‘uiteindelijk zal god alles zijn in allen’ heere heeresma jr.

In de bundel Sprookjes voor het sterven gaan, het debuut van Heere Heeresma jr., wordt tegen uiteenlopende achtergronden een variëteit aan anti-helden beschreven. De verbeelding van Heeresma jr. leidt de lezer langs grenzen van tijd en geografie en laat onder meer een vroeg-middeleeuwse gebochelde aan het woord, een zeventienjarige Britse trompetter die als kanonnevlees in de Eerste Wereldoorlog dient, een milieuactiviste uit de volgende eeuw, en een watersporter wiens zelfverkozen laatste vaart mislukt wanneer zijn boot niet diep genoeg wil zinken.

Het gesprek met de schrijver vindt op diens verzoek plaats in de bar van het Hiltonhotel, alwaar hij in trefzekere volzinnen en zichzelf begeleidend met royaal armenspel de motieven en geneugten van het schrijverschap uiteenzet. Als man van de wereld weet hij te voorspellen dat de ober, nadat hij koppen kokend water heeft opgediend, de bijbehorende theezakjes in houten dozen zal komen presenteren ‘als ging het om duelleerpistolen’.
Heeresma jr.: 'Ik moet de lezer erop wijzen dat er in mijn boek behoorlijk wat munitie doorheen gaat. Het vuurwapen vind ik het meest democratische instrument dat ooit door mensenhanden werd gemaakt. Het maakt van iedere zwakkeling een geweldenaar en van elke lafaard een held. Het geeft iedereen een stem. Die stem is er weliswaar een van slechts één lettergreep, maar als het een automatisch vuurwapen betreft, zijn het er wel weer een heleboel achter elkaar. Het is niet zo dat ik het vuurwapen idealiseer, maar ik heb er een groot respect voor. Zo realiseer ik me elke keer als ik een schot afvuur dat ik in feite vlak bij mijn gezicht, ogen en handen een explosie teweegbreng, en er bekruipt mij ook vaak een knagend gevoel van onbehagen als ik mij afvraag wat er zich ook weer achter mijn doel bevond.
In de Ardèche, waar ik ben opgegroeid, werd mij op jonge leeftijd reeds de liefde voor het vuurwapen bijgebracht. Naar school hoefde ik niet. Nog altijd ga ik prat op slechts drie jaar lagere school - en ik wil niet dat daar kleinerend over wordt gedaan. Mijn ouders waren van mening dat een school geen goede plek is voor opgroeiende kinderen, gezien de funeste invloed die het kan hebben op het ontluikende persoonlijkheidje.’
'OP MIJN dertiende levensjaar ving ik aan met schrijven. De aanleiding hiervoor werd gevormd door mijn slechte handschrift. “Jongen, jongen”, zei mijn vader, “wat heb jij een slecht handschrift. Daar gaan we wat aan doen. Hier heb je een schrijfmachine.” Mijn vader is een praktisch man.
Ik kreeg een mechanische kofferschrijfmachine en besloot gelijk een verhaal te gaan schrijven. Dat eerste verhaal ging over een echtpaar dat in een auto zit met op de achterbank een peuter, geheel volgens de regels van Veilig Verkeer Nederland vastgesnoerd in een veiligheidszitje. Op zeker moment komt de auto tot stilstand op een spoorwegovergang. Hij kan niet meer voor- of achteruit, en in de verte komt een trein aanrazen. In eerste instantie rennen man en vrouw de auto uit. Maar dan schiet hun te binnen: er zit nog wat op de achterbank! Dus terwijl de trein nadert, duiken ze weer de auto in en worstelen ze met riempjes en een stoeltje dat niet los wil komen. Tenslotte moeten ze het opgeven en op veilige afstand toekijken hoe auto en kind door de trein worden gegrepen. Ik herinner me de laatste zin nog die de man tegen zijn vrouw zegt: “Nou ja, we kunnen het altijd weer opnieuw proberen.”
Inderdaad heb ik nooit mijn eigen belevingswereld als onderwerp genomen. Het abstraheren zat er blijkbaar al vroeg in. Ik zou het geen kunst hebben gevonden om iets over mezelf te schrijven. Ik heb altijd het principe gehanteerd dat je het jezelf een beetje moeilijk moet maken en verhalen moet verzínnen.
