Uit het verleden verstoten

Begin jaren zeventig van de vorige eeuw woonde ik een tijdje in Parijs om mijn ouders te ontvluchten, Bob Dylan uit te hangen, gedichten te schrijven en interessant te zijn, terwijl mijn ‘papa fume une pipe’ nogal pauvre was, ik geen gitaar had en ik leefde op kosten van mijn paps en mams.

Dat bijna al mijn carrières zouden mislukken, wist ik nog niet; ik dacht dat het leven een grote, wat hooghartige glimlach voor mij over had en ik lachte hartelijk terug.

Toen mijn ouders stopten met de subsidiëring van hun eigen bloed, keerde ik terug naar Amsterdam en ging eindexamen doen.

Maar ik was nu een jongen die voor zijn toekomst een mysterieus verleden had. Dat zou me helpen bij mijn poëtische en amoureuze aspiraties. ‘Hier voor jullie staat Verlaine Dylan!’ Maar desondanks bleef ik mezelf markanter vinden dan mijn klas- en studiegenoten. Ik lachte nog wel, maar het was een angstlach; mijn mondhoeken rekten zich van oor tot oor om de monsters Minderwaardigheid en Onzekerheid geen toegang naar de buitenwereld te verlenen.

De bohemien in mij stierf definitief toen ik verliefd werd en Marijke bezwangerde. We kregen een dochter.

Met die dochter ben ik nu in Parijs. In de cafés van vroeger vertelt ze mij over haar leven. Het is het leven van een moeder met twee kinderen, volgens mij een rijk leven. In haar conversatie komt het woord ‘ik’ veel minder voor dan wanneer ik aan het woord ben – en ik ben, merk ik, ook meer aan het woord. Toch zijn die monsters van mij oud geworden. Ze brullen nog wel, maar meer uit gewoonte. Ze dienen nergens meer toe.

Soms ben ik serieus.

‘Wij waren tegen roem, tegen beroemdheid, we wilden geen grote oplagen, we wilden klein, fijnzinnig…’ zeg ik.

‘Ik geloof je niet… Jij… Je smacht naar erkenning!’

Ik ben wel toegetreden tot een commune, maar kreeg constant ruzie

Heeft ze gelijk? Ik denk er werkelijk over na, maar weet niet goed hoe. Wij bewonderden destijds de marge. Daar woonde de avant-garde: de kleine kunstenaar die authentiek was, de dichter wiens stem alleen wij herkenden, de schilder die genoeg had aan verf en kwast; we wilden leven in een commune, met onze eigen regels. Elkaar bewonderen zou ons genoeg zijn. Maar… ik durfde dat ook niet. Ik durfde niks… Ik ben wel toegetreden tot een commune, maar kreeg constant ruzie om zaken die ik van mijn moeder niet had geleerd (opruimen, afwassen, koken, ik scheen geniepig te zijn, achterbaks, lui, het woord ‘klootzak’ viel enkele keren, waarbij anderen heftig knikten).

Achteraf lijkt het of ik in dat tijdperk misverstanden verzamelde.

Streef ik naar erkenning? Voor wat?

We zitten in een café in Montmartre. Hoe minder hormonen een man heeft, hoe vaker hij moet huilen, heb ik ergens gelezen. De paar hormonen die per ongeluk doelloos in mijn lichaam zwerven, hebben er de pest in dat ze opeens tot de orde worden geroepen, en ik krijg ze maar moeilijk tot het opruimen van mijn tranen. Maar het lukt me.

‘Ik… Ik heb geen recht…’ Op erkenning, wil ik zeggen. Maar dat verzwijg ik, en ik maak er van: ‘Je maakt geen kunst om erkend te worden, je maakt kunst omdat je moet.’

Ik vind het zelf als een uitvlucht klinken. Mijn dochter vindt het ook een lullig antwoord maar is te aardig om dat haar vader te verwijten. We laten het onderwerp voor wat het is.

Mijn bohemiens zijn uit Parijs verdwenen, mijn voorbeelden van toen – onder wie Campert, Kousbroek, Vinkenoog, Appel – bestaan niet meer in het straatbeeld, maar misschien zijn er wel meer bohemiens in de stad dan ooit!

We veranderen van onderwerp. Zij zoekt iets in haar mobiele telefoon. Ik wou dat ze mijn treurigheid kon afbellen.

In je verleden rondhangen is erg, maar uit je verleden verstoten worden, is nog erger.