Uitbotten

De zon hoeft maar even te schijnen, de temperatuur stijgt boven de tien graden of iedereen wordt heel zenuwachtig. Als iedereen heel zenuwachtig wordt, krijg ik het druk. De wilgen moeten hoognodig geknot, struiken gerooid, rozen gesnoeid, dooie troep opgeruimd, uitgebloeid spul dat mensen na de herfst willen laten staan omdat dat toch een ‘mooi winterbeeld’ geeft. Zo vanaf half maart loop ik vooral door die vuile rozen wekenlang met gewonde handen rond. 'Doe dan handschoenen aan’, krijg ik te horen, maar dat doe ik niet want dan kan ik niet voelen wat ik doe. Dat is als het strelen van fijne billen met een boterhamzakje om je handen of tongzoenen met kaarsvet op je tong.
Onlangs kwam ik tijdens een lezing tot de constatering dat ik het schrijven van deze column zo aardig vind omdat het me dwingt goed te kijken. Ik ben geen bioloog en er lopen ook zeker hoveniers rond met veel meer werkervaring, maar door goed te kijken, kom ik soms tot inzicht over het dieren- en plantenleven. Waarmee niet gezegd is dat dat inzicht ook werkelijk klopt. Ooit schreef ik hier dat er domme en slimme bomen zijn, de domme exemplaren waren dan die bomen die reageren op de hoeveelheid daglicht en niet zozeer op temperatuur. Een kastanje bijvoorbeeld, altijd maar vanaf het begin al bladeren met bruine randen. In NRC Handelsblad las ik daar onlangs een artikel over en wat blijkt? Ik had gelijk. Een sering reageert op temperatuur, een beuk reageert in eerste instantie op groeiende daglengte en een iep gaat bloeien als gevolg van licht en niet zozeer als gevolg van een hogere temperatuur.
Elk voorjaar valt mij ook op dat hoe kleiner de boom of struik is, des te eerder hij in blad zit. Ik wijt dat aan de kortere afstand die de in het voorjaar op gang komende sapstroom heeft af te leggen. Een theorie die mogelijk dan weer wordt ontkracht door het feit dat de onderste takken van grote bomen niet noodzakelijkerwijs als eerste uitbotten. Maar toch. Ik wacht het volgende artikel in NRC af en verzorg mijn gewonde handen.