Powell baseert zich op drijfzand

Uit onbetrouwbare bron

De VS trekken massaal ten strijde tegen het Irak van Saddam Hoessein. De bewijzen dat het land over massavernietigingswapens beschikt blijven echter uitermate mager, wat de Amerikanen ook uit de kast halen.

«Mijn doelstelling voor vandaag is te vertellen wat de Verenigde Staten weten over Iraks massavernietigingswapens en betrokkenheid bij terrorisme.» Met die veelbelovende woorden opende Colin Powell vorige week dinsdag zijn langverwachte requisitoir tegen Saddam Hoessein in de Veiligheidsraad. Al 48 uur later was zijn betoog echter ontkracht door de VN-inspecteurs Blix en Al Baradei, medewerkers en ex-medewerkers van de CIA, westerse wetenschappers en hun gevluchte Irakese collega’s, Irak-kenners, Saddam-watchers en journalisten wier geheugen verder reikt dan de voorlaatste Pentagon-briefing.

Een week later kan worden vastgesteld dat Powell weinig opzienbarende informatie over Irak heeft vrijgegeven, maar des te meer over de eenzijdige totstandkoming van het Amerikaanse Irak-beleid. Zijn «Powell Point presentatie» leunde zwaar op Irakese informanten, een inlichtingenbron waarin de Amerikanen de laatste decennia niet veel vertrouwen hebben gesteld. Dit duidt op een opmerkelijke methodologische breuk in de Amerikaanse inlichtingenpraktijk. Het «aanvullende bewijs» waarnaar Powell verwees is bovendien uiterst amateuristisch, zoals het «prachtige» Britse rapport over Saddams geheime infrastructuur en verborgen wapenprogramma’s. Het is geplagieerd van twee internetartikelen uit Jane’s Intelligence Review en een Amerikaanse doctoraalscriptie waarvoor de student, Ibrahim al-Marashi, gebruikmaakte van documenten die in de vorige Golfoorlog boven water zijn gekomen.

Een dag tevoren had Hans Blix, het hoofd van Unmovic, op een persconferentie al uitdrukkelijk gezegd dat zijn inspecteurs in Irak geen bewijs hadden gevonden voor het bestaan van mobiele laboratoria voor de vervaardiging van biologische wapens, geen overtuigende aanwijzingen voor enige betrokkenheid van al-Qaeda en geen spoor van grondstoffen voor de vervaardiging van massavernietigingswapens. Blix ontkende ook dat er aanwijzingen zijn dat Irak «besmette» wetenschappers in het buitenland laat onderduiken, dat het inlichtingenagenten laat optreden in de rol van wetenschapper of dat het op enigerlei wijze de operaties van Unmovic heeft gepenetreerd of afgeluisterd. Al Baradei sloot op zijn beurt uit dat Irak op dit moment werkt aan een geheim kernwapen.

Dat wettigt de vraag waarom de Amerikanen, als ze zo zeker van hun zaak zijn, hun materiaal niet eerder aan de inspecteurs hebben overhandigd. Het antwoord luidt dat Powells «menselijke bronnen» de toets der kritiek niet kunnen doorstaan. «We verschaffen zoveel mogelijk relevante informatie aan de inspectieteams», zei hij in zijn inleiding. Welnu, de enige met name genoemde «bron» op wie hij zich beriep, de gevluchte Irakees Khidir Hamza, is een notoire opschepper die sinds 1994 niet meer in Irak is geweest en zijn voormalige positie in het geheime Irakese wapenprogramma schromelijk overdrijft. Zulke overlopers beschikken zelden over relevante informatie, schreef het voormalige hoofd van de VN-inspecteurs, Rolf Ekeus, onlangs: «Ze zijn berucht onzorgvuldig als het gaat om plaatsen en data.»

Om de veronderstelde samenwerking tussen Saddam en Osama bin Laden te bewijzen, verwees Powell naar de bekentenis van een al-Qaeda-krijgsgevangene. De man zou zijn Amerikaanse bewakers hebben verteld dat de organisatie informatie over chemische en biologische wapens van Bagdad had gekregen. Gezien de omstandigheden waaronder de gevangenen op de basis Guantanamo op Cuba worden vastgehouden, heeft zo’n «bekentenis» weinig waarde. In The Washington Post van 27 december gaven bewakers toe dat de gevangenen worden mishandeld en bedreigd met uitleve ring aan landen waar marteling en doodstraf staande praktijk zijn. De pijnlijkste weerlegging van de connectie tussen Saddam en Osama kwam overigens van medewerkers van de FBI en de CIA, die in The New York Times verklaarden: «We just don’t think it’s there.»

De opnamen van afgeluisterde telefoongesprekken tussen Irakese officieren, die volgens Powell bewezen dat Irak de VN-inspecteurs tegenwerkt en materiaal tracht te verbergen, waren dermate fragmentarisch dat de herkomst en betekenis niet te beoordelen valt. De discussie over dit onderdeel spitste zich al gauw toe op de vraag of Powell als «duif» wel voldoende betrouwbaar was om hem op zijn woord te kunnen geloven. Het antwoord is: nee. De Amerikanen hebben, om in hun eigen termen te spreken, een erbarmelijk track record in het verzamelen, analyseren en operationaliseren van buitenlandse inlichtingen en Powell is daarvoor geenszins immuun.

