Uit het kolenhok

Voor degene die een beetje bijhoudt wat er over adoptie wordt geschreven (ik), was het een druk najaar. In de biografie van Steve Jobs kon je over zijn over zijn adoptiegeschiedenis lezen, inclusief hervonden zus en moeder en gebrek aan belangstelling voor biologische vader. In Blue nights schreef Joan Didion over hoe het was om een kind te adopteren en haar angst dat ze daarmee te luchthartig was omgesprongen.

Medium waarom gelukkig zijn als je ook normaal kunt zijn

In Waarom gelukkig zijn als je normaal kunt zijn? - de titel refereert aan een van de sweeping statements van haar adoptiemoeder - vertelt Jeanette Winterson haar aangrijpende verhaal: als baby geadopteerd door wel zeer actieve leden van de Pinkstergemeente, als bijna vijftiger op zoek naar haar biologische moeder.
In 1985 debuteerde Winterson met Sinaasappels zijn niet de enige vruchten, waarin ze voor een deel hetzelfde verhaal vertelt, maar dan gefictionaliseerd. In Waarom gelukkig zijn bekent ze dat ze een van de personages in dat boek, Getuigende Elsie, heeft verzonnen om het leven van kleine Jeanette, zoals ze haar hoofdpersoon noemde, wat minder onherbergzaam te laten lijken. Anders zou het te treurig zijn geweest. In werkelijkheid was haar jeugd dickensiaans, zonder Getuigende Elsie of andere vertrouwensfiguren. Haar zeventienjarige biologische moeder had een paar maanden na de geboorte afstand van haar gedaan, waarop ze werd geadopteerd door het toen al bijna middelbare echtpaar Winterson, dat op een jongetje had gerekend. Mevrouw Winterson, zoals Jeanette haar adoptiemoeder in dit boek consequent aanduidt, had na een periode waarin ze als jongvolwassene dronk en (openlijk) rookte Jezus gevonden, waardoor haar stemming er niet beter op was geworden. Ze wachtte, tussen het iedere zondag én bijna iedere avond ter kerke gaan, op het einde der tijden. Dat verenigde zich slecht met het hebben van een kind, blijkt uit het eerste deel van Waarom gelukkig zijn.
De conflicten tussen deze depressieve vrouw en haar levenslustige dochter waren legio. Jeanette werd geslagen en zonder eten naar bed gestuurd, maar leerde geen krimp te geven. Ze werd eindeloos in het kolenhok opgesloten, hele nachten op straat gezet; ze leerde om door verhalen te verzinnen de kou en de duisternis te vergeten. En ze las. Alhoewel haar moeder antiboek was (‘Het probleem met een boek is dat je pas weet wat erin staat als het te laat is’, vond ze) las de kleine Jeanette in de plaatselijke bibliotheek alles wat los en vast zat. Later kocht ze van het geld dat ze als puber op de markt verdiende paperbacks, die ze onder haar bed verstopte. Totdat haar moeder op een avond deze kostbare schat vond. Mevrouw Winterson wierp de boeken uit het raam op de binnenplaats, goot er petroleum overheen en verbrandde ze.
Mevrouw Winterson is zo'n absurd personage, in haar elektrisch verwarmde korset, met haar nachtlange baksessies om te voorkomen dat ze naast haar man in bed moet liggen en haar gewoonte om schilderijen achterstevoren aan de muur te hangen omdat ze tegen het 'gesneden beeld’ is, dat de lezer zich er af en toe aan moet herinneren dat ze niet aan de fantasie van de auteur is ontsproten. Het pleit voor Winterson dat ze ondanks alle gruwelijkheden oog weet te houden voor de komische kanten van haar adoptiemoeders waanzin.
De vijftienjarige Jeanette wordt verliefd - 'wat moet je anders?’ - op Helen, een wat ouder meisje dat ze uit de kerk kent. Nadat mevrouw Winterson haar dochter met Helen in hetzelfde bed heeft aangetroffen, laat ze de kerk een drie dagen durende duivelsuitdrijving organiseren. Het baat niet: Jeanette blijft gelukkig zijn verkiezen boven normaal zijn, tot shock en horror van mevrouw Winterson. Op haar zestiende loopt ze weg van huis, slaapt een tijdje in een auto, krijgt een kamer bij een lerares en weet het tot Oxford te schoppen. Mevrouw Winterson maakt nog mee dat Sinaasappels wordt gepubliceerd, het boek waarmee Jeanette zich in haar eigen woorden naar buiten heeft geschreven. Ze hebben elkaar dan al in geen jaren gezien. Niet lang daarna sterft ze.
In het tweede deel van het boek is het 2007 en Jeanette is in een persoonlijke crisis geraakt nadat ze is verlaten door haar vriendin. Ze doet een zelfmoordpoging, krabbelt overeind en besluit op zoek te gaan naar haar biologische moeder. Dat was voorheen ondenkbaar: één setje ouders voelde als een ongeluk, een tweede als zelfdestructie. Maar als ze uit het dal is geklommen en een nieuwe liefde heeft gevonden in Susie Orbach, de bekende feministische psychoanalytica, acht ze de tijd rijp. Leeft haar moeder nog? Zo ja, zal ze Jeanette willen ontmoeten? Zal ze haar vinden voor de Engelse roddelpers dat doet en alles verpest (een reële optie)?
Het tweede deel van Waarom gelukkig zijn heeft een zekere urgentie, alsof ze haar ervaringen heet van de naald optekent, vlak nadat de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Susie Orbach is duidelijk van invloed geweest op zowel zoektocht als memoir, waarin psychologische duidingen niet worden geschuwd. Daar moet je van houden, maar ik vond het geen bezwaar. Het ontroerde mij dat Jeanette leert oog te krijgen voor zichzelf als de baby die door haar biologische moeder in de steek wordt gelaten. Als geadopteerde heb je geen verhaal, schrijft ze, je zult er zelf een moeten verzinnen. Ze kijkt ook met andere ogen naar mevrouw Winterson: die grote verschijning die in haar eigen ogen zo klein was. Ze beseft dat ze ook veel aan haar te danken heeft: haar liefde voor taal, bijvoorbeeld. Ondanks alles: de literatuur. Van een verzoening is geen sprake, wel van acceptatie. 'Ze was een monster, maar ze was mijn monster.’

JEANETTE WINTERSON
WAAROM GELUKKIG ZIJN ALS JE NORMAAL KUNT ZIJN?
Uit het Engels vertaald door Maarten Polman, Contact, 228 blz., € 22,95