Voorbij het eigen gelijk #12: Ara Halici

‘Uit onwetendheid komt alleen maar slechtheid voort’

De Armeense Ara Halici maakte een voorstelling rond de genocide van 1915. Niet om mensen ervan te overtuigen dat sprake was van een geplande volkerenmoord. Het was niet een verhaal over genocide, maar over vriendschap en broederschap.

Ara Halici was vóór Bloedbroeders nauwelijks met zijn afkomst bezig. Foto met dank aan Toneelschuur Haarlem © Bloedbroeders

Als musicalacteur Ara Halici (42) mensen van Turkse afkomst ontmoet, veronderstellen ze vaak dat hij dat ook is. Halici is een Turkse achternaam en betekent: tapijtverkoper of -wever. Als hij dan zegt hoe het zit – ‘Ik ben Armeens’ – wordt het meestal even stil. Eventueel gaat het gesprek verder over andere zaken, maar beslist niet over het Armeens zijn. En al helemaal nooit is de reactie: ‘Goh, Armeens, wat leuk. Waar liggen je roots precies?’

Hij zou willen dat het minder beladen was, dat Turken en Armeniërs openlijk konden spreken over wat ze delen: de plek waar hun voorouders vandaan komen. Armeniërs woonden duizenden jaren in Anatolië, het Aziatische deel van wat nu Turkije heet. Ze kwamen er rond 860 voor Christus, de Turken in de elfde eeuw na Christus. Ze leefden zij aan zij, ook al waren Armeniërs christelijk en Turken islamitisch. In sommige plaatsen vierden ze samen Kerst en het Suikerfeest.

De genocide op de Armeniërs in 1915, die volgens veel Turken geen genocide was, veranderde alles. Sindsdien is afkomst tussen Turken en Armeniërs een onderwerp waarover liever niet wordt gesproken, uit angst of om problemen te voorkomen. Komt het wél tot een gesprek, dan gaat het vaak over twee vragen: was er wel of niet sprake van genocide en hoeveel Armeniërs zijn er vermoord? Schattingen lopen uiteen van 800.000 tot 1,5 miljoen.

‘Ik ben geen activist’, zegt Ara Halici aan de telefoon voor we elkaar in zijn woonplaats Haarlem ontmoeten. Wat wel zo is: met programmamaker Sinan Can maakte hij de zesdelige documentaireserie Bloedbroeders, die bnnvara in 2015 uitzond, precies honderd jaar na het drama. Can is van oorsprong Turks, samen doken ze in het verleden. Ze reisden onder meer naar Turkije, waar ze de plaatsen van hun voorvaderen bezochten. Samen schreven ze ook het boek Bloedbroeders, waarin ze hun bevindingen nog wat uitgebreider bespraken.

Het hele project hakte er bij Halici nogal in (waarover later meer) en na afloop liet hij op zijn rechterkuit een Armeens kruis tatoeëren. Als we in een Haarlems café zitten, trekt hij zijn broekspijp op. ‘Kijk’, zegt hij. De tattoo is moeilijk te missen, want die bedekt bijna de hele lengte van zijn onderbeen. Boven het kruis staat een Ottomaanse B, uit de tijd dat Armeniërs en Turken nog broederlijk samenleefden, eronder een Armeense B. Maar eh, hoezo een B? ‘Van bloedbroeders natuurlijk!’ roept Halici uit.

In 2017 ontwikkelde hij met de Amsterdamse theatergroep Rast een voorstelling met opnieuw de naam Bloedbroeders, die in 2018 kort door Nederland toerde. Hij moest voortijdig afhaken omdat hij oververmoeid was, maar nog steeds speelt hij met het idee iets te doen met het thema. ‘In het theater, hè? Ik ben musicalacteur, ik wil verhalen vertellen.’ Waarover die gaan, weet hij nog niet precies, maar hij wil in elk geval dat de gruwelijkheden van een eeuw geleden nooit worden vergeten. Tegelijkertijd wil hij meer zeggen dan genocide, genocide, genocide. ‘Ik wil liever iets vertellen over menselijk leed, over wat we elkaar aandoen.’

En ook: dat er ondanks alle ellende altijd mensen zijn die uitstijgen boven het hokjesdenken. Wat hem bijzonder trof was het verhaal dat hij tijdens zijn onderzoek met Sinan Can te horen kreeg van zijn aangetrouwde oom over diens vader. In 1915 was de vader zeven jaar en werd hij gered door een Turkse man, die hem aantrof in de schuur waarin hij zich had verborgen. Hij mocht in het gezin van de Turkse man opgroeien, maar dan moest hij wel zijn Armeense achtergrond verborgen houden. Zijn naam Abisoghom mocht niet meer hardop worden uitgesproken, voortaan luisterde hij naar het Turkse Adem.

