Opheffer

Uiterlijk in je polemiek

Karel van het Reve zei eens tegen mij dat je beter kon polemiseren over ideeën dan tegen bepaalde mensen. Maar, zei hij er bij, het was wel veel leuker om polemieken te lezen die tegen bepaalde mensen waren geschreven. Hij zei dit op een feest van Propria Cures waar ik toen redacteur van was. Wij — de redacteuren van PC — werden er toen van beschuldigd in de voetsporen van de nazi-journalist Julius Streicher te treden.

Karel zei — en ik citeer hem in mijn eigen woorden want het is alweer dertig jaar geleden: «Als je mensen bestrijdt, moet je dat heel goed doen. Doe je het niet zo goed, dan maak je je tegenstanders beroemd en bereik je precies het tegenovergestelde van wat je beoogt. Verder, zo heb ik ontdekt, wordt je stuk altijd gedateerd en dus onleesbaar als je tegen mensen van nu schrijft. Je kunt nu schrijven: die Karel van het Reve is een zwetser met een dubieus oorlogsverleden. Maar het is nog maar de vraag of men die Karel van het Reve over dertig, veertig of honderd jaar nog kent. En of mijn dubieuze oorlogsverleden tegen die tijd nog dubieus wordt genoemd. Die Karel van het Reve kan postuum best uitgeroepen zijn tot volksheld, en dan slaat je polemiek nergens meer op want dan ben jij de volksverrader en kan het zo zijn dat ze je in de gevangenis stoppen zonder proces. Ik ken landen waar dat is gebeurd. Dat gevaar is altijd aanwezig als je polemiek bedrijft.

Ook is het niet verstandig om iemands uiterlijk in je polemiek te betrekken, een fout die jullie jongeren vaak maken. Jullie beseffen niet dat jullie zelf straks ook lelijk worden, want dat gebeurt nu eenmaal als je ouder wordt. En dan gaan er weer jongeren over jullie schrijven dat je zo oud en lelijk bent en die hebben dan, net als jullie nu, altijd gelijk.»

«Maar Karel, ben je een fascist als je iemands uiterlijk in de maling neemt?» vroeg ik toen. (Die vraag speelde.)

Karel twijfelde en zei toen: «Dat kun je zo niet zeggen. Als iemand een heel beroerd uiterlijk heeft, kun je niet doen of er niets aan de hand is. Maar verder is het eerder onverstandig om iemands uiterlijk in je stuk te betrekken als je iemands redenering onderuit probeert te halen. Dat leidt af. Als ik schrijf dat Dick Hillenius niets van Darwin begrijpt en dat hij er uitziet als een aap, dan wordt het heel moeilijk om van dat beeld van die aap af te komen als je zijn mening over Darwin wilt bestrijden. Je blijft steeds die aap zien. Poesjkin schijnt eruit te hebben gezien als een neger. Dat viel zijn tijdgenoten ook op. Misschien dachten ze wel: wat een rare neger. Maar ze hebben dat nooit ingebracht. Ze wisten indertijd waarschijnlijk niet wat de vooroordelen over negers waren, want die speelden geen rol. Joden wel. Die kom je ook herhaaldelijk in de Russische literatuur tegen. Bijna altijd negatief. Je valt erover. En dus is het niet goed. Het leidt af. Als je nu zou schrijven, die Renate Rubinstein is een rotjodin en daarom mag ze nergens schrijven, dan zou ik ernstig over wegen om je een klap te verkopen en ik zou zeker mijn abonnement op Propria Cures opzeggen.»

Ik hoop maar dat ik dit goed heb onthouden. Ik heb toen wel aantekeningen gemaakt, daags nadien. Maar of het gesprek precies zo is verlopen, nogmaals: pin me er niet op vast. Ik vroeg toen ook: «Heb jij wel eens iemands uiterlijk als onderwerp voor polemiek genomen?» Karel schudde zijn hoofd en zei: «Nee, maar als ik een misdadiger in een verhaal nodig heb, noem ik hem wel altijd Teun.»

Karel doelde op Teun de Vries die over Karels vader gezegd zou hebben dat die in de oorlog een verraderlijke rol had gespeeld.