Is het voor een cijfer

Uit de school

De calculerende leerling legt de lat exact op de minimale hoogte.

IEDERE DOCENT op de middelbare school die een schriftelijke toets aankondigt weet precies welke reactie er vanuit de klas komt: ‘Meneer, is het voor een cijfer?’ Voor leken moet ik dit suggestieve zinnetje vertalen. Want de door de wol geverfde docent weet wat de leerling eigenlijk wil zeggen: als het niet voor een cijfer is, en dus niet meetelt en geen gevolgen voor het rapport heeft, hoef ik mij minder of helemaal niet in te spannen. Of ik doe gewoon niks, ik voer geen flikker uit, want ik richt mij op een 5,6 en dat is tegenwoordig voldoende. Waarom zou ik me inspannen voor een acht? Een nerd wil ik niet zijn. Wie dan leeft, wie dan zijn minimum opnieuw becijfert.
Mijn standaardantwoord met varianten op dit ledigheidstreven (liever lui dan moe, liever voorbereid op het onverwachte dan met een leeg hoofd aan de start te staan) luidt dat altijd alles voor een cijfer is, vroeger of later, en dat elke voorbereiding een beter cijfer met zich meebrengt. Waarna ik mij haast te zeggen dat een leerling natuurlijk niet samenvalt met de cijfers die hij haalt. Maar wie niet bereid is zich kritisch de maat te laten nemen, ook al zijn de gevolgen op de korte termijn nihil, heeft een berekening gemaakt die uiteindelijk niet klopt.
De doorsneeleerling van 2010 is een calculerende jonge burger zonder al te veel sociaal inzicht. Het gaat erom de lat precies op die hoogte te leggen die, bij het springen, de meest minimale inspanning vergt en het meest maximale resultaat oplevert. Ben ik cynisch? Het is de werkelijkheid. Een voorbeeld van mijn bollenstreekschool boven Leiden. Twee v6-leerlingen die tijdens mijn lessen Nederlands maandenlang als zombies (‘Slaap je of studeer je?’) boven hun Dautzenberg-literatuurgeschiedenis hingen, traden bij hun mondeling eindexamen aan met de voor mij ontnuchterende mededeling dat ze ervan afzagen. Een van de gesprekjes ging ongeveer als volgt:
‘Wat bedoel je? Dat je geen examen doet?’
‘Ja, ik wacht wel tot de herkansing. Kan ik nog boeken herlezen.’
‘En dat moet ik geloven?’
‘Ik zal u eens wat laten zien.’
‘Vergeet dan de literatuurgeschiedenis niet. En ook niet dat Dautzenberg Spinoza, Potgieter, Carry van Bruggen, Jacob van Lennep, Aernout Drost en Marcellus Emants overslaat. Om nog maar te zwijgen wat voor onzin hij verkoopt over het modernisme of over Hermans’ roman Ik heb altijd gelijk.’
‘Waarom moeten we dat boek dan bestuderen?’
‘Er is niks beters. Overigens krijg je nu een 1 voor je niet-inspanning.’
‘Dan sta ik precies een 5,6.’
‘Dat is niks.’
‘Dat is voldoende.’
Een paar weken later maak ik een afspraak met Dennis en Paolo. Ze mogen herkansen wat ze de eerste keer hebben laten lopen. De eerste herkanser laat weten dat hij wel tevreden is met zijn 5,6 en geen been in een herkansing ziet. Gauw klaar dus. De tweede herkanser zit op het moment van onze afspraak bij de dokter. Ik bel hem een paar keer. Hij kondigt aan te zullen komen. We schuiven wat met tijdstippen. Ik ben een en al flexibiliteit. Daarna hoor ik niets meer van hem. De laatste lessen in mei verzuimt hij.
Voor de volledigheid: beide vwo’ers zijn geslaagd voor hun eindexamen, en ook nog met een voldoende voor Nederlands. De literatuur heeft in hen helaas geen levenslange lezers overgehouden. Ik geloof niet dat ze ook maar één seconde hebben stilgestaan bij de indruk die ze met hun kil berekenende houding op hun omgeving, inclusief medeleerlingen, gemaakt hebben. Hun literaire denkvermogen bleef nihil.
‘Wat eisen wy van de school?’ Het is een vraag die bijna anderhalve eeuw geleden werd gesteld door de man die zich toelegde op het schrijven van levend Nederlands maar verzuchtte dat hij helaas naar school had gemoeten: Multatuli. Het taalspeelse en metaforische antwoord, als onderdeel van Idee 848 (in Volledige Werken IV, 1973) van onze negentiende-eeuwse vrijdenker is verrassend actueel: ‘Ontwikkeling van denkvermogen? Neen, zegt daar iemand, dat komt later. Eerst kennis… In zekeren zin is dit waar. Het kind moet hebben kennisgemaakt met de pendule, voor ’t kan achtgeven op de beweging. Doch wie kennis in wyder betekenis wil laten voorgaan, vrage zich af of deze bevorderd wordt door ontydige mededeling? Kennis wordt waarlyk niet gebaat door onevenredige achterstelling van denken.’ En Multatuli wist genoeg van de retorica om de vraag nog een keer te stellen, in Idee 849, en kritisch te beantwoorden: ‘Wat wachten wy van ’t onderwijs? Beroepshandigheid? Ook in dat geval is de thans gevolgde methode verkeerd.’ Alsof Multatuli over de deplorabele toestand in het mbo schrijft…
Dat ik Multatuli aanroep is geen literaire truc maar noodzaak. Het is nodig om op een andere manier over het onderwijs na te denken. En daarom kunnen we niet zonder schrijvers die blijven nadenken en dóórdenken. Bied die schrijvers aan, luie en leesarmoedige schoolmeesters, en schenk dat handjevol pubers dat een beetje literair gevoel heeft onvermoede gedachtedomeinen waarin ze nog jarenlang kunnen ronddwalen.
Alles is voor een cijfer?
Niks is voor een cijfer.