weigeren. Ook Monika Sie, directeur van de Wiardi Beckman Stichting, buigt zich over de vraag of de individuele ontplooiing niet te ver is doorgeschoten. 'Links heeft altijd sterk ingezet op gelijke kansen, maar nu zien we dat dat niet meer genoeg is’, zegt Sie in een telefonisch interview. 'Het gaat niet alleen om materiële zekerheid, maar ook om geestelijke ontwikkeling.’
Het is duidelijk: progressieve denktanks vinden elkaar in het oppoetsen van het verheffingsideaal. Aan vergezichten ontbreekt het niet. 'We moeten niet uitgaan van Henk en Ingrid zoals ze zijn, maar van wie Henk en Ingrid kunnen worden’, zo vatte Pels zijn kijk op volksverheffing samen tijdens de presentatie van Vrijzinning paternalisme. Zijn opvatting vindt weerklank bij Monika Sie. 'Op scholen en op universiteiten draait het vooral om overdracht van basisvaardigheden en het aanleren van geldende normen. Maar verheffing betekent ook om mensen voorbij die normen te leren denken. Alleen maar zorgen dat mensen netjes kunnen meedraaien in de kenniseconomie is een nogal beperkte invulling van het verheffingsideaal’, zegt Sie.
Kritisch leren denken, boven de dagelijkse normen uitstijgen, het is een hele opdracht die uit de nieuwe verheffingsgedachte naar voren komt. Maar de vraag die blijft liggen is: waar moet de verheffing plaatsvinden? Wat Lidewij Verheggen betreft, directeur van de Volksuniversiteit Amsterdam, in ieder geval niet langer op de Volksuniversiteit. De wens tot volksverheffing vindt ze 'feodaal’. 'Het veronderstelt dat er iemand is die verheven moet worden’, zegt Verheggen in haar werkkamer op de zolder van de Volksuniversiteit in de Rapenburgerstraat, een paar deuren verder dan waar Steinmetz in de jaren twintig begon. Aan de muur hangt een olieverfportret van de oprichter. 'Ik vind het nogal aanmatigend. Zo van: de gegoede burgerij die denkt het lagere volk wel eens even uit de modder omhoog te kunnen trekken. Bij mij past dat niet. Mijn motto is: mensen zijn nieuwsgierig, en dan komen ze vanzelf wel op onze cursussen af. Dat is een veel leukere manier van benaderen.’
Dat 'leuk en spontaan’ een belangrijk adagium is voor het eigentijdse volksonderwijs is goed te merken. 'Omdat leren zo leuk kan zijn’ is het motto dat op het handboek voor docenten aan de Volksuniversiteit staat. Binnenin staan handreikingen hoe tegemoet te komen aan de 'leerwensen’ van de cursisten. Omdat les op de Volksuniversiteit tegenwoordig moet worden ingepast in de propvolle agenda van de drukke stadsmens is de duur van de cursussen verkort. 'Vroeger duurde een cursus veertien weken. Nu legt niemand zich meer voor zo lang vast’, aldus Verheggen. Toch is een bezoek aan de Volksuniversiteit meer dan een avondje vermaak, benadrukt ze: 'We hebben wel degelijk een taak om kennisachterstand op te lossen. Zo geven we cursussen foutloos Nederlands schrijven voor hbo-studenten. Of neem onze computercursussen. Vroeger streed de Volksuniversiteit tegen analfabetisme, tegenwoordig tegen digibetisme. Maar om dat nou “volksverheffing” te noemen. Ik zie het eerder als volksontwikkeling.’
Ook volgens onderwijshistorici is de rol van het volksonderwijs als verheffingsinstrument uitgespeeld. 'Onderwijs voor het volk is een lege term geworden’, aldus Sjaak Braster, verbonden aan de vakgroep sociologie van de Erasmus Universiteit Rotterdam: 'In de tijd dat een instelling als de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen werd opgericht, was er sprake van een massa met een tekort aan onderwijsmogelijkheden. Maar vanaf de eerste onderwijswet in 1801 ten tijde van de Bataafse Republiek tot en met de Mammoetwet van 1968 is het vormen van burgers via klassikaal openbaar onderwijs een punt van aandacht geweest voor regeringen. De behoefte aan aanvullend volksonderwijs is daarmee steeds minder geworden.’ Ter illustratie meldt Braster dat de leerstoel geschiedenis van volksonderwijs aan de Universiteit van Utrecht, die hij tot vorig jaar bekleedde, recentelijk is opgeheven.
