Wie van de twee ex-Dutchbatters heeft gelijk?

Uiteenlopende herinneringen

Twee ex-Dutchbatters spreken elkaar tegen over het meesmokkelen van «het tweede filmrolletje» uit Srebrenica. Het toont de moeizame weg van de parlementaire enquêtecommissie die zeven jaar na dato poogt inzicht te krijgen in het drama.

Behalve het bekende fotorolletje van kapitein R. Rutten, dat in het laboratorium werd verprutst, dook er in 1998 nog een ander rolletje op. Ook op deze foto’s stonden zojuist geëxecuteerde moslims. De foto’s zouden zijn genomen door adjudant B. Oosterveen, die niet door de enquêtecommissie wordt gehoord. Onzin, zegt een Dutchbatter die verder anoniem wenst te blijven, ík heb die foto’s genomen. Voor het eerst doet hij zijn verhaal: over de foto’s en over Karremans die er niets mee deed.

«Een aantal Dutchbat-soldaten had het vermoeden dat er moslimburgers werden geëxecuteerd. Als er een paar duizend reservisten tot de tanden gewapend op je afkomen, dan weet je het wel. Er werd geschoten, verkracht, geplunderd. Die Serviërs maalden er niet om iemand neer te leggen. Op een middag, vijf dagen voor de val van de enclave, besloot ik een kijkje te gaan nemen. Waarom ik ging? Voor mijn gevoel; ik moest het zien, ik moest het vastleggen. Ik wil de dingen zien die om mij heen gebeuren. Ik nam een wegwerpcameraatje mee en liep op de weg waar we tot een paar dagen terug nog patrouilles hadden gelopen, toen dat nog mogelijk was. Buiten kwam ik toevallig adjudant Oosterveen tegen, die ook aan het rondzoeken was. We besloten samen te gaan.

Ongeveer driehonderd meter van de compound, achter het zogenoemde blauwe verhoorhuis, liep een bergweggetje. Aan de kant van de weg zaten Servische soldaten voor hun huizen koffie te drinken. Ze keken argwanend naar ons. Ik maakte een praatje met hen, in mijn gebrekkige Servisch. Op deze manier probeerden wij langs hen te komen. Dat lukte. We wisten niet waar we moesten zoeken, we gingen maar gewoon op het geluid van de geweerschoten af.

Naast de weg liep een sloot, die door de hitte was opgedroogd. In die sloot, tussen de struiken en de takken, zag ik een aantal lichamen liggen. Het waren er negen á tien. Ze lagen met het hoofd naar beneden, in burgerkleding. Jongens van mijn leeftijd: eind twintig, begin dertig. Je kon zien dat ze van dichtbij waren geëxecuteerd. Het was niet lang geleden; de bloedvlekken waren nog niet ingedroogd. Oosterveen, die wat ouder is, bleef boven op wacht staan. Ik klom langs de takken en de struiken naar beneden. Het moest snel gebeuren, die Serviërs zaten op onze lip. Als die iets hadden gezien, hadden zij onmiddellijk al onze spullen afgenomen. Hangend aan een tak heb ik in een paar tellen vier foto’s gemaakt.

Verbijsterd zijn we teruggelopen naar de compound. Daar zijn we direct naar Karremans toegegaan. Omdat Oosterveen van hogere rang is, voerde hij het woord. Hij maakte melding van de executies en vertelde dat wij foto’s als bewijsmateriaal hadden. Karremans zei: ‹Jullie moeten zwijgen. Het kan paniek veroorzaken op de compound.› Verder is er niets, helemaal niets mee gedaan. Dat wij onze mond moesten houden begrijp ik wel. Maar waarom is er niets mee gedaan? Waarom hebben ze er niet een paar jongens heen gestuurd, het gebied gemarkeerd en bewijsmateriaal verzameld?

Ik ben terug naar mijn tent gegaan om alles te laten bezinken. Het leek mij verstandiger om het rolletje bij me te houden. De officieren hadden op dat moment wel wat anders aan hun hoofd. Ik was bang dat zij het kwijt zouden raken.

Vier dagen later is de enclave gevallen. Die dagen heb ik de Moslims geholpen die naar de compound waren gevlucht. Zij zaten in een stik hete loods. Het waren er duizenden. Het was een gigantische teringzooi. Het leek wel een varkenshok, erger nog, er hing een ontiegelijke stank van stront, pis, lijken en houtskool. Dat valt niet te beschrijven. Er was praktisch geen eten. Wíj hadden al weinig: kaakjes, noodrantsoenen. De keuken maakte voor hen een soort watersoep in grote gamellen. In die vier dagen werd iedereen gedeporteerd, er kwamen bussen af en aan. En dat ging dag en nacht door. Vrachtwagens, veewagens, tractors; alles waar mensen in konden, werd gebruikt.

Toen de enclave viel en wij naar Zagreb moesten, heb ik het fotorolletje in mijn onderbroek gestopt. De Serviërs hadden overal langs de weg naar Zagreb checkpoints neergezet. Daar moest je je papieren laten zien. Soms werden tassen overhoop gehaald om te kijken of er iets waardevols in zat. Alles wat ze zelf konden gebruiken werd in beslag genomen. Maar ook fotorolletjes werden afgepakt: er kon gevoelige informatie op staan. De hele dag, tot aan Zagreb, heeft dat rolletje tussen mijn billen gezeten.»

