Interview met Bennie Jolink 

‘Uiteindelijk ben ik toch een softie’

Bennie Jolink (60) is het boegbeeld van de popgroep Normaal, maar op zijn solo-cd houdt hij zich verre van ‘biermeezingers’. Treurige liedjes eindigen niet meer met onderbroekenlol.

Als Bennie Jolink al een cd opzet, is dat er vaak een van Johnny Cash. Of van Hank Williams: ‘Williams heeft mij geleerd dat er niets meer nodig is dan een paar akkoorden en prachtige woorden. Al speelt die stem natuurlijk ook een grote rol. Zijn productiviteit was enorm. Zeker als je bedenkt hoeveel hij zoop. En al is hij maar 29 geworden, hij klonk nooit jong, maar altijd doorleefd.’ Maar meestal zet Jolink geen cd op: ‘Een paar jaar geleden dacht ik: laat ik Sgt. Pepper’s weer ’s draaien, dat was toen toch een enorme mijlpaal. Maar dan staat-ie net op en weet ik het weer. Ja, zo klonk-ie. Als ik een plaat eenmaal heb gedraaid, zit hij in mijn hoofd en hoef ik hem niet meer op te zetten.’

De muziek op Jolinks solo-album Opa, vertel es doet meer denken aan met name Cash dan aan zijn band Normaal. Jolinks stem klinkt ook beduidend dieper en lager dan voorheen. ‘Een paar jaar geleden mocht ik op een tribute een paar nummers van Johnny Cash zingen. Toen ontdekte ik dat dat timbre mijn eigen stem is. Eigenlijk heb ik twintig jaar lang gewoon liggen gillen. Op het podium, maar ook in de studio, waar een producer achter glas me aanmoedigde daar vooral mee door te gaan: ja, doe maar! Schreeuw! Nog harder!’

Niet alleen Jolinks stem en de muziek wijken af van die van Normaal, ook de teksten. Ze zijn serieus, soms ronduit donker. Enkele ervan dateren van een hele tijd geleden. ‘Uit een periode waarin ik niet zo’n zin had om biermeezingers te produceren. Ze stonden in een schriftje dat helemaal onder een stapel lag.’

Het zijn soms teksten met littekens, een woord dat hij zelfs letterlijk gebruikt in een titel. ‘Wat me wel heeft verbaasd is dat je, hoe diep je ook in de put zit, toch evenveel muziek blijft schrijven. Met zelfs een bloeitijd op het moment dat je uit die put komt. Voor een deel is dat het cliché van de lijdende kunstenaar, al is het natuurlijk onzin dat lijden een voorwaarde is voor kunst, zoals sommige mensen denken. Een vriend van me zei ooit dat alles wat je maakt voortkomt uit pijn. Daar zit wat in, maar aan de andere kant: er bestaan ook leuke dingen in het leven, en die verwerk ik net zo goed in mijn teksten.’

En niet zo zuinig ook, in het verleden. Al kijkt Jolink daar niet altijd met genoegen op terug: ‘Van huis uit ben ik een hypochondrische calvinist. Ik heb gemeend als kunstenaar in een feesttent liederen te moeten maken die plezier brachten. Dat voelde als een soort plicht. De consequentie daarvan is dat ik menigmaal de fout heb gemaakt treurige liedjes toch te laten eindigen met een clou van onderbroekenlol.’

Het leverde hem een imago op dat hij stilaan beschouwt als incompleet, en op momenten ronduit onjuist. Maar goed: ‘We hebben altijd wel twee serieuzere nummers op onze platen gehad, maar die kregen geen aandacht, en dat vond ik terecht. De onderbroekenlol kreeg die aandacht wel, en daarmee kwamen we dus op tv om te playbacken. Dat kan iedere mongool en ik werd daar verdrietig van, dus ging ik veel drinken, dus was ik jaar in, jaar uit dronken op tv. En ja, dat wordt dan dus het beeld.’

Aan Jolinks leven werd zowel een documentaire als een boek gewijd. Hij moest er laatst nog aan denken, toen de Wouter Tapes werden uitgezonden: ‘Ik heb die tapes niet gezien, alleen de fragmenten die steeds werden herhaald. Het lijkt me duidelijk dat hij dat niet had moeten doen, maar ja: dat is achteraf gemakkelijk lullen. Ik had bij zowel het boek als de film over mij het gevoel dat er niets onwaar was, maar wel veel incompleet. Het blijft een moeilijke afweging: wil je al die intieme dingen wel laten zien waarvan je je bij anderen afvraagt waarom je daar nou naar moet kijken. Maar ja, je wilt zo’n film of boek toch inhoud geven, dus dan moet je je openstellen. Alleen maakt een ander natuurlijk op het eind de selectie, en haalt hij eruit wat niet in zijn verhaal past. Dat ik wel eens niet dronken was, bijvoorbeeld, of niet ongelukkig.’

