Uiteindelijk zal hij breken

MICHAEL OTTERMAN
AMERICAN TORTURE: FROM THE COLD WAR TO ABU GHRAIB AND BEYOND
Melbourne University Press, 296 blz., $ 32.95

Abu Ghraib, Guantánamo Bay en de geheime Amerikaanse gevangenissen staan inmiddels symbool voor de meest recente ontsporingen van de Verenigde Staten in het gevecht tegen hun vijanden. Dat er wordt gemarteld en de grenzen van het toelaatbare worden opgerekt staat wel vast. Maar wat is de oorsprong van de gebruikte methoden en welke filosofie schuilt erachter? Dat vraagt de in New York woonachtige Australische journalist Michael Otterman zich af in zijn recent verschenen boek American Torture. Hij komt daarmee tot een fascinerende geschiedenis over de ondervragingstechnieken van het Amerikaanse leger en de geheime dienst cia.
De oorsprong van de Amerikaanse ondervragingstechnieken moet volgens Otterman worden gezocht in de beginjaren van de Koude Oorlog. Het communisme maakt vlak na de Tweede Wereldoorlog een snelle opmars. De Sovjet-Unie test in 1949 haar eerste atoombom en in China komen de communisten aan de macht. De Amerikanen zijn ervan overtuigd dat het communisme heerschappij over de wereld nastreeft en daarbij nietsontziend te werk gaat. In die periode worden Amerikanen in het Oostblok berecht die bekentenissen van staatsvijandige activiteiten afleggen. Bij deze showprocessen lijkt het of de verdachten gehersenspoeld zijn. De brandende vraag is welke ondervragingstechnieken de sovjets gebruiken. Hoe is het mogelijk dat ze iemands denken kunnen controleren?

Wellicht is er sprake van een ‘waarheidsserum’. De in 1947 opgerichte cia wordt onder andere belast met onderzoek naar ondervragingstechnieken van de vijand en wat de Amerikanen ‘mind control’ noemen. In het diepste geheim begint de cia te experimenteren met drugs als mescaline, lsd, marihuana, heroïne en cocaïne. Proefpersonen zijn soldaten van ‘laag allooi’, verslaafden, potentiële geheimagenten en vluchtelingen. Ook een cia-onderzoeker wordt slachtoffer van het geëxperimenteer. In 1951 doen agenten tijdens een vergadering lsd in het drankje van Frank Olson, gespecialiseerd in biologische wapens. Olson heeft een bad trip. Hoewel na twaalf uur de drug is uitgewerkt, blijft hij depressief. Op kosten van de cia wordt hij voor behandeling overgevlogen naar New York, waar hij van de tiende verdieping van het Statler Hotel valt of springt. De cia blijft nog lange tijd vruchteloos met drugs experimenteren.

Het Amerikaanse leger is een stuk pragmatischer. Ze willen soldaten die grote kans lopen gevangen genomen te worden, wapenen tegen de ondervragingstechnieken van de vijand. Daartoe wordt in 1953 een ‘gevangenen opleidingscentrum’ van de luchtmacht in Zuid-Korea geopend. De Korea-oorlog is in volle gang en vooral piloten vallen in handen van de vijand. Rekruten krijgen een training van zes dagen gericht op totale afzondering, slaaponthouding en zogenaamd zelf toegebrachte pijn. De cursus is gemodelleerd naar de ervaringen van door de sovjets en Chinezen vrijgelaten Amerikaanse krijgsgevangenen. Totale uitputting wordt nagestreefd door iemand continu uit de slaap te houden, op de meest onverwachte momenten te ondervragen en totaal te isoleren van de buitenwereld. Rekruten worden gedwongen 24 uur achtereen te staan. Na verloop van tijd ontstaan hevige pijnen en de onderbenen zwellen op. De pijn wordt niet veroorzaakt door de ondervrager, maar door de ondervraagde zelf, zo luidt de filosofie, en uiteindelijk zal hij breken.

Een Amerikaan die in Hongarije is gearresteerd, vertelt na zijn vrijlating dat de eerste ondervraging 78 uur duurde. Na zestig uur begon hij te hallucineren. Vervolgens mocht hij steeds anderhalf uur slapen en werd opnieuw achttien uur achter elkaar ondervraagd. Daarna werd hij naar een ondergronds onderkomen gebracht. Hij werd uitgekleed. De vloer was nat en het was er koud. Hij mocht zich niet wassen en kreeg alleen brood en water. Toen hij na vijf dagen weer naar zijn ondervragers werd gebracht, tekende hij een verklaring.

Twee aan de gevangenenopleiding in Korea verbonden wetenschappers, Hinkle en Wolff, komen in 1957 met een rapport waarin de methode van ondervraging door communisten wordt gekarakteriseerd als verzwakking, afhankelijkheid en angst: DDD (Debility, Dependency, Dread). Lichamelijke uitputting moet de gevangene verzwakken, iedere basisbehoefte van een mens wordt een gunst, waardoor het de gevangene duidelijk wordt dat hij totaal afhankelijk is van zijn ondervragers, en onzekerheid over zijn eigen lot of dat van zijn geliefden moet een permanente angst inboezemen. De onderzoekers betitelen dit als ‘marteling en fysieke druk’.

Je hoeft er dus geen gewelddadige en bloederige toestand van te maken om iemand te breken. De cia neemt in de jaren zestig de Debility, Dependency en Dread-methode over. De methode wordt verfijnd. Bijvoorbeeld door klimaatcontrole in de cel, waarbij het het ene moment bloedheet is en het andere ijskoud. Als de temperatuur laag wordt gehouden, worden de gevangenen natgegooid. Iedere notie van dag en nacht, ieder besef van tijd wordt een gevangene ontnomen. De gevangene ziet geen natuurlijk licht. Er wordt gemanipuleerd met de tijden tussen maaltijden. Soms krijgt een gevangene na twee uur al weer een maaltijd, andere keren pas na twaalf uur. De kwaliteit van het voedsel wisselt al naar gelang iemand meewerkt. Er wordt gebruik gemaakt van hard geluid en stroboscopisch licht, waardoor iemand niet kan slapen of tot rust komen. Ieder object waar de gevangene enige identiteit aan kan ontlenen wordt hem ontnomen. Hij wordt ontdaan van zijn kleren en in een overall gehesen of naakt in de cel gestopt.

De gevangene moet ontmenselijkt worden. Hij moet het idee krijgen dat hij niet meer uit deze situatie kan komen tenzij hij meewerkt. Het misbruik van de koran, de seksuele vernederingen, het gebruik van honden: Abu Ghraib en Guantánamo Bay zijn duidelijke exponenten van deze methode. Ieder facet draagt bij aan de verzwakking, het gevoel van afhankelijkheid en de angst van een verdachte. Ook al lijken de afzonderlijke methoden als het natgooien van de gevangene, het gebruik van harde geluiden, het blinddoeken of totale isolatie onschuldig. Na het lezen van American Torture begrijp je dat het hele complex van condities waaronder iemand wordt vastgehouden en ondervraagd een uitermate verfijnde methode van marteling is.

Het tweede deel van het boek gaat over de ontsporingen tijdens de war on terror en hoe de regering van George W. Bush daar een wettelijk kader voor creëerde. Hoewel Otterman zijn best doet te ontrafelen welke diensten wat doen, blijven er veel vragen liggen. Het is duidelijk te vroeg om een geschiedenis te schrijven over de ontsporingen in de war on terror. Maar om begrip te krijgen van de methode zelf en haar oorsprong is dit verplichte kost.