En natuurlijk zijn de eisen van 'het volk’ veranderd. 'De klassieke Volksuniversiteits-cursist die lid is van de vakbond, naar de openbare bibliotheek gaat en hier komt om te leren, sterft uit’, vertelt Verheggen. 'Bovendien is de concurrentie groot. Kookcursussen zijn een voorbeeld. Jarenlang hebben we die verzorgd, nu gaan mensen met een vriendenclub naar commerciële kookstudio’s in de stad. Toen ik hier begon in 1992, waren we in veel dingen de enige aanbieder. Als je iets wilde, moest je naar de Volksuniversiteit. Nu kun je er donder op zeggen dat alles ook ergens anders wordt aangeboden.’
De poging van de Volksuniversiteit mee te bewegen met de markt wordt weerspiegeld door de cursusfolder. Begin twintigste eeuw prijkte op het omslag een litho van een boer op zijn akker: wie zaait zal oogsten. In het binnenwerk werden cursussen 'arbeidswetgeving’, 'moderne democratie’ en 'seksuele hygiëne’ aangeprezen. Anno 2011 is het boekje neutraal vormgegeven en staan 'hoe gebruik ik Twitter’, 'assertiviteitstraining’ en 'spreken in het openbaar’ op het programma. De Volksuniversiteit Amsterdam werkt bovendien samen met de Libelle Academie. Vanuit commercieel perspectief een slimme zet: vrouwen van boven de 45 zijn de grootste markt in cursusland. Tegelijk laat het zien hoe weinig het volksonderwijs nog te maken heeft met het brede verheffingsideaal.
Ook bij de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen bezint men zich op zijn rol. 'We vragen tegenwoordig meer aan de mensen wat ze zelf willen’, legt bestuurslid Joyce Jansen-Pierik uit. Binnenkort wordt ze voorzitter van ’t Nut, de eerste vrouw op die positie in de ruim tweehonderd jaar dat de Maatschappij actief is. 'En dus organiseren we cursussen Turks koken of een excursie naar de afvalverwerking. Klassikaal les, dat wil niemand meer.’ Voorlopig lukt het nog om op die manier voldoende aanhang te enthousiasmeren. De achtduizend betalende leden die ’t Nut landelijk telt, zijn net voldoende om het hoofd boven water te houden. Subsidie krijgen ze niet.
Over de toekomst is Jansen-Pierik niet optimistisch. 'Nog tien jaar, dat halen we wel. Maar vijftig jaar wordt moeilijk. Het publiek vergrijst. Mijn eigen zoon snapt niet waarom ik dit werk vrijwillig doe. Bovendien is het ledenbestand weinig divers. Laatst sprak een Surinaamse dame op een landelijke bijeenkomst van ’t Nut. De toehoorders waren allemaal wit. Dat was wel even confronterend’, zegt de aankomend voorzitter, die tevens hoofd is van het Nutsdepartement Olst-Deventer, een van de weinige afdelingen waar het ledental nog toeneemt. Achter haar, aan de muur van het keurig onderhouden patriciërshuis waar het landelijk bestuur zetelt, hangt een kaart van Nederland. Voor ieder Nutsdepartement is een rood vlaggetje op de kaart geprikt. In de kop van Noord-Holland staan er een paar, de stedelijke gebieden zijn nagenoeg leeg. Noordoost-Groningen is de enige streek waar de vlaggetjes nog dicht op elkaar staan. Op tafel ligt een handvol kromgebogen speldjes: één voor elk Nutsdepartement dat onlangs is opgeheven.
’t Nut dreigt daarmee hetzelfde te overkomen als andere instituten die voor de volksverheffing zorgden. De volkshogescholen, tot in de jaren tachtig de plek waar maatschappelijk werkers werden geschoold, zijn omgebouwd tot cursushotels. Per afgelopen januari heeft de Stichting Volkshogeschoolwerk - missie: 'Iedereen ongeacht afkomst een gelegenheid geven om te blijven leren’ - haar activiteiten daarom officieel beëindigd. De sociale academies, in de rode jaren zestig en zeventig een populaire bestemming voor geëngageerde jongeren die van burgeremancipatie hun werk wilden maken, leiden tegenwoordig een anoniem bestaan als onderdeel van grote hbo-instellingen. Andragologie - de studie van ontplooiing en emancipatie van volwassenen - verdween halverwege de jaren tachtig als aparte academische discipline van de Nederlandse universiteiten.
Op die manier is de verheffingsinfrastructuur rap ontmanteld. Halverwege de jaren zestig nog werd het volksonderwijs politiek omarmd. Onder minister Marga Klompé, pleitbezorger van éducation permanente, begon het toenmalige ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk met het subsidiëren van de Volksuniversiteiten en de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Tegelijkertijd groeide het sociaal werk uit tot een industrie met duizenden banen.
