Uit het oog, uit het hart

Jacq Vogelaar, Uit het oog: Beeldverhalen. Uitg. De Bezige Bij, 249 blz., 339,50
‘Beeldgedichten’ kennen we al; het woord komt weliswaar in Van Dale niet voor, maar wel in het Lexicon van literaire termen: gedichten geïnspireerd op werken uit de plastische kunst, betekent het. Jacq Vogelaar komt nu met Uit het oog: Beeldverhalen. Het woord ‘beeldverhalen’ komt zelfs in genoemd lexicon niet voor, maar het ligt voor de hand om te denken dat het hier verhalen geïnspireerd op werken uit de plastische kunst betreft.

Een beeldverhaal is wat anders dan een praatje bij een plaatje, of dan zo'n professoraal genrestukje waarin het kunstwerk geïnterpreteerd wordt, thuisgebracht, vastgepind, historisch of anderszins. In een dergelijke benadering van beeldende kunst worden bijvoorbeeld de schilderijen van Francis Bacon ‘beeld van een absurde wereld’ of 'uitdrukking van eenzaamheid’ of 'verbeelding van vervreemding’. In een essay over Bacon dat deel uitmaakt van Uit het oog waarschuwt Vogelaar ervoor dat bij een dergelijke benadering Bacons schilderijen in rook opgaan, 'in de walm van ethische en metafysische retoriek’. Het gaat Vogelaar dan ook niet om het gezien hebben van het schilderij, maar om het kijken zelf. Zijn beeldverhalen zijn met andere woorden niet de neerslag, het resultaat, de conclusie van wat hij eerder zag, maar ze zijn - heel letterlijk - een ooggetuigeverslag van wat hij bezig is te zien.
'Kijken is (…) een vertraagde herhaling van het zien’, oppert hij bij een foto van Koen Wessing, 'stukje bij beetje vormt zich in mij een beeld van het beeld. Van ontvanger ontwikkel ik mij tot waarnemer, tegelijkertijd lost de verleden tijd van het gezien hebben zich op in de tegenwoordige tijd: ik lees.’ Zoals lezen voor Vogelaar een vorm van 'terugschrijven’ is, zo is kijken voor hem dus een vorm van lezen, dat is: een verwikkeld zijn (en blijven) in wat hij ziet. En dat kijken dat lezen is, is als lezen dan natuurlijk weer schrijven. Dat wat Vogelaar ziet - of misschien moet je zeggen: dat wat hij kijkt - geeft 'gelegenheid tot verbale beeldvorming’, zoals hij het noemt, is verbale beeldvorming. In Uit het oog lees je als het ware Vogelaars kijken, om het zo maar te zeggen.
Daarmee begeeft Vogelaar zich in het niemandsland tussen zien en gezien hebben. Het is het gebied tussen lichaam en geest, het gebied waar de geest het van het lichaam probeert over te nemen, waar de visuele in-druk (lichamelijk) verbale uit-drukking (geestelijk) wil worden, daar naar op weg is. Het is dus ook het gebied waar het 'ik’ aan de rand staat te trappelen om het heft weer in handen te nemen en de ervaring van schilderijen van bijvoorbeeld Francis Bacon om te zetten in een meer vastomlijnde, maar dus ook onmiddellijk veel beperktere betekenis van die schilderijen. Kijken in de bete kenis die Vogelaar er aan geeft, is immers 'opgaan in’. 'Ontindividualisering’ noemde de dichter Van Ostaijen dat, en het is een term die heel goed past om te omschrijven wat ook Vogelaar hier doet: het schilderij dat in en op zichzelf bestaat wordt door de kijker als het ware onteigend, zoals die kijker door het schilderij onteigend wordt, op- en ondergaat in wat hij ziet. Subject en object ontmoeten elkaar ergens halverwege en zijn daar, op die plek, niet meer louter zich zelf, maar in en met elkaar verwikkeld, in en door elkaar veranderend. Kijken is altijd ook metamorfose van het geziene en de ziener in iets wat volledig het een noch volledig het ander is.
Op die plek bloeit Vogelaars beeldverhaal op, of eigenlijk is het dus geen (vaste) plek, maar een ruimte (vol beweging). Het is de ruimte waar het 'ik’ op de loop gaat met de voorstelling die het ziet, maar waar het tevens en op hetzelfde moment door die voorstelling wordt ontvoerd. Aan die beweging, dat proces, heeft Vogelaar woord gegeven - niet alleen in de meer fictieve verhaalvorm, waarin personages aan het woord komen, stemmen weer andere stemmen in de rede vallen, maar ook in essays, zoals bijvoorbeeld dat over Hans Giesen. Met woorden schrijft Vogelaar daar de verf na, alsof hij niet met de hand maar met zijn oogbol schrijft. Hij schildert als het ware zelf, herhaalt met de tekst wat de schilder ooit met de verf heeft gedaan.
Het kijken tussen zien en gezien hebben. Uit het oog is een continue poging 'terug te keren naar mijn eerste indruk die zich afspeelde vóór het benoemen’, schrijft Vogelaar. Het is een niet-aflatende exercitie om niet tot afronding te komen, om niet dat verwaten, want zo zeker van zichzelf lijkende 'ik’ het heft in handen te geven en het werk van behalve Bacon en Giesen ook nog Ossip, Westerik, Carpaccio, Barruchello, Van Velde (met een uitstapje naar Beckett) en Michaux te laten verstarren in een Betekenis. 'De schilder (is) een tussenpersoon die zich op een vlottende post bevindt tussen het hem onbekende gebied van het zelf en het niet te doorgronden buiten.’ Op zijn beurt bevindt Vogelaar zich hier op die vlottende post tussen het zelf en de schilderijen en tekeningen waar hij al verhalend, essayerend en ook dichtend naar kijkt. 'De schilder zegt ik door zijn manier van kijken vorm te geven’, dus door de fysieke beweging van zijn hand met penseel. 'Dat is alleen waar zolang het schilderen duurt, want zodra zijn blik is vastgelegd, heeft zich al een verplaatsing voorgedaan.’ De schilderijen die klaar zijn, zijn niet belangrijk. Alleen wat op dit moment geschilderd wordt, doet ertoe.
Uit het oog, uit het hart, zo zou je kunnen zeggen, en dat is hier waar op twee manieren: in de zin dat wat af is, niet is gemaakt (om het met Valéry te zeggen), er niet meer toe doet, maar ook: dat wat uit het oog komt, uit het hart komt. Niet uit het verstand, niet uit dat 'ik’, maar uit wat we wel eens ons 'diepere’ noemen, ons 'onbewuste’ soms, ook wel: ons 'gevoel’. Uit ons 'zelf’ dus, dat 'zelf’ dat voor ons alledaagse 'ik’ even duister blijft als de buitenwereld waar het steeds maar weer tegenover staat.
En ook hierbij moet je aantekenen dat dit voor Vogelaar alleen waar is zolang het schrijven, het al schrijvend verwikkeld zijn in het kijken, duurt. Dit boek is voor hem nu af, en doet in die zin niet langer terzake. Maar zoals een schilderij na gezien te zijn telkens opnieuw vraagt om gezien te worden, zo vraagt dit boek erom gelezen te worden, en de lezer wordt al lezend op zijn beurt uit zijn 'ik’ weggelokt, verandert in de tekst die hij leest, zoals die tekst zich in hem omzet.