Uit het lood

Martin Reints publiceert zijn vijfde dichtbundel, Lopende zaken. En K. Schippers volgde de levensloop van Marcel Duchamp. Het resulteerde in een boek, De bruid van Duchamp, dat tevens een portret van Schippers is. En Katja Stam maakt houtskooltekeningen, die worden geëxposeerd bij Castrum Peregrini.

Medium katja stam 2003 325x25 castrum peregrini

De enige Nederlandse dichter wiens werk me werkelijk uit het lood heeft geslagen, is Martin Reints. Hier was de wereld zoals die is, zonder de saus erover die literatuur heet, zonder de riedel die naar poëzie klinkt. De gedichten van Martin Reints zijn hypertoegankelijk, je hoeft er helemaal niet in te komen, je bent er meteen in. Het is geen Faverey of Van Dixhoorn, wier regels je langzaam verleiden. Het is er meteen, bij eerste lezing. En het is ook niet zomaar realisme. De gedichten waren ongeveer zo kaalgeslagen als de allereerste films van Wim Wenders. Er staat spanning op iedere regel.

Het gedicht waardoor ik zijn werk leerde kennen heette Boedapest. Hé, dacht ik, die man kijkt zoals ik kijk. Het gedicht is terug te vinden in zijn derde bundel, Tussen de gebeurtenissen (2000). Later vertelde de dichter het samengesteld te hebben uit twee ansichtkaarten die hij aan vrienden schreef. Hij deed het voorkomen alsof hij die twee gewoon onder elkaar had geplakt en klaar was het gedicht. En dat is het dubbelzinnige bij Martin Reints: de schijn alsof het niets is en zo gemaakt. Terwijl dat overduidelijk niet het geval is. De dichter publiceert deze week zijn vijfde bundel in dertig jaar, eerst deed hij tien jaar over een bundel, over de laatste twee bundels vijf.

Inmiddels dateert die kenniskmaking met het gedicht Boedapest van ruim twaalf jaar terug en weet ik dat ik helemaal niet zo kijk als Martin Reints. En juist dat is een onmiskenbare gave van het werk: de lezer de illusie te geven dat hij of zij het is die kijkt. Ongetwijfeld is het de scherpe woordkeus, de direct voorstelbare beeldtaal en inderdaad eenvoud, noem het desnoods minimalisme. Het gebruik van spreektaal of in ieder geval gewone taal, geen boekentaal. Als je zijn vijf bundels bekijkt, zie je dat er altijd reliëf is. In iedere bundel staan gedichten die me dierbaar zijn en andere die me minder zeggen. Hij egaliseert niet als dichter. Hoeveel tijd hij ook neemt om een bundel te voltooien, hij zoekt niet naar een evenredige kwaliteit van alle gedichten. De aanlooptijd die hij nodig heeft is er opnieuw voor elk gedicht. Dat houdt de bundels spontaan, het is niet doorgecompeneerd als geheel.

Martin Reints debuteerde in 1980 met de bundel Waar ze komt daar is ze. In die bundel is het met name de titelserie en de reeks ‘stadsgezichten’ die ik vaak herlees. Het is montagepoëzie, de lyriek is versneden in uitgeknipte handelingen, beschrijvingen, gebeurtenissen. Niet alleen beschrijvingen, ook omschrijvingen van die gebeurtenissen ontstaan uit empatie met de beschreven figuur. En juist daarin zit de lyriek. De hoofdfiguur is zo grondig bekeken dat ze begrepen lijkt. In zijn tweede bundel Lichaam en ziel (1992) komt het rivierlandschap voor, de uiterwaarden, de dijken, de wandelaar. En ook een man die op zijn buik ligt en televisie kijkt, die uitzet, door kranten bladert en met zijn voet een stoel in de richting van de tafel duwt. Voornoemde bundel Tussen de gebeurtenissen leek op een hoogtepunt, op het moment dat een spreker achter het spreekgestoelte een stilte laat vallen. De spanning en nauwgezette exactheid van het beschreven moment leken onafwendbaar, onontkoombaar.