Sinds tientallen jaren worden Amerikaanse militaire inlichtingen nauwelijks meer verkregen door het ouderwetse handwerk oftewel human intelligence, kortweg humint genaamd. Ze worden bijna exclusief verzameld door middel van elektronische en fotografische spionage, waarvoor de VS beschikken over een breed scala aan satellieten, afluisterstations en gespecialiseerde databanken. Het resultaat is vaak beneden de maat, zoals CIA-directeur George Tenet in maart 1999 toegaf in het uitgelekte rapport Strategic Intent for the United States Intelligence Community. Het relaas noemt een aantal ernstige fouten, zoals het feit dat de CIA de Pakistaanse en Indiase atoomproeven van 1998 niet had voorzien en de kennelijke vergissing waardoor een Amerikaanse B-52 op 7 mei 1998, midden in de Kosovo-oorlog, twee bommen afwierp op de Chinese ambassade in Belgrado.

Zelfs het wereldomspannende Defense Satellite Communications System (DSCS), het elektronische waarschuwingssysteem dat oorspronkelijk was bedoeld om een ballistische aanval van de kant van de Sovjet-Unie tijdig te signaleren, voldoet niet aan de eisen van deugdelijkheid, zoals onder meer de Japanners de laatste jaren ervoeren. In 1998 ontsnapte een Noord-Koreaanse raket die over Japans grondgebied vloog en daarna in zee plofte aan de Amerikaanse radar. Andersom werd Japan vorige zomer opgeschrikt door een vals Amerikaans alarm over een Chinese ballistische raket die elk moment op Japans grondgebied kon inslaan.

Daarentegen zijn er nauwelijks grenzen aan de roekeloosheid waarmee Washington de laatste jaren met beschuldigingen zwaait en gewapenderhand om zich heen slaat. Op 20 augustus 1998 liet president Clinton veertien Tomahawk-kruisraketten afschieten op de Soedanese farmaceutische fabriek El-Shifa, verdacht van het produceren van zenuwgas voor al-Qaeda. Het bombardement was bedoeld als wraakoefening voor het opblazen van de Amerikaanse ambassades in Nairobi en Dar-es- Salaam. Het enige «bewijs» was een in het geheim verkregen Amerikaans bodemmonster van de grond rond de fabriek. Alle deskundigen die de fabriek voordien en nadien bezochten, onder wie de Britse ingenieur Carnaffin die El-Shifa jarenlang inspecteerde, wezen de Amerikaanse beschuldiging van de hand. De VS spraken echter hun veto uit over een onafhankelijk onderzoek door de Verenigde Naties en Washingtons «bodemmonster» is nooit boven water gekomen.

Veelzeggender dan alle gebreken in Powells presentatie zijn de bedenkingen van ambtenaren in het Pentagon en Powells departement tegen het beleid van hun eigen ministers. De Amerikaanse chefs van staven lieten hun afkeer van een nieuwe Irak-oorlog al vorig jaar naar de pers uitlekken. CIA-medewerkers, Midden-Oosten-experts van Buitenlandse Zaken en ex-bewindslieden tekenden in alle toonaarden verzet aan en verwierpen de claims van het Witte Huis inzake Saddams militaire capaciteiten en zijn banden met Osama bin Laden. «De generaals zijn tegen oorlog, de amateurs zijn voor», schreef columnist William Pfaff in de Los Angeles Times.

Hoe komt het dat Powell zich door die «amateurs» heeft laten inpakken? Het antwoord ligt besloten in de anonieme bronnen van zijn presentatie, de «talloze menselijke bronnen die ons vertellen dat Irak massavernietigingswapens verplaatst om te voorkomen dat ze door de inspecteurs worden gevonden». Het zijn informanten van het Irakees Nationaal Congres (INC), de door de Verenigde Staten officieel erkende en gesubsidieerde verzetsbeweging van Irakese ballingen onder leiding van de gedoodverfde president van een toekomstig «bevrijd Irak», dokter Achmed Chalabi. Deze organisatie is een amalgaam van verzetsgroepen met uiteenlopende motieven, waarvan de leden vrijwel exclusief voorzien in de Amerikaanse behoefte aan humint over Irak. En als voorstanders van een Amerikaanse invasie verschaffen zij de alarmerende «gegevens waarmee de haviken zo’n invasie kunnen afdwingen».

Hun «informatiepositie» is uniek in de recente geschiedenis van het Amerikaanse veiligheidsbeleid. De genoemde Hamza trachtte na zijn vlucht een jaar lang door de Amerikanen als informant te worden erkend. Pas toen hij door het INC als zodanig naar voren werd geschoven, haalden ze hem naar Washington. Om afwijkende geluiden van de CIA en Buitenlandse Zaken te neutraliseren, bedient minister van Defensie Rumsfeld zich zelfs van een eigen mini-inlichtingendienst. Een afdeling van zijn departement onder leiding van ondersecretaris Douglas Feith put rechtsreeks informatie uit INC-kanalen, die via de minister zijn weg vindt naar de politieke top. CIA, FBI en de reguliere militaire inlichtingendiensten hebben het nakijken. «Het INC heeft een regelrechte pijplijn naar het Pentagon», zei een verontwaardigde Melvin Goodman, voormalig sovjetanalyst van de CIA en verklaard tegenstander van «gepolitiseerde inlichtingen», in het blad The American Spectator. Sinds vorige week loopt die pijplijn door tot in de Veiligheidsraad.