Adem raakte bevriend met de jongste zoon in het gezin, Mehmet. Toen het gevaar dreigde dat Adem werd aangegeven als ‘Armeense spion’ vluchtten de twee jongens naar Ankara, twaalf en veertien jaar oud. De reis ging verder naar Griekenland, waar het handig was dat Mehmet een Armeense identiteit aannam, want Turken konden er niet rekenen op veel mededogen. Zo kreeg Mehmet de naam Hampartzoum en Adem werd weer Abisoghom. Ze trokken verder naar Frankrijk, bleven bij elkaar tot ze trouwden en waren vrienden tot een van hen stierf.

‘Mijn ouders begonnen nooit over de genocide. Ze wilden hun kinderen beschermen’

In hun boek presenteren Can en Halici de twee als ‘de ware bloedbroeders’. Het was ook het verhaal dat Halici met Rast bewerkte tot een theatervoorstelling. Na afloop van de eerste proefvoorstelling waren er warme reacties, maar er was ook iemand die zei: ‘Zie je wel? Armeniërs vinden dat Turken schuldig zijn aan genocide.’ Het sloeg de plank totaal mis, vond Halici. Dit verhaal was niet bedoeld om mensen ervan te overtuigen dat in 1915 sprake was van een geplande volkerenmoord. Het ging niet over genocide, maar over vriendschap, broederschap.

Dát soort verhalen wil hij vertellen, in het theater dus, want dat is zijn wereld. Halici speelde in meer dan 25 musicals, waaronder klassiekers als Cabaret en Piaf. Hij won twee keer de John Kraaijkamp Musical Award. Sinds begin vorig jaar transformeert hij twee keer in de week tot slechterik Scar uit The Lion King, de musical die al bijna tweeënhalf jaar in het Circustheater in Scheveningen wordt opgevoerd. De rest van de week werkt hij voor Groen Casting in Amsterdam en is hij samen met Hester Schrofer artistiek leider en docent bij de vooropleiding van de Frank Sanders Academie.

Vóór Bloedbroeders was hij nauwelijks met zijn afkomst bezig. Hij wist wel dat hij uit Armeense ouders was geboren die eind jaren zestig vanuit Istanbul naar Nederland waren getrokken, maar het was een gegeven dat niet tot nadere gedachten leidde. Zijn ouders spraken Armeens en Turks met elkaar, dat hij beide amper verstond. Voor zijn moeder, zijn broer, zus en hemzelf was de voertaal Nederlands, alleen zijn vader werd die taal nooit echt machtig.

Tijdens zomervakanties gingen ze naar familie in Istanbul. Hij herinnert zich hoe hij als elfjarige op het balkon van zijn tante meezong met de imam die in de buurt opriep tot gebed. Ineens trok zijn moeder hem terug de huiskamer in. ‘Ben je helemaal gek geworden?’ schreeuwde ze. Hij snapte er niets van, pas veel later drong tot hem door dat zijn gezang kon worden opgevat als het belachelijk maken van de islam. Armeniërs in Turkije lopen niet te koop met hun etniciteit en zijn op hun hoede.

In Nederland hadden de Halici’s geen familie. Zijn ouders hadden een kring van andere Turkse Armeniërs uit Nederland om zich heen verzameld die ooms en tantes werden. Hun echte familie leefde verspreid over Turkije, Frankrijk, Italië, Duitsland en de Verenigde Staten. Hoe dat zo kon, vroeg Halici zich niet af. Ja, door de genocide, maar hoe en wat precies, geen idee. ‘Het was niet pijnlijk en niet taboe, maar mijn ouders begonnen er gewoon nooit over. Ze wilden hun kinderen beschermen’, zegt Halici.

Hij merkte hooguit dat de Armeense gemeenschap versplinterd is. Armeniërs verdelen elkaar in Armeniërs uit Turkije of uit andere delen van de wereld – in Nederland wonen er rond de twintigduizend. En dan zijn er nog Armeniërs uit Armenië. Een gezegde onder Armeniërs luidt: ‘Armeniërs kunnen de oorlog alleen wel winnen, maar samen niet.’

In oktober 2013 kwam het telefoontje dat Halici’s leven op z’n kop zette. Sinan Can aan de lijn. Hij was al een tijd op zoek naar een Armeense Nederlander met wie hij de gebeurtenissen van 1915 kon uitzoeken en hij kreeg de tip dat Halici misschien die persoon was. Halici zei meteen ja. Hij was op een punt in zijn carrière beland dat hij het rustiger aan kon doen en dacht: dit is een kans om mijn familieverhaal uit te zoeken.