Het is mogelijk daarom dat zijn vierde bundel Ballade van de winstwaarschuwingen (2005) een iets mildere ontvangst kreeg omdat de spanning op het eind van die bundel versnipperd raakte. Daar stonden kortere, iets minder intense gedichten. Een andere verklaring is dat inmiddels de kritiek zich vernieuwd had. Als je de bundel opnieuw bekijkt, zie je dat er zoals in alle bundels van Reints sterke gedichten naast minder sterke gedichten staan. De koerswijziging betrof enerzijds het lange, jazzy titelgedicht in twee delen, anderzijds de korte poëtische gedichten, waarin riet word geplukt met Slauerhoff, waarin brieven in zwaarbeladen vrachtwagens over de wegen slingeren. De dichter moest zichzelf opnieuw uitvinden en formuleren, kon niet op dezelfde voet verder.

En nu is er Lopende zaken, opnieuw een dunne bundel, 29 gedichten, geen enkel langer dan een pagina. Opnieuw zijn er gewone, herkenbare dingen en begrippen, zonder opsmuk of verfraaiing. Een boodschappentas met lege flessen in de gang, opmerkingen van een verkoopster, en dan een zin als ‘de rietkraag golft in de mist’. Er is de altijd aangename precisie: ‘enig horizontaal vlak’ vinden om de tankdop op te leggen als je gaat tanken, en dan, terwijl je tankt, de gedachte:

het wilde westen

de vakanties van vroeger

de toekomst

En daar is Reints anders dan hij was. Hij stipt aan, hij geeft een paar streken. Maar ook weer niet zo heel veel anders. Tijdens een herfstnacht daalt een spin af in de gootsteen en wacht:

de regen begint neer te slaan op de dak van het huis

en op het gras in de tuin

een van de regendruppels spat uit elkaar op de waslijn

een andere regendruppel schampt

de vuilnisbak en slaat te pletter op een tegel

En door gaat het, met de regendruppels en het vallen. En ook de spin keert later in de bundel terug, ditmaal in meervoud verstopt achter brandblusapparaten. Er zijn gedichten over stoelen die niet in een rij thuishoren. Altijd is de gedachte die Reints formuleert nabij, die kan net zo onmiddelijk in je kop nestelen zoals hij zijn beelden brengt.

‘boven een brandende oven kan geen sneeuw vallen’, staat er in een gedicht getiteld Een koe vangen met Bert Schierbeek. Er is een treffend gedicht over iemand die thuiskomt, de post opent, buren heen en weer hoort lopen en ook niet meer dan dat, dat sterk beklijft. Reints is altijd humoristisch waar het uitdrukkingen, formuleringen en de spreektaal betreft: ‘het vanuit de radio toegesproken worden alsof je een bedrijf met personeel hebt’. En natuurlijk heeft hij het over ‘krachtige tot stormachtige wind’, precies zoals het weerbericht. Die humor is olijk en charmant. Martin Reints schrijft niet-metaforische poëzie, zonder enige symboliek. Hij heeft het graag over een vergaderzaaltje met in een glazen kom pakjes melkpoeder en in een andere pakjes suiker. Over de flyers van een helderziende op de trap. Over heel concrete dingen.

Je zet de televisie aan zonder geluid

en zapt totdat het beeld klopt met het geluid bij de buren

nu weet je naar welke serie ze zitten te kijken

maar wat heb je daaraan?

Natuurlijk zit er ergens een paradox, ook in het betoog dat ik hierop bouw. Door het niet-bijzondere toch opnieuw bijzonder te maken, is er de schijn van terloopsheid. En die kenmerkt de gedichten van Martin Reints. Ergens is zijn werk juist uiterst kunstzinnig, juist als hij vlak te werk gaat in zijn gedichten. En spitsvondig: ‘ik weet niet meer of er fuck/ of kut op de muren stond/ toen ik door het dorp liep// ik weet wel: de dingen komen meestal niet alleen’ staat er in zijn tweede bundel.

