Uit je huid

De duivel in vermomming: Zeven essays over popmuziek. Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 124 blz., f29,90
HET BESTE Nederlandse boek over popmuziek is zonder twijfel nog steeds Nozzing but ze bloes (maar nog steeds vlekken in de lakens), dat onvolprezen kleinood uit de jaren zeventig van de hand van Bert Jansen. Jansen had alles mee. Niet alleen kon hij bij zijn tragi-komische schildering van het Nederlandse rockmilieu bogen op zijn persoonlijke ervaringen als mondharmonica-begeleider van zulke legenden als Cuby and the Blizzards, Jan Akkerman, Van Morrison en Herman Brood, ook beschikte hij over het panoramische oog van de rock-journalist en de pure passie van de liefhebber. Het resultaat was een staaltje huid-en-haar-vertelkunst dat de lezer ook twintig jaar later nog steeds kippevel van ontroering bezorgt.

Aan Jansens prestatie heeft nooit meer iemand kunnen tippen. Er zijn er ook maar bar weinig die het nog hebben geprobeerd. De laatste tijd staat de pop-industrie weliswaar weer enorm in de belangstelling van de vertegenwoordigers van het geschreven woord, maar steevast gaat het dan om produkties van hoogst beschouwelijke aard. Zo presenteerde de filosoof Rene Boomkens onlangs zijn studie Kritische massa, een wat verlate poging tot neomarxistische annexatie van de massaalste der massaculturen. Het merkwaardige is dat Boomkens er ondanks zijn evidente enthousiasme voor zijn project nergens in slaagt de vonk ook op de lezer te doen overslaan. Op een of andere manier slaat zijn categoriserende methode iets stuk van de essentie van het medium rock. Zoals de Amerikaanse rock-criticus Greil Marcus het uitdrukt in zijn boek Lipstick Traces (over de Sex Pistols): ‘Met rockmuziek kun je niets zeggen, je kunt er uitsluitend een fantastisch geluid mee maken, en wie daar anders over denkt, zal ooit als een oude verlopen vent met een blikken fluit eindigen, die in de regen probeert nog iemand naar hem te laten luisteren.’ In de essaybundel De duivel in vermomming heeft samensteller en inleider Pieter Cramer het relaas waaruit de bovenstaande quote van Marcus stamt opgenomen als het grote voorbeeld. Het zegt iets over de intentie van deze bundel, een initiatief van de vijfentwintigjarige poptempel Paradiso, die er een impuls mee voor ogen had ter verhoging van het 'niveau van de Nederlandse popjournalistiek’. De meeste auteurs lijken zich er bij te hebben neergelegd dat hun onderwerp eigenlijk onhandelbaar is en slaan dan ook fors aan het mystificeren. Dwars door de bijdragen loopt een rode draad van mystiek. Zo schetst Jaap Boots het rockwezen heel overtuigend als een middeleeuwse heiligencultus, en komt het Amsterdamse Bilwet-collectief met een fraai-obscure theorie over de vervoerende kracht van akoestische sculpturen. Fraai is ook Karin Spainks bijdrage over de therapeutische waarde van duivelsaanbidders en andere extremisten uit de hoek van death metal en grunge. Conventioneler van aard doch groots van opzet is Hubert Smeets’ autobiografisch getinte klaagzang over de verloren generatie van de rock-cultuur, die van de jaren zeventig. De bijdragen van Martin Bril (over Jerry Lee Lewis) en Dirk van Weelden (kleine herinneringen aan zijn eigen band-tijd) zijn weliswaar onderhoudend, maar nergens wagen zij zich op gevaarlijk terrein, waardoor hun verhalen nogal ruiken naar verplichte nummers. Vaak blijken de in dit boek geciteerde rock-schrijvers uit den vreemde toch net dat beetje meer passie voor de zaak te hebben. Zoals de door Jaap Boots naar voren geschoven Lester Bangs het zo puntig uitdrukt: 'De “politiek van de rock 'n’ roll”, in Engeland of Amerika of waar dan ook, is dat veel jongeren af en toe uit hun huid geblazen willen worden door de meest verschroeiend voorstuwende brandstof die ze kunnen vinden.’