Ook het concept van Bloedbroeders sprak hem aan. De gedachte was: Turk en Armeniër gaan samen op pad, hopelijk leidt het tot meer begrip voor elkaar. ‘We dachten niet dat miljoenen Turken en Armeniërs van standpunt zouden veranderen, maar als het er een paar waren, vonden we dat al mooi’, zegt Halici. Ze pretendeerden evenmin dat ze dé waarheid achterhaalden, dus als mensen naar aanleiding van Bloedbroeders zelf op onderzoek zouden uitgaan, was hun doel ook bereikt. ‘Het vergt ballen om het verhaal van je ouders in twijfel te trekken. Maar uit onwetendheid komt alleen maar slechtheid voort.’

De gedachte was: Turk en Armeniër samen op pad, hopelijk leidt het tot meer begrip voor elkaar

Halici en Can speurden in archieven, spraken met wetenschappers, ooggetuigen en mensenrechtenactivisten. Ze constateerden allebei, dus ook Can, dat in 1915 inderdaad sprake was van een genocide, omdat de Armeniërs omkwamen op grond van een systematisch uitgewerkt plan – een voorwaarde voor het etiket ‘genocide’. In hun boek citeren ze een brief van de toenmalige heerser Talat Pasja waarin staat dat nergens meer dan tien tot vijftien procent Armeniërs mocht overblijven.

De Armeniërs werden hun huizen uit gejaagd en in lange marsen de grens met Syrië over gewerkt. Onderweg stierven velen van honger en uitputting of ze werden vermoord. Bij de Kemah-pas in het oosten van Turkije werden op één dag 25.000 Armeniërs van een klif gegooid, de Eufraat in. De rivier was verstopt met lijken.

Wat erachter zat: het Ottomaanse Rijk was aan het instorten en Turkije was bezig uit de as te herrijzen. Om die nieuwe natie te laten ontstaan was een bindmiddel nodig, dat werd gevonden in extreem nationalisme en het aanwijzen van een zondebok. Daarom werden Armeniërs massaal tot ‘verraders’ bestempeld. De overlevenden werden gedwongen een Turkse achternaam aan te nemen. Zo ontstond de familienaam Halici.

Een belangrijke rode draad in Bloedbroeders waren de lotgevallen van hun eigen families. Halici’s onderzoek begon met gesprekken met zijn ouders in Amsterdam, waarin hij alles vroeg wat hij nooit eerder had gevraagd. Wat hij ontdekte, was ‘overweldigend, gruwelijk, schokkend en confronterend’, zegt hij. Zijn voorouders waren maar net aan de slachting ontsnapt, veel verre familieleden waren omgekomen.

Hij hoorde hoe de baby van zijn overgrootmoeder Varvar tijdens de dodenmars richting Syrië uit haar armen was geslagen en doodgestoken. Daarna nam een Turkse man haar mee naar zijn huis, waar ze zijn tweede vrouw werd. Om te voorkomen dat ze zwanger van hem zou raken, stopte ze watten in haar vagina. ‘Om mijn moeder dat te horen zeggen, was aardverschuivend’, zegt Halici. Toen Varvar later haar eigen, Armeense man terugvond, vluchtte ze met hem weg en werd Halici’s opa geboren.

In Turkije zagen Can en Halici dat het bestaan van de Armeniërs vrijwel volledig was uitgewist, alsof ze daar nooit duizenden jaren hadden gewoond. In Istanbul leefde nog een in zichzelf gekeerde gemeenschap, uit Anatolië waren de Armeniërs bijna verdwenen of ze deden alsof ze Turken waren. In heel Turkije waren kerken afgebroken of veranderd in een koeienstal, graven waren verwijderd. Hele Armeense dorpen waren overgenomen door andere bevolkingsgroepen. Halici vond het zwaar om te zien. ‘Het was net alsof iemand aan een kies wrikte die niet los zat. Dat doet zeer.’

Toch deed Bloedbroeders hem per saldo goed: ‘Het is heilzaam voor je ziel om te weten waar je vandaan komt. De puzzelstukjes vielen op hun plaats.’ En toen Can en hij hun reis eindigden in Armenië, voelde dat helemaal als thuiskomen. Hij besefte dat het er geen paradijs is, Armeniërs vragen niet voor niets asiel aan in Nederland, maar toch dacht hij: hier hoor ik bij, nu weet ik wie ik ben. Hij zag hoe hij leek op de mensen die hij tegenkwam.

De reis had ook genoeg móóie verhalen opgeleverd. Zijn opa van vaderskant werd gered door een Turkse man, een vriend van zijn vader die al door soldaten was afgevoerd. De Turkse man haalde hem, zijn moeder en zussen uit de dodenmars en nam hen mee naar zijn huis, waar hij ze verborg tot het ergste gevaar voorbij was. Halici ontmoette in Turkije nazaten van de man, een van hen zei: ‘Voor ons maakt het niet uit of iemand een Armeen of een Turk is. Het gaat om menselijkheid. Als mensen het moeilijk hebben, dan helpen wij.’