In het boek De bruid van Marcel Duchamp schrijft K. Schippers dat de kunstenaar ‘de werkelijkheid zelf liet optreden, zonder omwegen of afleidende praatjes’. Het boek van Schippers is ook bijna zijn eigen levensverhaal, en een portret van Schippers zelf, een spiegel voor zijn werk en levenshouding. De anti-kunst van Duchamp wordt wis en waarachtig kunst. Dat is de tijd. De hekel aan poëzie gewoonweg als poëzie die K. Schippers altijd heeft gehad, is juist ontstellend poëtisch. Je hebt die negatie nodig om werk werk als nieuw te kunnen ervaren. Schippers boek is een verslag van jaren, decennia, hoe hij met zijn bentgenoten van Barbarber op pad ging en later met de redacteuren van Hollands Diep, hoe hij als bij toeval binnenraakt bij een voormalig atelier van Duchamp in New York. Wie hij ontmoet, wat er tijdens die ontmoetingen plaatsvindt. K. Schippers probeert Duchamp te ontdoen van alle roddels en essays, alle beschouwingen over zijn werk. Het resulteert in een zoektocht. Als hij toch even als biograaf te werk gaat en Duchamp bij de kunstverzamelaar Peggy Guggenheim Piet Mondriaan laat ontmoeten, gebeurt er iets aparts. Schippers volgt een daadwerkelijk vastgelegd gesprek tussen hen en André Breton, maar laat de twee kunstenaars zich afzonderen en doorpraten. Het neoplastische werk van Mondriaan wortelt dieper in de werkelijkheid dan het surrealisme, vindt de schilder zelf. ‘In de natuur hebben de dingen zoveel uitdrukking dat je het ritme niet opmerkt… ik bedoel het ritme dat eronder zit.’

K. Schippers schrijft over Mondriaan: ‘z'n werk is zo simpel, het gebeurt overal’.

Als Mondriaan de ruimte verlaat en naar zijn huis loopt, vervolgt K. Schippers: ‘Altijd is hij door ritme omgeven, maakt niet uit wat, dit keer z'n haar, de bladeren van de bomen, de schepen op het water. Of beter nog rhythme, de h’s maken het beweeglijker, klankloos zijn ze toch niet overbodig, de zichtbare stiltes binnen wat er overal gebeurt. Zie die kraaien eens wegvliegen!’

Martin Reints’ bundel Lopende zaken wordt op 23 oktober voorgesteld bij Castrum Peregrini, tijdens een voorbezichtiging van houtskooltekeningen van Katja Stam. Ook haar werk lijkt op het eerste gezicht abstract maar gaat wel degelijk uit van de werkelijkheid. Het werk is uiterst geconcentreerd. De afbeeldingen hebben iets van bamboestengels bezien door röntgenogen - de vlakken variëren van dichtheid in grijstonen. Stam is autodidact en werkt ruim twintig jaar aan haar tekeningen.

Een van de gedichten uit de nieuwe bundel Lopende zaken heeft een zelfde titel als een serie uit zijn debuut:

Stadsgezicht

Nog even en de man die daar loopt

aan de overkant, je kunt zien dat hij heeft getelefoneerd

door hoe hij om zich heen kijkt

terwijl hij al lang in deze omgeving rondhangt

nog even kijk daar heb je de bus

nog even en die man is onderweg naar een andere omgeving

en als je nog even wacht is de hele omgeving weg:

het wachthokje met de grote aanplakbiljetten,

het huizenblok met de portieken en

de erkers met de planten in hun potten,

de regen, nee de sneeuw, nee de regen.

Martin Reints, Lopende zaken. De Bezige Bij, 40 blz., € 15,-;

K. Schippers, De bruid van Duchamp. Querido, € 18,95;

De expositie van Katja Stam loopt van 24 oktober tot 4 november. Zie www.castrumperegrini.org

Beeld: Katja Stam