Voorpublicatie uit ‹De Requiems›

Uitdorsten

Deze week verschijnt bij Querido de bundel ‹De Requiems› van A.F.Th. Behalve al gepubliceerd werk bevat ‹De Requiems› ook het nooit uitgebrachte ‹Uitdorsten›: een novelle over zijn moeder die lijdt aan de ziekte van Parkinson en terloops zegt dat ze haar in het ziekenhuis aan het «uitdorsten» zijn. Een verspreking die kan slaan op zowel uitdrogen, uitdorren als dorsten naar. Een voorpublicatie.

Vrijdag 22 januari 1999. Vroeg in de ochtend (laat in de nacht) het schorre geluid van de deurbel. Eerste gedachte: de werkster begint vroeger vandaag. Dan: vreemd… op donderdagavond gaat de voordeur nooit op het nachtslot, zodat Rietje met haar eigen sleutel naar binnen kan… Minchen, die zich door mijn alcoholische gesnurk kennelijk naar de kamer van Totò heeft laten verjagen (hij logeert bij oma Wies), gaat opendoen.

Als kind deed ik dat al: met open mond zoveel mogelijk van het donker verzwelgen, om de druk van de duisternis op de trommelvliezen te verminderen. Even niet ademen… Stemmen. De deur in het slot gedrukt. Ik kan niet horen wie er binnengelaten wordt.

Rennende voeten trapopwaarts, net als op 15 juni 1993, na het telefoontje over de verslechterde toestand van mijn vader. Ik knip het bedlampje aan. Minchen met een lang, wit T-shirt aan in het halfdonker van de slaapkamer.

«Helmut aan de deur.» Ze hijgt. «Onze telefoon ging blijkbaar niet over… Het gaat slecht met je moeder. Je broer en zus gaan er zo meteen in een taxi naartoe…»

Dit is het einde, ik weet het. Ik kom overeind.

«Ik ga Helmut iets te drinken brengen. Hij was uit geweest, de stad in, en kon na thuiskomst meteen op de fiets door naar ons…»

Van ernstig doorzakken is geen sprake geweest gisteravond. Evengoed suist mijn hoofd nog van de drank. Hoe vaak heb ik het drinken niet met mijn moeders naam op de lippen voorgoed afgezworen… Als ik de spots in de badkamer aan wil doen, weet ik het weer. Vannacht, toen ik mijn tanden ging poetsen, weigerden ze alledrie dienst. De dimmer is kapot. Nu is er alleen nog het groezelige buislampje boven de wasbak. Helmut, dat is mijn zwager.

Om vrouw en kind niet met mijn geur te hinderen ga ik voor de stoelgang ’s morgens altijd een verdieping hoger — naar het toilet bij mijn werkkamer. Nu ik me al helemaal uitgekleed heb voor een douche, laat ik me op de wc-pot van de badkamer neer, en doe waar mijn darmen om vragen. Even later rukt Minchen de deur open.

«Luister, kleintje… je moeder is al dood. Helmut heeft Marianne aan de lijn… ze huilt… Jullie moeten maar met z’n drieën een taxi nemen.»

Daar sta ik, vlezig naakt, in de verschrikkelijke lucht van mijn ontlasting — nu pas echt een stank, omdat hij ook mijn liefste omhult. Vijfenveertig jaar heb ik me erop kunnen voorbereiden, en nu bereikt mij zo het bericht van mijn moeders overlijden…

Ik douch in het donker, vind zeep op de tast. Krakend zeepsop in mijn oor, en daar is ook haar stem. «Het kaarten ’s avonds, vroeger bij ons thuis, daar had ik toch altijd zo’n hekel aan… Maar meedoen moest ik van je opa, daar hielp geen moedertjelief aan. Ik legde dan altijd een nat washandje op een schoteltje naast me… om m’n ogen te deppen, zodat ik wakker bleef… Verschrikkelijk, o, soms kon ik ze gewoon niet openhouden.»

*

In ochtendjas naar de huiskamer, waar mijn zwager aan een tweede glas wijn zit.

«Er is iets met jullie telefoon. Na een paar keer overgaan kwam er een soort voicemailstem…»

«Wij hebben geen voicemail. Je zult wel het verkeerde nummer gedraaid hebben.»

Onvermijdelijke kribbigheid. Hij is de brenger van het slechtst denkbare nieuws. Mama dood.

De telefoon gaat gewoon over. Het is Frans, mijn broer, die het nieuws al heeft vernomen — van onze zus of rechtstreeks uit Dennende Pappelhof. Hij zal binnen een halfuur met de taxi komen voorrijden.