Bij het schrijven van een verhaal weet je als schrijver natuurlijk altijd veel te veel. Dat is een handicap. De lezer weet immers niets. Dan moet je dus opletten dat je de lezer genoeg materiaal geeft, opdat hij weet waar hij is en hoe het eruit ziet, en daarmee dan zelf weer aan de slag kan. Het mooie van schrijven is namelijk ook de vrijheid van de lezer. Het verhaal begint in het hoofd van de schrijver. Wat hij opschrijft is een code die door de lezer in zijn eigen hoofd weer tot leven wordt gebracht, maar nu met zijn eigen kleuren, gezichten en geluiden. Mag ik hierbij mijn vader citeren? Hij zei: “In een film is een deur een deur. Maar als je 'deur’ schrijft, is die deur voor elke lezer anders. Daarom is het altijd de juiste deur, want het is zijn of haar eigen deur.”
Het schrijven van misdaadverhalen is veel moeilijker dan het schrijven van niet-misdaadverhalen. Ze doen een enorm beroep op de elasticiteit van je stijl. Een gewoon verhaal kun je met een sierlijke pirouette beëindigen - je geeft een kittige zinswending als slotakkoord en dan ga je snel van het toneel af, de coulissen in en onder de douche. Bij een misdaadverhaal gaat dat niet. Daarbij draait het om details, en het goed kunnen weergeven daarvan is nog een hele klus. Bij een misdaadverhaal neem je de handschoen op en zal je hem ook helemaal moeten uitdragen.’
HET VERHAAL 'Waarheen zal men gaan’ is de enige vertelling waarin een verbinding wordt gelegd tussen de wereld van de schrijver Heeresma en een geheel andere wereld. Heeresma jr.: 'Want wat gebeurt daar namelijk? Ik loop daar dus met twee tassen met koffie door de Warmoesstraat en zie daar in een etalage van zo'n leerwinkel iets wat ik echt opmerkelijk vind: een prent van een kale mannenkop met een paardehoofdstel. De mens wordt verdierlijkt.’
In het verhaal reageert de ik-figuur als volgt: 'En zoals wel vaker wanneer ik mij wil onttrekken aan een sfeer die mij wezensvreemd is, verplaatste ik mij naar de joodse gemeenschappen van vooroorlogs Oost-Europa, waar het leven zo hard was dat men geen tijd had voor de uit verveling voortkomende decadente tralala als hierboven beschreven.’ Heeresma jr: 'Ik heb vaak het gevoel in een film rond te lopen: The Invasion of the Bodysnatchers, en dan wel de tweede versie met Donald Sutherland en Jeff Goldblum. Mensen worden door buitenaardse wezens overgenomen en veranderen in zombies. Prachtige film. O, wat is dat een goeie film.
Ik kan inderdaad niet zeggen dat ik veel met de Nederlandse samenleving opheb. Vandaar dat ik dacht: Nou wil ik eventjes wegwezen, en zo kwam ik met die tassen en al in Pinsk terecht.’
IN HET IN EEN nabije toekomst spelende verhaal 'Opgeruimd staat netjes’ vertelt een milieu-activiste die zelf als eerste in de straat begon met haar afval te scheiden, over een maatschappij waarin de overheid met een beroep op het milieu alleen de allersterksten nog kinderen laat krijgen en ouden van dagen en gehandicapten in speciale tehuizen laat 'uitdoven’.
Heeresma jr.: 'Ik ben al schrijvende tot een aantal conclusies gekomen over de plaats van de mens op de wereld. De conclusie van die mevrouw is dat de mens zijn plaats dient te weten tussen de andere dieren en daar ben ik het dus volstrekt niet mee eens. De mens is volkomen in tegenspraak met de natuur en daarmee op geen enkele manier te verenigen. In dit kader wil men de indiaan nog wel eens naar voren brengen, als voorbeeld van de mens die één is met de natuur. Maar ik ben ervan overtuigd dat een eerlijke indiaan u zal bekennen dat hij zijn hele leven last heeft gehad van kiespijn, het aldoor erg koud had, en dat er bitter weinig variatie zat in zijn dieet.
Misschien is de enige hoop voor de mens wel een echte theocratie, waarbij niet een of andere baardmans het voor het zeggen heeft maar God zelf de zaken in goede banen leidt. De bijbel spreekt over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Daarin is dus geen glasbak nodig. Die dient slechts om ons te ringeloren en te terroriseren. Milieu is de bankschroef geworden waarmee de burger in dit land steeds verder wordt uitgeperst. De rijksregering, die natuurlijk beseft dat de mensen dit zo zien, heeft zijn handen ervan afgetrokken en alles gedelegeerd aan de gemeenten. Maar de druk op de burger is er alleen maar zwaarder door geworden.
Bij mij gaat al het vuil in één zak, want uiteindelijk zal God alles zijn in allen en is er dus geen reden om het afval te scheiden.’