De kunst is om dat beeld zelf weer aan diggelen te slaan, zegt Jolink: ‘Wat Van Kooten en De Bie destijds met de Tegenpartij hebben gedaan, vind ik artistiek gezien heel bewonderenswaardig. Ze hebben het gewoon zelf om zeep geholpen, omdat het te veel hun andere activiteiten ging overschaduwen.’

Daarvoor is het nodig niet meer afhankelijk te zijn van het applaus van anderen. Op dat punt is Jolink beland, zegt hij stellig: ‘Het hengelen naar succes bij het publiek, dat is bij mij volledig verdwenen. Waardering van de buitenwereld interesseert me niks meer. Dat kan ik me natuurlijk inmiddels veroorloven, maar zelfs als ik dat niet kon, dan was het nog steeds zo. Dan had ik me bij dat gebrek aan waardering neergelegd. Vrolijk, zelfs. Daarom schrijf ik in het boekje van mijn cd: “Met dank aan niemand”. Dat is precies zoals ik het voel.’

Feesttenten, dat is het natuurlijke werkterrein van Normaal. Later, veel later, kwamen daar theaters bij, en nu voor het eerst ook clubs. Het moet allemaal naast elkaar bestaan, zegt Jolink: ‘’s Zomers moet je zwemmen, ’s winters moet je schaatsen.’

De verschillen tussen tent en theater zijn talrijker dan de overeenkomsten: ‘In een tent spelen, dat is uiteindelijk vooral een peut lawaai maken. Het is mijn eer te na om te doen, maar als ik daar alleen boeren en scheten zou laten, was het ook al goed. Ik heb wel eens geprobeerd een nummer in te leiden met een verhaal. Dan zie ik sommige mensen na twee zinnen al denken: klootzak, speel ’s door. Zo’n verhaal is een parel voor de zwijnen. Ik moet gewoon doorrammen. In het theater niet, daar klimmen de bezoekers niet in elkaars nek. In artistiek opzicht is het theater dus tien maal bevredigender. Maar het is ook moeilijker. En het betaalt slecht voor een band met zeven muzikanten en zeven man personeel. In een feesttent staan geen paar honderd maar een paar duizend mensen. Daar pikken wij een paar procentjes mee van de bieromzet.’ Lachend: ‘Die is bij ons niet gering, kan ik melden. Daar kennen ze ons motto: hoe meer jullie drinken, hoe beter wij klinken.’

Dat Jolink zich nu aanmerkelijk beter voelt dan in de periode waarin hij het gros van de teksten van zijn solo-cd schreef, ligt aan één omstandigheid in het bijzonder: zijn verbeterde gezondheid: ‘Ik ben nu zestig, maar voel me zoveel beter dan toen ik veertig was. Jarenlang werd ik hooguit veertig, vijftig keer per jaar wakker zonder pijn. De andere dagen ging het zonnetje pas in de middag gloren, als de geneesmiddelen begonnen te werken. Ik moet mezelf er alleen voor behoeden nu niet te veel hooi op de vork te nemen, want met mijn gezondheid kwam ook de ambitie weer terug.’ Hij wil nog veel laten zien. Dat er meer is dan ‘de dronkelap en de coureur’. Het klassieke verhaal van de artiest die zich gaat afzetten tegen de vereenzelviging van zijn talent met zijn grootste successen: ‘Ik wil ook met schilderen ooit iets achterlaten waar ik tevreden over kan zijn. En ik ben zelfs trombone gaan spelen. Op dit moment klink ik nog als een in het nauw gedreven olifant die belaagd wordt door bosjesmannen, maar ik geef voorlopig niet op.’

En dat allemaal door die gezondheid: ‘Iedere dag word ik jubelend wakker. Ik zou er bijna gelovig van worden.’

Maar niet helemaal. Want voor een besef van goed en kwaad, zegt Jolink stellig, ‘heb ik geen alles bestierende godsdienst nodig’. Bovendien, van de Tien Geboden ‘is de eerste voor mij koeterwaals. En het is toch vreemd dat we van onze schepper hersens hebben gekregen, maar als je die gebruikt weet je meteen dat de aarde nooit in zes dagen kan zijn geschapen en dat de Ark van Noach gelul is, want met maar twee beesten van iedere soort krijg je inteelt en kom je nooit verder dan de derde generatie. Maar blijkbaar mag je die gegeven hersens niet gebruiken.’

Hij is van de scheiding van kerk en staat, en van het openbaar onderwijs: ‘Prima als mensen onderwijs in godsdienst willen krijgen, maar niet op school.’

Dus het cda, waar wel wat mensen rondlopen voor wie Jolink sympathie heeft, viel bij de vorige verkiezingen af. Het werd Agnes Kant, ‘want ik vind dat de sterkeren voor de zwakkeren moeten zorgen. En ik vind dat onderwijs het allerbelangrijkste is, ook om armoede te bestrijden.’