In Turkije zagen Can en Halici dat het bestaan van de Armeniërs vrijwel volledig was uit­gewist

‘Ik zal deze mensen nooit vergeten’, schreef Halici in het boek. ‘Het goede wat mensen voor elkaar doen blijft, zelfs door de eeuwen heen.’ Hijzelf was het levende bewijs. Zonder deze Turkse man was hij er niet geweest. ‘Het is allemaal niet zo bewust’, zegt hij in het Haarlemse café, ‘maar in retrospectief ben ik door Bloedbroeders minder oordelend geworden, in alles. Ik wil het gesprek aangaan.’

Hij snapt waarom het voor veel Turken moeilijk is te erkennen dat er een genocide in hun land heeft plaatsgevonden. ‘Het heeft te maken met eer en trots, en de aantasting ervan. Nederlanders kennen dat niet. In Jip en Janneke-taal zeg je met het woord genocide tegen een Turk: jouw opa heeft mijn opa vermoord, of in elk geval iemand vermoord. Je beschuldigt een Turkse familie ervan dat het moordenaars zijn.’

Laten de Duitsers niet zien dat het anders kan? Die reageren toch ook niet met ontkenning op de holocaust? Tja, zegt Halici: ‘Turken hebben een compleet andere cultuur. Ik weet dat, want Armeniërs zijn even trots als Turken. Dat gevoel zit ergens hier’, zegt hij, terwijl hij zijn hand op de borst legt.

De samenwerking met Can liet zien hoe Turken en Armeniërs ondanks alle gevoeligheden met elkaar over het verleden kunnen praten. Soms was Halici door alles wat hij ontdekte ‘pissig op de Turkse medemens’. Maar voor het programma móest hij in gesprek blijven met Can, het was onderdeel van de formule. ‘Vanaf aflevering één moesten we onze discussies uit de persoonlijke sfeer trekken, anders waren we meteen met elkaar op de vuist gegaan.’ Hij raadt het ook andere Turken en Armeniërs aan: ‘Ga vijf stappen naar achteren en heb het er dan nog eens over.’

Sinan Can en hij werden vrienden, bij de laatste jaarwisseling namen ze zich voor elkaar gauw weer te zien. ‘Wij hebben de brug geslagen, daar ben ik heel trots op’, zegt Halici. Hij durft te stellen dat het programma hetzelfde effect heeft gehad op andere Turken en Armeniërs, ook in de Verenigde Staten, waar Bloedbroeders werd uitgezonden. ‘Ik heb er geen onderzoek naar gedaan, maar het kan toch niet anders of het heeft tot meer begrip geleid? Ik wíl dat ook geloven. Als het je niets heeft gedaan, is je hart van steen.’

Niettemin kwamen ook de haters uit hun holen. Vooral Sinan Can moest het ontgelden, omdat hij als Turkse Nederlander bevestigde dat er sprake was van genocide. Via allerlei online kanalen kreeg hij bedreigingen naar zijn hoofd. Halici had daar nauwelijks last van, bij hem waren de reacties vooral positief. Ook zijn ouders waren te spreken over Bloedbroeders, al lieten ze zich er niet uitgebreid over uit.

Hij is hoopvol. In Turkije sprak hij met schrijfster, advocaat en mensenrechtenactivist Fethiye Çetin, die hem vertelde dat er iets aan het veranderen is. In 2004 schreef ze Het geheim van mijn grootmoeder, over haar oma die haar pas op haar zeventigste vertelde dat ze Armeens was. Als meisje was ze tijdens de dodenmars naar Syrië uit de armen van haar moeder gerukt en opgevoed door een Turkse familie. Het was een verhaal over menselijk leed, dat zo anders was dan de bekende welles-nietes-discussie over de genocide en juist daardoor was het boek een succes.

Wekenlang kon Çetin niet werken, omdat de ene na de andere Armeniër bij haar zijn verhaal kwijt wilde. Door dat boek én door de moord op de Armeens-Turkse journalist Hrant Dink in 2007 werden vooral veel jongeren nieuwsgierig. Wat was er zo’n honderd jaar geleden dan gebeurd tussen Armeniërs en Turken? De meesten hadden geen idee, vaak wisten ze niet eens dat er Armeniërs in Anatolië hadden gewoond. Sommige jongeren reisden naar Anatolië om met oude mensen te praten en hun verhalen op te schrijven. Er werden openbare debatten georganiseerd.

Het trof Halici. Er was iets losgewrikt in de verhouding tussen Armeniërs en Turken – en toen moest Bloedbroeders nog worden uitgezonden. Soms mag het proces van hem nóg sneller gaan, als hij even helemaal klaar is met het ‘Armenië-Turkije-geouwehoer’. Dan denkt hij: hou je mond toch, we zijn allemaal mensen.