A.F.Th. van der Heijden, Engelenplaque

Uit mijn kop naar het papier

Een paar jaar geleden was in de New Yorkse Pier Morgan Library een interessante expositie over dagboeken te zien, onder de noemer Private Histories.

De volgeschreven notitieboekjes van bekende schrijvers als Charlotte Brontë, Nathaniel Hawthorne en Samuel Pepys lagen in de vitrines zij aan zij met de schriftjes van onbekende dagboekschrijvers, zoals een huisvrouw in het midden van de vorige eeuw. Nauwgezet deed zij verslag van haar dagelijkse werkzaamheden, allemaal in de sfeer van koken, bakken, naaien, breien, slechts één keer onderbroken door een mededeling van andere aard: «Japan attacked Pearl Harbour.» Waar veel dagboeken eenmaal bekeken met vreemde ogen iets vals lijken te hebben, alsof ze al geschreven werden met het oog op publicatie, trof dit op zichzelf onbetekenende document mij opeens recht in het hart. Puurder kan een leven zich niet laten vastleggen, dacht ik.

Maar toen had ik natuurlijk nog niet de dagboeken van A.F.Th. van der Heijden gelezen, althans de selectie die hij daaruit maakte voor het 250ste deel uit de mooie Privédomeinreeks. Het klinkt misschien naïef, een gepokt, gemazeld en geraffineerd schrijver als Van der Heijden op puurheid denken te kunnen betrappen, en toch was dit mijn voornaamste sensatie bij het lezen. Niet voor niets drongen de taarten van die huisvrouw zich op in mijn herinnering, dat repeterende gevecht met de materie, dat alleen maar gewonnen lijkt te kunnen worden zolang je het vastlegt. En dan nog blijft het verzuipen in het leven van alledag nabij. «Ik drink koffie op mijn sofa en lees een stuk over Truman Capote», schrijft Van der Heijden op 11 augustus 1988. «Daarna deze flutnotities, die bedoeld zijn over 20, 30 jaar met een enkel woord de sfeer van zo’n zomerdag op te roepen. En wat dáár de zin van is?»

Het aangrijpende van deze flutnotities is dat ze uit de pen komen van iemand die bijna bezwijkt onder zijn talent voor die «zin». Vanaf het moment dat hij zich voorneemt schrijver te worden, is hij het. In deze dagboekaantekeningen is goed te volgen hoe snel zijn aspiraties groeien, tred houdend met zijn schrijverssuccessen. Té snel, want al voor zijn dertigste wordt hij gekweld door het verlammende besef dat werken aan een boek betekent dat je een ander boek niet aan het schrijven bent. En dus vindt hij manieren om aan meer projecten tegelijk te werken. En komt alles in delen, subdelen, prologen, pro-prologen. En moeten er voortdurend contracten worden opgesteld. Met zichzelf wel te verstaan. In 1990: «Op deze plaats zweer ik mijn uiterste best te zullen doen deze zaken optimaal te verwezenlijken: tien pagina’s per dag erbij, 2 kg per maand eraf.» In 1993: «Aan het begin van de avond beneden op de bank gezeten wist ik opeens wat me te doen stond: harde afspraken met mezelf op schrift stellen, en zo een vruchtbare werkperiode veilig stellen. Ik ben gaan douchen, heb me aangekleed, om vervolgens naar boven te gaan.»

Engelenplaque is een boek van wanhoop en kwelling, en van balanceren op de rand. Altijd is daar die heilige plicht «naar boven» te gaan, te werken aan iets dat nooit meer dan een glimp kan bieden van het onmogelijke Boek. Schrijven is zo’n krampachtig beroep, noteert hij in 1991, dat ontspanning alleen nog maar met drank of andere middelen bereikt kan worden. Om er cynisch aan toe te voegen: «Zo blijft het ook na gedane arbeid een uiterst ongezond beroep. Een omslachtige zelfmoord — maar een die wat oplevert, dat wel.»

Drank, dieet en werk: het zijn de constanten in menig bestaan, maar bij Van der Heijden leveren ze inderdaad in ieder geval wat op. Dit egodocument bijvoorbeeld, dat van een onthutsende openhartigheid is — Peter van Straaten kan hier járen inspiratie aan literair leed uit opdoen — en tegelijkertijd iedere toiletgang en echtelijke ruzie of minnekozing in het typische AFTh-licht tovert. «Ik verdrijf het natuurgeweld uit mijn kop naar het papier», schrijft hij op 3 februari 1989. Het is de aankondiging van een breed uitgeschreven visioen, waarbij van het een het ander komt en truitjes en slipjes respectievelijk omhoog en omlaag worden geschoven. «Ik: ‹En dan moet je ze aanraken. Eerst zacht strelen…› Zij: ‹Ja, o, ja.›» Een verrukkelijk verhaal waarmee Van der Heijden andermaal bewijst de grootmeester te zijn van een ongerijmd genre, de literaire porno. «Misschien kan ik er later nog eens iets mee», klinkt het zuchtend vanachter de schrijftafel. Ik: Ja ja ja!