*

Frans en Marianne zitten achterin, samen met mijn schoonzusje Hilde. Ik heb een hekel aan de plaats naast de bestuurder, maar er rest me niets anders. Het is een uur of zeven, en nog donker. In de straten hangt een dichte mist. Minchen zwaait ons uit, roept nog iets, wuift dat het niet belangrijk is. Helmut slingert weg op de fiets.

«Misschien,» zegt Marianne, «weet de chauffeur waar we ergens een broodje kunnen kopen… op dit uur.»

«Koeman,» raadt hij aan, «op de Amstelveenseweg.»

Door de mist, die op kruispunten wat minder dicht is, rijden we erheen. Onderweg geeft de bestuurder hoog op van de broodjeszaak, die ’s morgens al heel vroeg opengaat en pas ’s middags om drie uur sluit.

Bij Koeman stappen de meisjes uit. Met de chauffeur zitten Frans en ik een tijdje zwijgend de nevel in te staren, die hier vuiloranje kleurt door de straatlantaarns.

«Wat een mist,» zeg ik maar.

«Het is alweer een stuk minder,» zegt de bestuurder. «Had je straks moeten zien.»

«O, u bent al een poos bezig?»

«Van vier uur af.»

«Koeman… zou de voetballer van die naam zijn geld in deze broodjeswinkel geïnvesteerd hebben?»

«Ik denk,» zegt de chauffeur, «dat dit een andere Koeman is.»

Mijn zus en schoonzus komen terug met twee zakken vol broodjes, en we rijden in de richting van de snelweg.

«Is het vandaag niet de tweeëntwintigste?» vraagt Marianne. «Dan zou ze gestorven zijn op de verjaardag van haar zus…»

De dode voegt zich bij ons in de taxi. We rijden net de A10 op.

«Ik weet het niet… ik geloof het niet,» zeg ik geërgerd. «Ik hou haar verjaardag al heel lang niet meer bij. Nu eens is ze bij de Jehova’s, en mag je haar beslist niet feliciteren met haar verjaardag… dan weer is ze een tijd Jehovas af, en is ze beledigd als je niet aan haar verjaardag denkt. Ik geloof het onderhand wel.»

Naarmate het buiten lichter en minder mistig wordt, is het in de auto stiller en bedrukter. Achterin kauwt iemand hoorbaar op een laatste kadetje. Met gekookte lever, zo te ruiken.

*

«Ik ga wel als eerste even kijken.»

Omdat ik het ongepast vind bij een dode aan te bellen, doe ik de deur naar mijn moeders appartement gewoon open. Ik heb eerst door het kale raampje naar binnen geloerd, maar niets gezien. (Het is er helemaal donker, denk ik… ze ligt daar moederziel alleen… op ons te wachten…)

Het halletje. Links douche en toilet, rechts de kitchenette. De tussendeur staat op een kier. Ik duw hem verder open, in de misselijkmakende zekerheid haar dood aan te treffen — en sta dan oog in oog met een dunne man van midden dertig, wiens mond (letterlijk) openvalt van verbazing. Er is ook angst in zijn vale gezicht. Een koude reep daglicht tussen de gordijnen, en verder een vuil oranje schijnsel van een of ander spaarlampje. Het donker overheerst. Hij staat over het voeteneind van mijn moeders bed gebogen, in een soort schoolslaghouding. Zijn armen hangen vreemd verdraaid in de lucht, de vingers gespreid… alles geheel verstijfd. De mond, in het schaarse licht een zwart gat, blijft openhangen — kort misschien maar, voor mij lijkt het minuten te duren. Hij draagt de gewone vrijetijds lompen van het fin de siècle, dus ik kan niet zien of het een verpleger is. Zijn blik schiet heen en weer tussen mij en de deur.

Ik blijf hem aankijken, maar kan niet voorkomen dat het bed zich aan mijn ooghoeken opdringt. Ik zie vooral haar ene knie het dek ophouden. Zo, aan de rand van mijn blikveld, lijkt het de languisante houding van een meisje dat op haar rug ligt bij te komen van de liefde. Maar het is mijn eenenzeventigjarige moeder, wier been zich in het laatste stadium van haar ziekte niet meer wilde rechten.