De grotere aandacht voor dierenwelzijn zegt hij toe te juichen, al heeft hij niets met de Partij voor de Dieren: ‘Er wordt al veel nagedacht over betere omstandigheden voor dieren. Ook door boeren. Een boer die niet goed voor zijn dieren zorgt, wordt door andere boeren als een totale mislukkeling gezien. Ik geloof niet dat een dierenpartij uiteindelijk iets goeds oplevert voor dieren. De Boerenpartij was ook niet goed voor boeren. Ik heb daar nooit sympathie voor gehad. Het was een ultrarechtse partij: die gek van een Koekoek wilde zelfs dat we voor de blanke vluchtelingen zouden zorgen als de apartheid in Zuid-Afrika zou worden afgeschaft. En hij mishandelde zijn eigen dieren.’

Jolinks affiniteit met de agrarische sector – ‘al weet ik de samenstelling van veevoer echt niet uit mijn hoofd’ – is altijd groot geweest. De emancipatorische rol van Normaal valt niet te onderschatten, al benadrukt hij dat van opzet geen sprake was: ‘We zongen in het Achterhoeks, dus werden we voor boeren uitgescholden. Daar hebben we vervolgens een geuzennaam van gemaakt. Boeren inderdaad! Superboeren zelfs. Op dat gebied is gelukkig het nodige veranderd. Ik kan me herinneren dat ik een opvoering had op de kunstacademie, met allemaal angry young men. Eerst waren er de verwachtingsvolle blikken. Ik opende mijn mond en sprak mijn eerste tekst. Ik zag die blikken veranderen: o, het is maar een domme boer. Toen mochten nieuwslezers nog geen accent hebben, behalve natuurlijk Amsterdams.’

Daar woonde hij ook een jaar, in Amsterdam. ‘Met hangende pootjes’ keerde hij terug: ‘Naar het platteland, waar ik niet hoefde te denken dat ik heel bijzonder was.’

Maar aan die kunstacademie, waar hij studeerde, bewaart hij mooie herinneringen: ‘Een uit de klei getrokken boer in een omgeving zonder God of gebod! Je hoefde er niet eens op tijd te komen. En mooie meiden! En aardig!’ Grinnikend: ‘Goed, je moest wachten tot ze de leraren hadden gehad, maar op een dag kwam je wel aan de beurt. En dan kwamen er ook nog elke week mooie platen uit. Qua muziek waren de jaren zestig de mooiste tijd ever.’

Maar er was niet alleen plezier, er was ook nut: ‘Op de kunstacademie ging het over de vraag wie je was, waar je voor stond. De nadruk lag op oorspronkelijkheid. Ik heb daar veel aan gehad. Al wilde ik als nuchtere plattelander wel nadrukkelijk aantonen dat ik iets voorstelde, en mijn werk ook. Mijn eindexamenproduct was een groot boek vol bombastische, gezwollen bluftaal. Maar waar ik toen al over schreef, en waar ik nu nog steeds naar streef, was totaalkunst. Van woorden en muziek en beelden een geheel maken. Wanneer wij in theaters spelen, zijn de geprojecteerde beelden schilderijen van mij, die in de foyer dan worden geëxposeerd. Dat verlangen had ik op de kunstacademie al, al schreef ik het toen spijtig genoeg nog tenenkrommend gênant op.’

Het is een woord dat hij geregeld gebruikt: spijt. Jolink heeft veel geleerd, maar terugblikkend ook veel gedaan wat hij nu niet meer zou doen: ‘Succes herhalen, bijvoorbeeld. Dat lijkt zo logisch als je jong bent, terwijl je het juist niet moet doen.’

Zoals hij vond dat zijn zorgen particulier waren en zijn liedjes vooral anderen vrolijk moesten maken, zo vond hij ook altijd dat hij daadkracht moest uitstralen: ‘Ik ben een brok twijfel, altijd geweest. Maar ik vond dat ik klare, duidelijke, dappere – ja, vooral dat: dappere – beslissingen moest nemen. Altijd flink zijn. Dus ook de harde beslissingen nemen. Iemand uit de band zetten, bijvoorbeeld. Om er vervolgens zelf wakker van te liggen. Want uiteindelijk ben ik toch een softie. Ik ben blij dat ik me tegenwoordig veel minder afzet tegen mijn eigen twijfels.’

Bennie Jolink, Opa, vertel es (Flow Records)

Clubtournee Normaal: 3 mei Paard van Troje (Den Haag), 4 mei Hanenhof (Geleen), 5 mei Bevrijdingsfestival (Zwolle), 10 mei Tivoli (Utrecht), 12 mei Patronaat (Haarlem), 13 mei 013 (Tilburg)