Uiterst productief en Pruisisch

HEW STRACHAN
OVER VOM KRIEGE VAN CLAUSEWITZ
Vertaald door Aris van Braam
Mets & Schilt – Roularta Books, 201 blz., € 18,-

De canongekte is niet een exclusief Nederlands fenomeen. In de Engelstalige wereld bestaat, vooral sinds de verschijning van Allan Blooms geruchtmakende The Closing of the American Mind (1987), de neiging om lijstjes van ‘great books’ op te stellen, titels die ieder ontwikkeld mens gelezen moet hebben. Er bestaan tal van boeken waarin deze canonieke teksten op handzame wijze worden samengevat, zodat ook de wat luiere Bildungsbürger op feesten en partijen mee kan praten, maar ook zijn er reeksen waarin de boeken zelf worden herdrukt. De Britse uitgeverij Atlantic Books kwam evenwel met een tussenvorm, namelijk de serie Books that Changed the World, waarin gezaghebbende auteurs een niet al te omvangrijk boek over dergelijke epochemachende titels schrijven. In deze serie, die ook in Nederlandse vertaling verschijnt, schreef bijvoorbeeld Karen Armstrong over de Bijbel, Simon Blackburn over Plato’s Politeia, P.J. O’Rourke over The Wealth of Nations van Adam Smith, en Alberto Manguel over de Ilias en de Odyssee.
Wanneer deze reeks door een Nederlandse uitgever was opgezet, is het de vraag of er ook een deeltje was verschenen over Vom Kriege van Carl von Clausewitz. Nadenken over oorlog, anders dan in strikt afkeurende zin, is hier nooit erg populair geweest, wat voor een volk dat zichzelf vaak roemt om zijn nuchtere en realistische kijk op de werkelijkheid eigenlijk nogal vreemd is. Dat het tussen 1832 en 1834 verschenen Vom Kriege wel degelijk thuishoort in een reeks die een overzicht wil bieden van de great books van onze cultuur blijkt duidelijk uit het boek dat de Britse militair historicus Hew Strachan hierover geschreven heeft.
Het postuum uitgegeven magnum opus van de uiterst productieve Pruisische generaal en publicist Clausewitz (1780-1831) is, evenals ‘de roman’, in de loop der jaren herhaaldelijk ‘dood’ verklaard. Omdat het gebaseerd was op de praktijk van de napoleontische oorlogen, waarin Clausewitz tegen de Fransen had gevochten, zou het boek als gevolg van de enorme technologische ontwikkelingen zijn relevantie hebben verloren. Strategieën die werden ontwikkeld in de tijd van voorladers en cavalerie zouden in het tijdperk van smart bombs en kernwapens van nul en generlei waarde zijn. Bovendien was Clausewitz’ referentiekader de opkomende natiestaat – waarbij hij zou uitgaan van de ‘drie-eenheid’ van volk, regering en leger – terwijl we volgens militaire theoretici als Martin van Creveld en Mary Kaldor nu in een periode zijn beland waarin oorlogen vooral worden gevoerd door krijgsheren, guerrillabewegingen en andere ongeregelde bendes. In tegenstelling tot staten streven dergelijke strijdende groeperingen geen politieke doelstellingen na, maar hebben zij belang bij het zo lang mogelijk rekken van het conflict. Vandaar dat Clausewitz’ concept van oorlog als de voortzetting van politiek met andere middelen weinig behulpzaam zou zijn bij het begrijpen van hedendaagse oorlogen.
Voordat hij ingaat op de ontstaansgeschiedenis en de gecompliceerde structuur van Vom Kriege, en op de hedendaagse kritiek, geeft Strachan een overzicht van de receptiegeschiedenis van het boek. Tot 1871, toen na een reeks oorlogen het Duitse keizerrijk ontstond, werd het boek in het buitenland nauwelijks gelezen. Daarna nam niet alleen in Frankrijk de belangstelling enorm toe, ook in Duitsland zelf werd het keer op keer herdrukt en ontstond de mythe dat de militaire successen te danken waren aan de toepassing van de denkbeelden van Clausewitz. Strachan laat echter zien dat de architect van de Duitse overwinningen, Helmuth von Moltke, nauwelijks door Clausewitz was beïnvloed en bovendien niets wilde weten van het door hem bepleite primaat van de politiek.
Na de Eerste Wereldoorlog stelde de Britse militaire theoreticus Basil Liddell Hart Clausewitz verantwoordelijk voor het bloedbad van 1914-18, terwijl de Duitse historicus Hans Delbrück betoogde dat als zijn landgenoten Vom Kriege echt bestudeerd hadden ze de oorlog wellicht hadden gewonnen. Of het nu de nazi’s of de communisten waren, of de Franse filosoof Raymond Aron of de jeugdige Vietnam-veteraan Colin Powell, allemaal probeerden ze ‘naar eigen beeld en gelijkenis’ een andere Clausewitz te boetseren.
Dat dit mogelijk was, komt volgens Strachan doordat het boek niet alleen heel omvangrijk is, maar bovendien zichzelf dikwijls tegenspreekt. Dat laatste wordt veroorzaakt door het feit dat Clausewitz het niet heeft kunnen voltooien. Van de tien boeken waaruit Vom Kriege bestaat geldt eigenlijk alleen hoofdstuk 1 van boek 1 als ‘definitief’. Al het andere materiaal wilde Clausewitz nog herzien. Het is volgens Strachan duidelijk een work in progress, waardoor men het niet kan opvatten als een systematisch geheel. Bovendien had Clausewitz, zoals zoveel tijdgenoten, een forse tik van de hegeliaanse molen gekregen, waardoor het in de tien boeken wemelt van de ‘drie-eenheden’, zodat iedere lezer zijn eigen ‘essentie’ eruit kan halen. Duidelijk wordt dat nagenoeg alle Clausewitz-interpretaties, of ze afkomstig zijn van bewonderaars of van critici, het resultaat zijn van selectief lezen, waarbij opvalt dat de meeste auteurs zich beperkten tot een vrij klein gedeelte van dit omvangrijke werk.
Omdat Clausewitz niet snel tevreden was, en telkens als hij tot een bepaalde conclusie was gekomen geneigd was die kritisch te herzien, kan Vom Kriege voor hedendaagse militairen, politici en organisatiedeskundigen nog altijd fungeren als een bijzonder rijke Fundgrube.