William Kentridge, Black Box/Chambre Noir, 2005. Multimedia-installatie © William Kentridge / Deutsche Bank AG / The Solomon R. Guggenheim Foundation

In Zuid-Afrika zag ik voor het eerst kunst van William Kentridge en raakte ter plekke overdonderd. Het was een vluchtige kennismaking waar ik niet op was voorbereid. Liefst was ik teruggegaan om te ondervinden waarom de sobere beeldjes, de houtskoolschetsen en de zwart-wit animatiefilms me zo buitensporig aangrepen, maar ik reisde met een gezelschap waar ik me kort van had losgemaakt. We moesten de volgende dag weer verder.

Winternachten, nu Writers Unlimited, een Haagse cultuurstichting, had in de lente van 2003 de reis van schrijvers uit Indonesië, Nederland en Suriname naar Zuid-Afrika georganiseerd en verzorgde een aantal literaire programma’s in Durban en Kaapstad. Zuid-Afrika was een wereldberucht land met een gewelddadige, mensonterende geschiedenis van racisme en andere humane vunzigheid. Het land stond destijds nog voortdurend onder hoogspanning met schokken van politiek en crimineel geweld, al was er in 1994 een eind aan apartheid gekomen. Bepaald niet om onbezorgd heen te reizen.

Mogelijk omdat mijn eigen langdurige verbintenis met een deugmens die het zwartisme aanhing op drift raakte, laafde ik me aan berichten die ik had verzameld over Nelson en Winnie Mandela. Hun gezamenlijke strijd tegen het vermaledijde apartheidsregime werd met de botte bijl uiteen geslagen; het sprookjeshuwelijk spatte in een nachtmerrie uit elkaar. Ik werd er moedeloos van. Winnie en Nelson hadden geen haven gevonden in de harteloze wereld om hen heen.

Toen ik dan ook met een zekere aarzeling de uitnodiging van Winternachten aannam, probeerde ik me zo veel mogelijk te ontlasten van samengeraapte artikelen en krantenknipsels van Afrika-kenners en apartheidsexperts, om zonder die ogen in mijn nek met het auteursgezelschap dat als een zorgvuldig tropisch boeket was samengesteld mee op tournee te gaan.

Het is mooi iets te weten, schreef de bereisde auteur Adriaan van Dis, maar andermans inzicht kan ook je uitzicht bederven. Hij had onder meer De Zuid-Afrika boeken gepubliceerd, en het lot van de dichter/schilder Breyten Breytenbach, die door het apartheidsregime werd gekweld, onder de aandacht gebracht. De blanke Breytenbach werd zwart gemaakt, had ik ergens gelezen.

Leonardo da Vinci meende dat zwart geen kleur is, terwijl Renoir in zwart de koningin van de kleuren zag en Matisse zei dat zwart een kracht was (John Harvey: The story of Black).

Ik heb het altijd vermeden om een ‘zwarte vrouw’ te zijn, ik bedoel als zwart te worden geïdentificeerd. Voordat je het weet wordt van je verwacht dat je ritmisch bent, een koto draagt en grieft over het leed dat je voorouders is aangedaan door die kwelgeesten, de witte mannen. Neemt niet weg dat ik me bewust ben van mijn huidskleur, al was het maar door de manier waarop ik soms word bekeken; wat mijn waakzaamheid voedt.

‘Waar komt je interesse voor beeldende kunst vandaan? Hoe komt het dat je er zoveel van afweet?’ Het laatste, een aanname, wordt uiteraard bedoeld als compliment. Kleurvooringenomenheid strekt ver, maar het aanvaarden van de toegeschreven ‘zwarte identiteit’, wat het ook hoort te zijn, limiteert mijn wereld, mijn kijk op de wereld.

Ieder heeft zijn eigen manier om genot ook van kunst te ervaren. Mensen schijnen bij het staren naar de monochrome kleurvlakken van de schilder Mark Rothko hardop in snikken uit te barsten, weer anderen kijken gelukzalig naar een kopie van het zigeunerjongetje met de traan, boven het buffet in de beslotenheid van hun woonkamer. Zelf kan ik doorgaans niet verwoorden waarom een kunstwerk me aangrijpt.

Waarom grepen de sobere beeldjes en houtskoolschetsen me zo buitensporig aan?

Toen een vriend me ooit bij een bezoek aan het Kröller-Müller Museum vroeg waarom Stervend paard van Carel Visser zo’n indruk maakte, omdat ik te lang stilhield voor het beeld, werd ik monddood. Ik had kunnen zeggen dat ik eens een paard had, een warmbloed, Gea, waar ik stapelgek op was, maar daarmee deed ik het beeld van Visser tekort. Hetzelfde overkwam me tijdens een performance van Yayoi Kusama, zo’n vijftig jaar geleden in het propvolle Museum Schiedam, waar ik op een stoel klom om te zien hoe het kwetsbare leptosome lijf van een piemelnaakte Jan Schoonhoven zich aan de stippelende schilderskwast van de Japanse kunstenaar onderwierp. ‘Wat vind jij er nou van?’ Om die vraag te ontwijken bezoek ik musea en galeries bij voorkeur alleen. Net als destijds in Zuid-Afrika waar het werk in vele tinten zwart van William Kentridge me buitensporig aangreep.

