Opheffer

Uit eten

Uit eten uitgenodigd door Ernst en Ada. Vroeger kwamen we bij elkaar op bezoek, tegenwoordig ga je met elkaar ergens eten. We spreken tijdens het aperitief en het begin van het diner over goede hotels, computers en wat meer za ken van deze tijd, tot Ada opeens zegt: «Ernst en ik gaan uit elkaar.»

Gewoon dooreten, dacht ik.

«Hè Ada, waarom moet je dat nu aan tafel zeggen…» hoor ik Ernst vragen.

«We kunnen het toch beter nu vertellen», antwoordt Ada.

Ik kijk op van mijn bord, knik nogmaals en zeg: «Jullie gaan scheiden, nou dat is fijn. Of niet fijn, maar het eten hier is in ieder geval heerlijk. Hoe gaat het met je moeder, Ada?»

«Goed… Hoorde je wel wat ik zei? We. Gaan. Scheiden.»

«Jazeker… nou, neem beiden maar een goede advocaat… Maar hoe oud is jouw moeder wel niet? Ik dacht dat ze ouder was dan de mijne?»

Ada kijkt me aan alsof ik per onge luk het servies aan het opeten ben. Ernst schenkt zichzelf nog eens in en bestelt, terwijl de tweede halfvol is, maar vast een derde fles wijn.

«Wil je soms niet praten over de scheiding, is dat nog een probleem voor je?» vraagt Ada.

Ik haal mijn schouders op. «Nee, wat kan mij het nou schelen dat jullie scheiden? Dat zal wel z'n reden hebben. Ik heb dat tien, twaalf jaar geleden al gehad. En ja, wat moet ik er over zeggen? Laten we lekker eten.»

«Vind je het niet erg… voor ons?» vraagt Ada.

«Erg… Weet ik veel… Als jullie het vervelend vinden… ja, dan vind ik het ook vervelend, maar erg… Het is 2001… Scheiden is toch niet meer zo erg?»

«Maar wil je de reden niet weten?»

«Nee Ada, die wil ik inderdaad niet weten, nee. Wat kan mij het nou schelen? Jongens, kom op. We gaan er toch geen moeilijke avond van maken, hè?»

«Nee!» onderbreekt Ada. «Ik wil wél vertellen waarom we gaan scheiden!»

Ik probeer een grap te bedenken om alles even te relativeren, maar er druppelt niets binnen. Dan zegt Ada: «Ik ga scheiden van Ernst omdat ik meer voel voor vrouwen dan voor mannen!»

«Nou, hartelijk gefeliciteerd, Ada. Gelijk heb je. Ernst, wat voor computer had jij ook al weer?» vraag ik.

Met een klap legt Ada haar vork op haar bord en zegt op een studententoontje dat ik nog van haar van vroeger ken: «Wat is dit!? Waarom stap je hier zo snel overheen? Heb je er soms problemen mee?»

In haar ogen weerspiegelt zich het nephaardvuur dat achter me brandt.

«Zeg Ada, sodemieter op. Wat kan het mij nou schelen of je lesbisch bent of niet.» Mijn stem klinkt net niet te hard.

«Het is voor mij een belangrijk punt!» zegt Ada. «En ik merk dat jij het probleem ontwijkt! Zoals altijd neem jij weer geen standpunt in…»

«Jezus Christus, Ada. Het is zo'n jaren-zeventigprobleem. Wat moet ik er over zeggen? Jij voelt meer voor vrouwen. Fijn. Ik voel ook veel voor vrouwen. Ernst ook. Dus we hebben alledrie dezelf de voorkeur. Fijn. Discussie geslo ten.»

«Ik vind dat je raar reageert», zegt Ada, «jij hebt een probleem.»

«Ada, waar maak je je in godsnaam druk over? Het kan me helemaal niks schelen.»

«Ik heb er zelfmoord om willen plegen… God, wat val jij me tegen.»

Er komen tranen bij Ada die met een servet worden gedroogd.

«Het… spijt me, Ada», zeg ik, «ik reageerde misschien wat bot. Maar ik dacht dat het beleefder was om niet te diep te duiken in intieme zaken die mij niets aangaan.»

«Geeft niet», zegt ze.

«Ada… ik wist dat natuurlijk niet van die zelfmoord… Verdorie, jongens wat kennen we elkaar eigenlijk slecht», zeg ik.