«In Zagreb kon iedereen die iets te melden had langsgaan bij de MID, de Militaire Inlichtingen Dienst. Daar heb ik mijn verhaal gedaan. Het was er een chaotische bende, overal lagen stapels papieren. Ik weet nog dat ik het rolletje afstond. Ik keek ernaar en ik keek naar die man en dacht: als dat maar goed komt.

Toen we een paar dagen later in Nederland aankwamen, moesten we ons nog opstellen in militaire houding, maar dat ging natuurlijk niet. Iedereen liep onmiddellijk naar zijn familie toe. Er was een feest georganiseerd bij mij in de straat. Het was prachtig, maar mijn gedachten waren heel ergens anders. Er zijn ook foto’s van, dan zie je die dode blik in mijn ogen.

Drie, vier weken later kwam er een man van de MID bij me langs. Ik heb hem gezegd dat het mijn foto’s waren. Toen ik om kopieën van de foto’s vroeg, zei hij dat dat niet de bedoeling was. Ook vertelde hij dat het beter was als ik niets tegen de pers zou zeggen. Sindsdien heb ik niets meer van hem gehoord.

Tot mijn verbazing las ik drie jaar later in de kranten dat Oosterveen de foto’s zou hebben gemaakt. Ik dacht: er klopt niks van, het zijn mijn foto’s. Op zo’n moment voel je je machteloos. Je weet niet goed bij wie je terecht moet met je verhaal. Dat is frustrerend. Zeven jaar lang heb ik dat gevoel gehad.

In datzelfde jaar, in 1998, werd ik gebeld door iemand van het Joegoslavië Tribunaal, met de vraag of ik als getuige wilde optreden. Ik ben toen twee dagen lang als een van de anonieme hoofdgetuigen opgevoerd bij een van de meest beruchte processen in het Tribunaal. Tijdens het proces zijn mijn foto’s opgevoerd als bewijsmateriaal. In de kranten stond dat moeilijk te zien was wat er op de foto’s stond. Maar ze zijn wel succesvol gebruikt bij het Tribunaal!

Bij het Tribunaal ben ik er ook achter gekomen dat de foto’s van kapitein Rutten en mijn foto’s op twee verschillende plekken zijn genomen. Het ministerie van Defensie was er altijd van uitgegaan dat het dezelfde plek was. Dat is ongelooflijk, want Defensie had al in ’95 onze verklaringen afgenomen, waaruit toen al bleek dat het om twee verschillende plekken ging.

Ik zou je echt niet kunnen vertellen waarom Oosterveen beweert de foto’s te hebben gemaakt. Misschien om mij te beschermen, misschien om met de eer te strijken, ik weet het niet. Oosterveen heeft niets meer van zich laten horen, alleen een paar maanden geleden tijdens een bijeenkomst voor Dutchbat-militairen, vroeg hij hoe het met mij ging. Verder niets. Als hij met de eer wil strijken: prima. Ik hoef helemaal geen eer. Ik heb gewoon gedaan wat mij het beste leek.»

«Ík was degene die het rolletje in mijn onderbroek stopte»

Vanuit zijn woonplaats Assen relativeert adjudant-buiten-dienst Oosterveen het verhaal van zijn Dutchbat-collega. «Ik heb hem voor het eerst horen vertellen dat niet ik, maar híj het filmpje naar buiten heeft gesmokkeld bij de bijeenkomst van ex-Dutchbatters in Stroe, waar het Niod ons rapporteerde over zijn onderzoek. Hij heeft inderdaad de foto’s gemaakt, maar ik was degene die het rolletje in mijn onderbroek stopte. Ik dacht: als ze dáár gaan zoeken, ga ik schoppen en slaan. Het bleek achteraf niet nodig: wij gingen niet tegelijk met de vluchtelingen naar buiten. In Zagreb heb ik het rolletje persoonlijk overhandigd aan kolonel Lemmen, die de operationele debriefing leidde.

Misschien is hij een beetje in de war. Het is ook moeilijk voor die jongens. Ik ben wat ouder. Twee jaar geleden verliet ik de actieve dienst. We hebben in die dagen geen aantekeningen gemaakt. Wat hij aan Karremans toeschrijft, heb ík hem verteld. Hij was er niet bij toen ik met Karremans sprak. Ik kan me herinneren dat Karremans me zei dat hij meer meldingen van oorlogsmisdaden had gehad. Ik weet niet of hij de naam van kapitein Rutten heeft genoemd. Ik ben er overigens nog steeds niet van overtuigd dat hij en wij verschillende lijken hebben gezien. Ook hij zag er zo’n negen. Hij had een kaart bij zich, wij niet.»

Ook het Niod kwam er niet uit in zijn vuistdikke rapport. «Het is niet onmogelijk dat er verschillende herinneringen door elkaar lopen», schrijven de onderzoekers. Oosterveen: «Het gaat mij erom dat de foto’s naar buiten zijn gekomen, en dat ons rolletje niet is vernietigd, zoals dat van Rutten. Ik moet u eerlijk zeggen dat ik dat belangrijker vindt dan het verhaal erachter.»

(Joeri Boom)