MAAR MET de uitbreiding van het volksontwikkelingswerk zwol ook de kritiek aan. Een bestseller eind jaren zestig was Lof der onaangepastheid van Herman Milikowski, waarin de socioloog betoogde dat het ontwikkelingswerk niet draaide om verheffing, maar een verkapte poging was om het volk te disciplineren met burgerlijke normen. De doodsteek kwam in 1980 met de publicatie van Hans Achterhuis’ De markt van welzijn en geluk, waarin de filosoof afrekende met het welzijnswerk dat er in zijn ogen vooral voor zichzelf en niet voor het volk was. Op die manier droegen progressieve denkers als Achterhuis en Milikowski bij aan het sociale klimaat van de jaren tachtig en negentig waarin de angst om te bevoogden en een afnemend geloof in de maakbaarheid van de samenleving het enthousiasme voor de culturele ontwikkeling van volwassenen temperden.
Wat deze omslag in de tijdgeest heeft opgeleverd valt te lezen in het rapport De verzorgingsstaat heroverwogen van de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid. De WRR noemde 'verheffen’, samen met 'verbinden’, 'verzorgen’ en 'verzekeren’, een kernfunctie van de moderne verzorgingsstaat, maar beperkte de invulling daarvan tot kansen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. Cultuur werd bewust buiten het verheffen gehouden. De reden: 'Er is geen duidelijkheid over wat die culturele overdracht zou moeten behelzen. Bovendien ontbreekt het aan een moreel gezaghebbende elite die overtuigend kan vaststellen welke culturele canon eenieder zou moeten kennen.’
De WRR stelde deze diagnose in 2006. Vijf jaar later lijkt alles weer te schuiven. De afwezigheid van de elite wordt niet louter meer als een bevrijding ervaren, maar ook als een punt van zorg. De culturele bovenlaag, die traditioneel de drijvende kracht vormde van het verheffingsideaal, raakt steeds meer naar binnen gekeerd, zo betoogde de Engelse socioloog Frank Furedi in een essay in The Guardian. 'Intellectuelen richten zich in toenemende mate op andere experts. Er sluipt steeds meer jargon in hun werk en het aantal plekken waar publiek debat plaatsvindt neemt af’, meent Furedi. Ook in Nederland zijn de opiniepagina’s van kranten en tijdschriften een plek waar commentatoren vooral op elkaar reageren. Voor onderzoekers aan Nederlandse universiteiten draait het om bezoeken van zo veel mogelijk internationale conferenties en het publiceren van peer reviewed artikelen. Het bereiken van een breed publiek behoort niet tot de kwaliteitseisen die aan een wetenschapper worden gesteld.
De oproep van Dick Pels en Monika Sie om opnieuw na te denken over hoe de Nederlandse bevolking te verheffen, wordt eveneens ingegeven door de behoefte om opnieuw een publieke discussie te voeren over wat geldt als een beter leven, niet alleen voor jezelf, maar juist ook voor anderen. 'We zijn te schroomvallig geworden om te moraliseren’, aldus Sie. 'We moeten opnieuw leren het debat te voeren over hoe we Nederland sociaal en cultureel kunnen verbeteren. Zelfverheffing is dan wellicht een betere term, want het gaat om een debat hoe we onszelf kunnen verheffen, en evenzeer hoe we de elites kunnen verheffen.’
Wat Pels betreft mogen burgers, professionals en overheden daarom opnieuw hun morele opvattingen over het goede leven uitdragen, zolang daar maar discussie over mogelijk blijft. Want: 'Het goede leven omvat ook een democratische cultuur waarin we onafgebroken met elkaar in gesprek zijn over het goede leven.’
En als politieke clubs opnieuw aan het verheffen slaan, is het volksonderwijs dan opnieuw te porren voor verheffing? De omstandigheden zijn er in ieder geval wel naar. Ook al is het cursuspubliek veranderd, het lesaanbod is min of meer intact gebleven. Nog steeds staan overal inleidingen in kunst, literatuur en wetenschap op het programma. Tegelijkertijd zoekt het volksonderwijs naar manieren om in te spelen op de achterstanden van deze tijd. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen zet in op het bestrijden van laaggeletterdheid. De Volksuniversiteit Amsterdam biedt samen met hun collega’s uit Amstelveen sinds kort ook cursussen aan in Amsterdam-Zuidoost. Maar belangrijker: binnen het volksonderwijs treedt een generatie aan die minder belast is met het antipaternalisme van de jaren zestig en zeventig. Daarmee gaat de deur op een kier voor het verheffingsideaal. Neem kunstdocent Aldwin Kroeze die, behalve in Woerden op zaterdagochtend, meermalen per week kunstonderricht geeft. Natuurlijk zijn de onderwerpen die hij behandelt een beetje elitair, zo geeft hij toe. 'Maar je moet de mensen toch een beetje opvoeden.’