Uit naam van de liefde

Claire Polders
De verdwijning van Eva Zomers
Balans, 309 blz., € 16,95

De eenzelvige Marga maakt in Parijs kennis met Lucien, een oude kunstschilder die altijd twee dezelfde mensen schildert. Ze leren elkaar te waarderen, ze discussiëren veel over kunst en inspiratie en komen nader tot elkaar. Marga schrijft een biografie over de op geheimzinnige wijze verdwenen Belgische schrijfster Eva Zomers, die in de bewogen jaren rond 1968 in Parijs woonde, maar weigerde daadwerkelijk deel te nemen aan de studentenopstand. Fragmenten van die biografie staan in de roman. Met deze ingrediënten ging Claire Polders aan de slag en schreef ze een roman waar ik nog steeds wat over loop te peinzen.

Polders werkt in haar roman zonder blikken of blozen met de stijl en het jargon van het vrouwenboek, de damesroman noemden we dat vroeger. Met zinnen als deze: ‘Iedereen is flets en middelmatig in vergelijking met de vrouw die zijn dagen kleur gaf.’ Of iets verderop: ‘Je kunt een relatie beginnen en eindigen, een kind verwekken en verwaarlozen, een vriend helpen en laten verrotten. Allemaal uit naam van de liefde, die mysterieuze kracht die zowel samensmeedt als uiteendrijft.’ Dit is het jargon van de liefde, het verlangen en het mooie leven en het doordesemt dit verlangende en tegelijk soms bijna overdreven elegante en altijd, laat ik het maar gewoon zeggen, lieve boek.

Het is natuurlijk taboe om met dit soort termen in recensies te gaan schermen, maar ik ben een jaartje ouder en mag het dus wel. ‘Elena en Eligio waren onbetwistbaar het beeldigste koppel in Spina.’ ‘Daarna nam Eligio zijn bruid in de armen en tilde haar over de drempel van hun slaapkamer.’ ‘Haar lippen zoeken tevergeefs naar die van Pablo.’ ‘Het is kansloos hun prille liefde voor Gracia verborgen te houden.’ De roman staat vol met het jargon uit deze stijl, waar je gemakkelijk allerlei badinerende opmerkingen (of grappen) over zou kunnen maken, vooral als het wel eens de spuigaten uitloopt: ‘Eva rent achter hem aan en zo dartelen ze over de stoepen van Parijs naar het huis en het bed dat op hen wacht.’

Deze stijl zingt op het ogenblik weer rond, niet alleen in vrouwenbladen als Marie Claire en Elle, of in het werk van Polders, maar ook in andere romans, zie het werk van bijvoorbeeld Maya Rasker, Janneke Jonkman, Ciel van Sambeek, Marieke Groen. De vraag is wat de schrijfsters er precies mee voor ogen hebben, iedere stijl wil namelijk iets bereiken.

Ik kan me bij de roman van Polders overigens wel voorstellen dat je bijna natuurlijk in deze stijl gaat werken en dat de vertrouwde zinswendingen automatisch van het scherm rollen, of je nu wilt of niet. Dit hangt samen met de verhaallijnen en de context daarvan: de kunstwereld, literatuur, Camus, Parijs, inspiratie en verlangen naar waarachtigheid en authenticiteit. Je kunt je bijna niet aan deze stijl onttrekken zodra je het gaat hebben over schilders die in Montparnasse wonen en jonge vrouwen die hard aan een boek werken. Iedere poging een tegenstem of een andere stijl binnen deze roman te creëren faalde direct en dus leek het het beste er dan maar helemaal aan toe te geven. Het gebruik ervan staat ook in verband met wat ik nu maar ‘de vertrouwdheid met literaire stijl’ noem. Uiteraard kent Polders andere romanstijlen, die van de naturalistische of psychologische roman of van de roman die iets wil aanklagen. Of de stijl van de cynische blik op de wereld die je tegenwoordig, alweer door vrouwen, vertolkt ziet in ‘chicklit’, literatuur waarin jonge vrouwen zich een weg banen door een wereld van een nare jeugd, drugs en foute mannen.

Stijl is geen jas die je even aantrekt: in de zomer een gele, in de winter een dikke zwarte. Je voelt je er als schrijver bij thuis, zonder dit altijd bewust te beseffen, soms denk je zelfs dat jouw stijl een ‘natuurlijke’ stijl is. Zoals je wel eens aan een mooie wandeling van vroeger terugdenkt, toen alles nog zo mooi was. Maar aan de andere kant wil je als schrijver iets met een stijl bereiken, al was het alleen maar om de aandacht te trekken of, wat ik bij deze roman waarschijnlijker vind, om je ermee af te zetten tegen andere stijlen. Een literaire stijl is altijd polemisch, je zet je als schrijver altijd af tegen andere stijlen, anders had je wel in die andere stijl geschreven.

Misschien zet Polders juist deze stijl in omdat ze in debat wil gaan met de stijl van chicklit. Ze ergert zich wellicht al jaren groen en geel aan de geborneerde zelfverachting daarvan, aan het zelfmedelijden dat er een afgesleten jargon in hanteert en aan de verregaande schatplichtigheid van die stijl aan door mannen uitgevonden literaire vormen. En ze koos dus doelbewust voor een tegengestelde stijl die ze goed beheerst, maar waarvan ze de nadelen niet altijd weet te overwinnen. Af en toe blijven haar beschrijvingen te vaag, hierboven gaf ik al een paar voorbeelden.

Het aardige is dat Polders dit terdege beseft. Ze schrijft ergens zeer treffend over haar jonge heldin: ‘Marga probeert netelige onderwerpen te vermijden en praat waar nodig uitsluitend in abstracties.’ Misschien ook voor mij iets om wat langer over na te gaan denken.