Ik behoor tot de generatie die opgroeide met lege musea, die toentertijd ongelimiteerd toegankelijk waren. En in mijn puberjaren met Kunstgrepen, een beeldende-kunstprogramma dat Pierre Janssen in de jaren zestig op de televisie presenteerde en dat op gezag van mijn ouders moest worden gezien. ‘Daarvoor zijn we naar Holland gekomen. Om jullie horizon te verbreden…’ Elke zondag zaten we aan de tv gekluisterd en volgden geboeid en met licht vermaak, omdat de presentator zich zo grappig bewoog en zijn hele gezicht en lichaam liet meedoen. Steeds weer haalde de kunstkenner een ander beroemd werk uit de isolatie van een museumzaal en ontleedde het geduldig, tot in de kleinste details. Ik heb veel aan die voordrachten gehad, maar er ook van geleerd dat kunst zich moeilijk in woorden laat vatten. Toen ik jaren later in een lege zaal de kans nam om Het danseresje van Edgar Degas eindelijk eens in het echt te bekijken, verstoorde de in mijn hoofd rondzingende performance van Pierre Janssen het beeld.

William Kentridge was me voor de aangrijpende kennismaking vreemd, maar hij raakte een gevoelige snaar. Waar de tentoonstelling precies werd gehouden, weet ik gek genoeg niet meer. Was het Kaapstad of toch in een galerie in Johannesburg? Geen idee wat voor weer het die dag was, ook niet wie en wat me ronddwalend door de straten naar Kentridge had gedreven. De gemoedstoestand die me overkwam, bijna tienduizend kilometer verwijderd van mijn huis in vertrouwd Amsterdam, had wat zich in de loop van die dag had voorgedaan grotendeels overschaduwd, totdat ik William Kentridge zag. Wel herinner ik me het beeld van twee zwarte mannen die blootsvoets, midden op de snelweg, tegen het verkeer in elkaar achterna zaten, gewapend met stokken; de chauffeur gaf vol gas.

Uit het oog

Zolang de musea in Nederland nog dicht zijn en de musea in het buitenland onbereikbaar, kijken schrijvers vooruit naar de kunst die ze als oude vrienden willen weerzien zodra het virus dat toelaat. Uit het oog, maar niet uit het hart.

Een paar jaar na thuiskomst van de Zuid-Afrika-reis liet ik Amsterdam achter me om in Paramaribo te gaan schuilen. Mijn zwartistische wederhelft had een ander gekozen; ik voelde me een verliezer en beschimpt. Rusteloos vloog ik tussen de twee steden. De trans-Atlantische oversteek werd een oefening in onthechting. Ik raakte van alles kwijt, attributen die me dierbaar waren; foto’s, ook de dagboekjes die ik in Zuid-Afrika bijhield. Dat heb je met verhuizingen. Ik besloot uit zelfbehoud om maar niets te missen. Zelfs het gemis niet, legde ik Anil Ramdas uit onder het drinken van veel wijn op mijn terras. Hij had tot het reisgezelschap in Zuid-Afrika gehoord en we ontmoetten elkaar weer in Paramaribo waar hij writer-in-residence was, en er verlaten bij zat. Missen, zei ik, had met wat achter ons ligt, met de dood te maken, verlangen met het leven. Waar ik dan naar verlangde? Musea, de vrijheid om een galerie binnen te lopen, en de buitenwereld, al was het maar kort, op afstand te houden. Ik hoorde mezelf zeggen dat ik me erop verheugde ooit weer kunst van Kentridge te zien en ik vertelde over de korte, aangrijpende kennismaking in Zuid-Afrika die ik gedurende de reis voor me had gehouden.

Niet lang nadat ik het verlangen uitsprak zag ik William Kentridge in het Amsterdamse Joods Historisch Museum. In Black Box/Chambre Noir, een multi-mediakunstwerk, brengt Kentridge de volkerenmoord op tienduizenden leden van de Herero- en Nama-volken in Zuidwest-Afrika tot leven in een miniatuurtheater van hout en papier, aangestuurd door computers. Het woongebied van de twee volken, het huidige Namibië, werd indertijd deel van het Duitse protectoraat. In reactie op de landroof en uitbuiting kwam de bevolking met succes in opstand tegen de kolonisten. Tot woede van de Duitse keizer, die een generaal aanstelde om de opstand de kop in te slaan. Het Duitse legioen richtte een slachting aan waarbij naar schatting driekwart van de bewoners uit de weg werd geruimd.

Talloze archiefbeelden, landkaarten, foto’s van geketende slaven en veel meer wordt getoond. Geautomatiseerde figuurtjes vertellen, voortgedreven door een indringende soundscape, in 21 minuten het verhaal van de genocide tegen de achtergrond van beeld en videoprojecties. Met knuppels gewapend slaan twee zwarte schimmenfiguurtjes elkaar de schedel in, een ongewapende derde knielt en spat na klappen uiteen. Dit fragment herhaalt zich over en weer. Op de achtergrond klinkt Mozart. Ik zag de tentoonstelling driemaal, begreep lang niet alles wat de revue passeerde en vloog een paar dagen later terug naar Paramaribo, in zelfgekozen ballingschap.

Op een warme nacht, het was volle maan, keek ik uit het slaapkamerraam achter dievenijzers van mijn flatwoning over de weg. De diepe voortuin was aan de straatkant beschermd door een meer dan manshoog ijzeren hek met speerpunten aan de bovenkant. Opeens verscheen achter elkaar lopend een processie van zwarte silhouetten, een enkeling met een capuchon op, een rugzak om, bagage op het hoofd. Sommigen droegen stokken. Of waren het houwers?

In de verte galmde bazuinmuziek: Nader tot U.


Ellen Ombre is schrijver. Als alles meezit verschijnt dit jaar bij Nijgh & Van Ditmar haar slavernijroman Last