Kijk ’m daar nou staan, de imbeciel… het lijkt echt alsof ik de een of andere tijdelijke invaller betrapt heb… een pseudoverpleger met necrofiele neigingen… Als hij professioneel bezig was mijn moeder toonbaar te maken voor de familie, waarom heeft hij het zichzelf dan niet gemakkelijker gemaakt door het grote licht aan te doen?

In mijn hoofd hakkelt, knerst en piept de stem van mijn moeder, vergevingsgezind over de dood heen. Ach welnee, jongen… zo’n broeder vindt het ook rot te moeten zien hoe een zoon geconfronteerd wordt met zijn net gestorven moeder. Hij had de plafondlamp juist uitgedraaid…

«Ik wacht wel even op de gang… totdat u klaar bent.»

Hij zegt niets terug. Zijn houding en zijn gezicht blijven dezelfde betraptheid en geslagenheid uitdrukken.

Ik voeg me weer bij de anderen, en zeg zacht: «Er is nog ie mand met haar bezig. We zullen zo wel naar binnen kunnen.»

Nadat we zo een poosje met elkaar hebben staan zwijgen, gaat de deur open. De verpleger, of wat het ook is, schrikt opnieuw. Met zijn rug de deurpost rondend, ons star aankijkend, perst hij zich als het ware het appartement uit, en maakt zich dan met onzekere stappen uit de voeten. De deur heeft hij open laten staan. Ik vertel de anderen niets over mijn smerige vermoedens, vooral omdat ik er zelf niets van wil weten.

Even later een wat oudere man, die met stroef Eindhovense tongval zegt: «Uw moeder is nog niet afgelegd en zo, maar ze ligt er netjes en vredigjes bij. Gaat u dus maar vast kijken.»

*

Handen gevouwen op het dunne lijfje, nu in bijna vol daglicht, de gordijnen open. Er is iets rusteloos aan de dode, maar dat komt door de omhoog stekende knie, waardoor ze zich tegen de matras lijkt te willen afzetten. Het gezicht heel bleek, maar niet gelig als dat van mijn vader kort na zijn sterven.

Ze hebben haar vannacht morfine gegeven. Ik vermoed (althans, hoop) dat ze, gezeten op een golfje van dat spul, boven de pijn uitgetild, ontsnapt is naar de andere kant… kijk toch ’s hoe makkelijk dat gaat… als vanzelf…

Zij ligt op haar linkerwang. Aan die kant worden haar lippen, waar wat geronnen bloed op lijkt te liggen, opengedrukt. Ook het rechteroog is niet helemaal dicht. Een mooie dode, ik moet de eerste nog tegenkomen. Misschien denkt die necromane ochtendster van vanmorgen er anders over.

Het zilvergrijze, rechtopstaande haar, dat sporen draagt van een recente kapbeurt… mijn broer haalt er zijn vingers doorheen. Ik streel de koude handen. Aan haar vinger de ring met de rode steen. Marianne frunnikt aan de mouw van het nachthemd, zacht snikkend.

Hilde houdt zich op de achtergrond.

*

Een blonde verpleeghulp brengt een thermoskan koffie. François en Dan, het homopaar waar mijn moeder zoveel steun aan heeft gehad (François was een van haar verplegers), komen condoleren. Ze omhelzen mijn broer en zus. Ik krijg een hand – en wens daar per se een teken in te zien dat ik de afgelopen tijd te weinig op de Pappelhof ben geweest.

«Jullie moeder is echt een tweede moeder voor mij ge weest,» zegt François. «Ik was zestien toen die van mij stierf.»

Haar hele leven had mijn moeder moeite met homoseksualiteit gehad. Ze begreep er niets van, vroeg zich altijd af wie de vrouw «speelde», wie de man. Op ’t eind liet ze zich door François verschonen, en lachte gelaten om zijn grapjes over «alweer een volle luier». Dan, gepensioneerd en hartpatiënt, kwam meer voor de gezelligheid langs, met hun hondje.

*

Kleine handdoeken, waarmee ze kon toveren. Aan de badkamerdeur roepen: «Mam, ik moet naar school!»

«Haar gekamd?»

«Geen kam.»

«Wacht even… Kom binnen.»

Daar zat ze in de naar Vim ruikende badkamer — op het grnito, haar voeten in de ronde wasbak. Een kinderhanddoek bedekte heel precies, in een vloeiend doorgaande lijn, al het gevaarlijke naakt van haar lichaam. De handdoek op z’n plaats houdend wist ze me ook nog te kammen… mijn haar op te kuiven…

*

Terwijl haar lichaam wordt afgelegd, wachten wij op de gaanderij van de eerste verdieping op een man van de uitvaartonderneming. Op de ronde tafel van rookglas liggen bladen. Hilde slaat er een open.

