© Anna June

Soms vraagt iemand aan me wat voor relevantie psychoanalyse nog heeft in de 21ste eeuw. Dat is een gemene maar goede vraag.

Ik moet dan altijd denken aan Thomas Merton, de oude Amerikaanse trappistenmonnik van de abdij van onze lieve vrouw van Getsemani in New Haven, Kentucky.

In een brief aan een vriend schreef hij eens: ‘Ons leven heeft een innerlijke dimensie van diepte en bewustzijn die systematisch wordt genegeerd door onze huidige manier van leven, die compleet is ingericht op uiterlijkheden. Ons leven raakt versnipperd door “dingen” en is gestoeld op een oppervlakkige notie van ons “zelf” en de relatie tussen wat er zich binnenin ons afspeelt en wat erbuiten.’

Ondertussen scroll ik op Twitter en krijg ik het gevoel dat ik naar een langzaam afbrandend gebouw sta te kijken. @elonmusk heeft zojuist een meme getweet van een monnik die op het punt staat zich te vergrijpen aan een jonge vrouw.

En Merton gaat verder: ‘We hebben behoefte aan innerlijke vrijheid en visie. Eén die je alleen kunt vinden in de verwantschap met het onbekende in jezelf. Dat is niet alleen het psychologische onbewuste, het is méér dan dat. Het is wat Paul Tillich de grond van ons wezen noemde.’

Als je Merton niet kent, zoek hem dan eens op. Hij was een katholieke mysticus, dichter en uitgesproken tegenstander van de Vietnamoorlog. Toen een CIA-agent werd gevraagd of hij Merton in 1968 in een hotelkamer in Bangkok had doodgemarteld om zijn stellingname tegen het Amerikaanse imperialisme, wilde de agent dat ‘bevestigen noch ontkennen’.

Thomas Merton schreef in de jaren vijftig. Ons innerlijke leven lag toen al onder vuur. De samenleving is volgens hem zó ingericht dat mensen voortdurend bezig zijn met uiterlijkheden. Zo veronachtzamen we volgens hem de dingen die uit ons binnenste komen: onze dromen, fantasieën, gedachten. De dingen die ontspruiten aan de grond van ons wezen. Dingen die we denken en voelen als we alleen zijn met onszelf; met God, zou Merton hebben gezegd.

‘Ben je weer aan het doomscrollen?’ vraagt mijn geliefde.

In Mertons tijd waren er kranten, radio, televisie. Ik stel me voor dat dat de afleidingen zijn waar hij het over heeft als hij zegt dat we een ‘uiterlijk’ leven leiden.

Sinds Mertons tijd zijn we alleen maar meer afgeleid. Als ik moe ben na een dag werken, trek ik me terug achter mijn beeldscherm voor ontspanning. Iemands kitten is opgegroeid. Anna en Jos zijn weer op vakantie. De boekpresentatie van mijn collega was een groot succes.

Misschien vóelen zulke ervaringen wel als alleen zijn met je gedachten, maar is dat ook zo? Wat me het meest beangstigt aan het gebruik van internet is dat het zo lijkt op denken. Op Twitter scrollen vóelt als een innerlijke ervaring, maar het internet is in werkelijkheid een exterieure interioriteit.

Je zou zomaar het schrijven van een tweet kunnen verwarren met het hebben van een oorspronkelijke gedachte.

Wat ik wil zeggen is: er zijn niet veel plekken waar we nog écht alleen zijn met onszelf; waar we aandacht geven aan onze innerlijke visie. Als we een wandeling door de duinen maken, of in de spreekkamer. Alleen op zulke momenten voelen we ‘een verwantschap met het onbekende in onszelf’. Misschien is dat de grootste relevantie van psychoanalyse vandaag: het geeft je de mogelijkheid om stil te staan bij datgene wat er als vanzelf in jezelf ontstaat.

Zo boven, zo beneden.