Hafid Bouazza

Uitbreidende beelden

Hafid Bouazza, Salomon

Uitg. Prometheus, 256 blz., ƒ39,56

«Natuurlijk lag krankzinnigheid op de loer, maar ik was niet bang voor krankzinnigheid (…).»

Zo begint Hafid Bouazza zijn verbluffende roman Salomon. Dit is, als je er eens rustig over nadenkt, de inzet van welke roman dan ook: krankzinnigheid met woorden bestrijden, in woorden vangen. Een romanschrijver verlaat altijd het gebied van het normale, voor zover dat al bestaat, omdat in een roman, in bedachte taal dus, nu eenmaal alleen het ongewone te beschrijven valt. De gewone werkelijkheid in woorden vangen in een roman? Onmogelijk. Het gewone leven aan het woord laten komen? Laat je nakijken, dan kun je beter naar een marktstalletje gaan en daar staande tussen de klanten de woorden door horen komen. Bouazza laat in deze roman het ongewone van de romanschrijverij met kracht doorschemeren, hij laat zien hoe een ware woordverliefde, taalverliefde en zingekke schrijver aan de kern van het schrijven probeert te komen. Schrijven als woordverbeelding. Daar gaat het om.

Bouazza vertelt het verhaal van een jonge man, nerveus, gevoelig voor indrukken, die de eenzaamheid bestrijdt, meisjes beschrijft, herinneringen ophaalt met en aan zijn vrienden en in contact probeert te komen met ene Kai, raadsel achtig striplezer, pornoliefhebber en stadswaarnemer. Daartussendoor vliegen de vetgemeste duiven van Amsterdam rond, maken we kennis met een toeschouwer, netgekleed, wandelstok, pijproker, die zowel Kai als de ik in de gaten houdt. En de hilarische geschiedenis van ene Bileam, medebewoner, die tot wanhoop van de ik zelfs een schaap het huis binnensmokkelt om aan zijn geloofsverplichtingen te kunnen voldoen. Zou de beginnende navertelling die ik hier nu geef het boek Salomon kunnen vervangen, de erotiserende kracht van de meisjesbeschrijvingen kunnen ondervangen? Natuurlijk niet. In deel twee fantaseert de ik over hoe Kai zich aankleedt, een burenruzie meemaakt en kennismaakt met Meranda, die later vriendin blijkt te zijn van Miranna, ex-vriendin van Kai. Of is zij ex-vriendin van de ik? Zijn de ik en Kai dezelfde? En deel drie bevat het dagboek van Miranna, geschreven op Sicilië waar ze probeert af te kicken van haar relatie met Kai. Goed, dit is dus het verhaal, of liever: de randvoorwaarden ervan waarbinnen de zinnen zoemen, dansen en rondcirkelen, waarbinnen de hitte van de stad Amsterdam als decor dient.

De drijvende kracht van dit boek, veel meer dan gebruikelijk in de huidige Nederlandse literatuur, vormen de af- en aanrollende woorden en zinnen die de pagina’s bewolken en bevruchten, om het maar eens in een bouazziaanse beeldspraak te zeggen. Je kunt zijn taalhantering in allerlei opzichten uitbreidend noemen. Bij hem geen snelle typering maar altijd stapeling. Neem bijvoorbeeld deze zin, die voor zijn doen niet eens erg lang is: «Tussen het gewei van de struiken en de bokkenpoten die zich in de struwelen roerden, onder de lauwerkransen van laaghangende takken en de bottende horens van doorntakken doemden je ledematen op, nog lenteblank, geen zomertint voor jou maar het broket van zonnespikkels op de grond groeide plotseling op, stootte door en vertakte zich om je voeten en scheenbenen te sandalen.»

Bouazza heeft altijd nog een extra beeld in huis, een nieuwe omschrijving, die hij tussen neus en lippen door ontleent aan een groot beeldenscala: antieke mythologie, bijbel, koran, sprookjes, oude Nederlandse literatuur. Ook zijn woordenschat is uitbreidend. Hij bedenkt nieuwe woorden en hij ontleent aan taalgebieden als het Vlaamse of het Indisch-Nederlandse: «het wonnige wicht» staat er bijvoorbeeld, of «bratte» (speelse) nijlpaarden, of «de hitte doedelde nog na», of «kramassen». En het werkt allemaal als een magneet: ik merkte dat ik langzamerhand de zinnen hardop begon voor te lezen.

Misschien nog opvallender dan zijn uitbreidende stijl is de hantering van de personificatie. Alles wat dood is, komt bij Bouazza tot leven. De plooien van een hemd zijn droevig, de schouders van een meisje ironisch, een bloesje heeft «betraande strepen», de nacht en de slaap weten de ik «altijd te vinden», de dagen van de week «knarsen roestig» en verkiezen «de huiselijke dampen van vertrouwdheid». Alles is van leven voorzien, dit boek probeert alles wat nooit levend is en ook niet kan zijn, planten, huizen, de stad, kleding, interieur, hersenspinsels, tot leven aan te zetten. Deze beeldspraak zet dit werk in een tragisch licht: de obsessieve poging alles te vitaliseren, doordringen de lezer, ik bedoel doordrongen mij, van het besef dat dit alleen in literatuur mogelijk zou kunnen zijn.

Het is de hoogste tijd aan de kant te gaan staan en bewonderend stil te zijn. Bouazza heeft een waagstuk geschreven, een taalwaagstuk. En het is prachtig geworden. Hij schreef een aantal erotiserende meisjesportretten die hun weerga niet kennen in de Nederlandse literatuur, hij zette een beeld van Amsterdam neer dat nog niet bestond. Laat ik hem nog één keer aan het woord laten komen: «Hij had in het park een meisje gezien dat gebogen over een drinkfonteintje haar hennageverfde haren waste, haar dunne bloesje met betraande strepen van verschillende kleuren was nat en haar hals behangen met grote houten kralen: een liefdevol schouwspel, dit kramassende meisje, liefelijker nog de nevelige aanblik van haar kleine borsten die allerliefelijkst tegen de vochtige stof kleefden als een wang tegen een beregend busraam.»