«Hè, gatsie, porno… nou ja, softporno.»

«Ja, Hilde, ook hier moeten ze de verveling zien te verdrijven.»

Het blijkt wel erg softe softporno, maar het idee dat die hier ooit binnen handbereik van mijn moeder heeft gelegen, bevalt me opeens helemaal niet. Het beeld van de in het vroege ochtendlicht verstarrende verpleger komt me weer voor ogen. Gelukkig is daar de vertegenwoordiger van de Leda.

*

Toen het over was, vertelde ik het haar: dat ik van m’n zeventiende tot m’n twintigste impotent was geweest, en dat een geduldig meisje me ervan afgeholpen had. Ze sloeg haar hand voor de mond.

«Dan heb je dus toch al een hele geschiedenis achter je… een heel leven… zonder dat ik ervan wist.»

*

Ooit heeft ze, samen met mijn vader, voor crematie gekozen. Nog niet zo lang geleden klaagde Frans tegen haar, misschien voornamelijk om iets aanhankelijks te zeggen: «…maar dan is er geen plekje om je te komen opzoeken.»

«Goed, laat me dan maar begraven.»

Uiteindelijk besluiten we toch haar te laten cremeren, om de oude afspraak die ze met haar man had niet te schenden.

In een soort stompzinnige braafheid, die mijn moeder zelden in staat was geweest om ons op te leggen, in elk geval zonder enige opstandigheid bepalen we het aantal kopjes koffie bij het condoleren, de hoeveelheid belegde broodjes. De kleurenkieken van de bloemstukken in geplastificeerde mapjes, aldus beschermd tegen handen die zojuist nog een dode hebben beroerd. Geen vingerafdrukken van cadaverine op de staalkaart van de bloemist!

Terwijl mijn zusje en ik onze keus maken, wordt Frans apart genomen door mijn moeders huisarts – die van de Pap pelhof. De Koene Held van de Medische Stand die «tot op de bodem» zou uitzoeken waarom mijn moeder maandenlang te weinig medicatie kreeg. Deze onverschrokken medicus, op wiens bevindingen wij nu al een klein jaar vergeefs wachten, is weer aan nieuwe onderzoekingen toe. Ditmaal stelt hij voor mijn moeder aan een autopsie te onderwerpen teneinde vast te stellen of zij wel aan de ziekte van Parkinson leed.

Interessant.

Als blijkt dat zij iets anders dan Parkinson had, dan heeft zij sowieso jarenlang de verkeerde medicijnen geslikt. Moeten wij dan verder door het leven met het idee dat onze moeder mogelijk te redden was geweest, ware de juiste diagnose tijdig gesteld?

En bovendien, ze vertoonde toch alle symptomen van Par kinson? Tien jaar geleden begon het, net als bij prins Claus, met een zich verstroevende houding, krommer lopen en depressies. In ons vakantiehuis in de Dordogne werd ze elke nacht wel een keer gillend wakker. Ze sliep bij de net een jaar geworden Totò op de kamer, die het dan ook op een gillen zette. Vervolgens: de trillende hand, die zij in haar schortzak verborgen hield, zodat het hele kledingstuk mee wapperde…

Als zij niet aan Parkinson geleden heeft, dan leed zij aan een ziekte die tot in de kleinste details de symptomen van Parkinson imiteerde. Nu nog de naam van deze plagiaatkwaal, en we zijn er.

*

Stompzinnig, zoals de dingen doorgaan. Om vier uur heb ik een afspraak met de kapper, en ik besluit hem niet te verzetten. In de trein naar Amsterdam probeer ik een krant te lezen. Ik sla regelmatig een pagina om, maar staar verdoofd naar de tekst en de foto’s, zonder iets in me op te nemen.

Zoals ze daar lag… het been scherp opgetrokken onder het dek. Om haar in de kist te laten passen — zullen ze daarvoor de knie moeten rechten… hem moeten breken? Waarom, godverdomme, gedroeg die broeder zich zo betrapt in de sterfkamer? Als jongetje van tien vocht ik tegen haar dood, al was het maar door melk warm te maken om de zwarte vloedgolf van haar maagbloed te keren. Ik had die snaak bij z’n strot moeten grijpen… hem uithoren wat hij in het eerste grauwe licht van de dag, zonder lampen aan, bij het lichaam van mijn moeder deed…

Achterop het tweede katern van de krant had ik, in het vrijgebleven wit van een paginagrote advertentie, het volgende genoteerd:

Enige mogelijkheid om mijn sterven te ontlopen… Mezelf in de loop van de rest van mijn leven in een ander veranderen, en die ander met mijn dood opzadelen. Hoe pak je zo’n metamorfose aan? Het zou verkeerd zijn om, heel tegennatuurlijk, te proberen jezelf allerlei maniertjes en karaktertrekken aan te meten die niets met jou te maken hebben. Nee, het komt erop aan jezelf zó goed te leren kennen, zó goed te leren analyseren dat je voor jezelf steeds meer geobjectiveerd raakt… en zo voor jezelf langzaam — volhardend — een Ander wordt. (22.1.’99/15:00)

Toen de trein het CS binnenreed, scheurde ik de aantekening uit — niet in de verwachting een recept tegen de dood in handen te hebben. ’t Was meer iets voor een roman.

*

Mijn kapper zit in de Wijde Heisteeg. Omdat ik twintig minuten te vroeg was, liep ik Modern Antiquariaat Van Gennep binnen, dat niet lang meer zou bestaan. Tussen de tafels met uitgestalde boeken stond collega Boudewijn Büch. Hij keek geen werken in, maakte evenmin aanstalten om dat te gaan doen, nee, hij stond daar gewoon — een beetje gekromd in de rug, maar verder rechtop en met geheven hoofd, de blik vooruit gericht, alsof hij op militaire wijze de wacht hield bij de laatste resten edelramsj. Na mijn binnenkomst schoten, zoals altijd in dat soort situaties, zijn ogen rusteloos heen en weer — om de mogelijkheden te schatten van snel en gericht wegkomen. Geen man voor een praatje… vroeger nog wel, maar steeds minder.

«Hoe gaat het?» vroeg hij, met voet en schouder al richting uitgang.

«Het zou lullig zijn nu te zeggen: goed… terwijl vanmorgen mijn moeder is overleden.»

«O…» Zijn hele bovenlijf helde nu voorover naar de winkeldeur, vlak achter me.

«Ja, waarom loop ik hier eigenlijk binnen… wat moeten boeken van me op zo’n dag… Nou ja, ik heb een afspraak met de kapper zo direct… daar ga ik tenslotte ook gewoon heen…»

«Uiteindelijk, Adri,» zei Boudewijn, plotseling gedecideerd met een boog om me heen stappend, «uiteindelijk stoelen alle emoties op gemeenplaatsen…»

Zonder nog om te kijken of te groeten liep hij, met een motoriek van geforceerde kalmte, naar buiten.

*

Uit de afscheidstoespraak van mijn broer: «Als ik je groette bij het weggaan, kwam je rechterhand altijd langzaam in beweging. Je wuifde plechtstatig, bijna adellijk terug.

‹Je lijkt de koningin wel,› zei ik een keer.

Je schudde van nee, en corrigeerde me. Wat je toen precies zei, ontging me. Het was iets wat eindigde op ‹-aus›. Ik wilde je niet voor de zoveelste keer confronteren met je kwijnende spraakvermogen, dus lachte ik maar wat. Even later besefte ik dat je twee personen kon bedoelen: prins Claus en de paus. In de auto terug naar huis heb ik zitten grinniken. Want wie je ook bedoelde: niet alleen hebben ze allebei zo’n plechtige manier van wuiven — ze waren ook beiden een lotgenoot in de strijd tegen Parkinson.

Mam, ik ben blij dat ik je vorige week nog een keer zo heb zien wuiven. Je hand, bedekt door de deken, kwam wat trager in beweging dan anders. Maar ik heb geduldig gewacht. Net zo lang tot er een verlossend eind kwam aan dat geworstel onder die deken. En eindelijk, triomfantelijk bijna, je wuivende hand tevoorschijn kwam.»

*

Een vroege zomeravond in 1967 of ’68. Het is nog niet helemaal donker. Ik zit onder mijn open tuimelraam aan mijn huiswerk (of iets anders). Mijn ouders keren terug van een wandeling. De heldere lucht draagt ver, en van verre hoor ik al haar stem, vrolijk voor de gelegenheid, iets te vrolijk voor haar doen. Ze zegt onverstaanbare dingen, en lacht dan hoog. De brommerige stem van mijn vader, eindigend in een hoest. In het gangetje tussen de schuren geven hun voetstappen een stuiterend geluid, precies zoals ze ook onder de heldere hemel bij vrieskou zouden klinken.