Theater

Uitgang? Afgang?

Theater: Truus Bronkhorst en Marien Jongewaard maken Exit

Soms lukt het me voorafgaande aan een voorstelling he-le-maal van niets te weten. Toen ik aanschoof voor Exit wist ik van niks. Ik kan het u aanraden.

In het witte decor dat eruitziet als een kleedkamer annex balletstudio wandelt Marien Jongewaard op in een stemmig zwart kostuum. Hij begint een monoloog, wat heet: een scheldkanonnade. Mikpunt: een hoer. Meer in het bijzonder: een danshoer. Het subject van dit gescheld zit ondertussen in een kartonnen doos waar «teatro» op is gekalkt. Truus Bronkhorst – zij is het – kruipt na de monoloog uit de doos, begeeft zich naar een kleedkamerspiegel, schminkt zich wit, spreekt teksten die gaan over de oneindige passie van de theatermaker, en wordt ondertussen door een van de dansers gefilmd – het beeld wordt in de witte ruimte groot geprojec teerd. Als de artistieke leiding is uitgesproken, beginnen de kleedkamerrituelen van de vijf dansers. De warming-up van dansers is een van de meest fascinerende rituelen die ik in het theater ken. Er gebeurt schijnbaar nog helemaal niks. Maar de lijven van de dansers transformeren geleidelijk tot wat de Russische theatermaker Meyerhold ooit «atleten van het hart en de ziel» noemde. Dans stelt dans voor (de wet van cho reograaf Hans van Manen), in de aanloop naar de dans stelt lijf vooral lijf voor, een bundel spieren die zich warm draait voor de ultieme schoonheid. Dansende spieren in een lichaam dat nog niet danst.

De vrouwen beginnen. Hun lijven hebben ze wit geschminkt, ze zijn uitgedost met lelijke broekjes en strakke borstweringen, ze dansen alles wat ze aan beweging in huis hebben, ze dansen zich weg voor de poorten van de hel, ze vallen, schreeuwen, hoofd omhoog, armen gespreid, bekken naar achter, benen in brutale spagaten, uitdagend gespreid – ze durven zó meedogenloos lelijk te zijn dat ik echt niet meer weet waar ik kijken moet. Als tomeloze furiën dansen ze de poorten van de hel, nee, van het paradijs (is er een verschil?) open. De dansvloer is nu voor de verdrevenen, twee jongens die «Adam» en «Eva» op hun borst hebben gekrast – teksten die in de wildheid van hun duet verwateren in het zweet van hun verpletterende dans. Ze zijn hun microkosmos kwijt, tuimelen in een wereld die ze niet kennen, die ze ook niet willen kennen. Ik heb zelden zo’n mooi mannenduet gezien – liefdevol, wanhopig.

Daarna is het nog niet gedaan. Een danseres schudt zich los van de barre. Op een geluidsdecor van een jazzy zingzegger die maar door blijft ouwehoeren en zingzeggen, toont die ene danseres nog eens alle pijn waarmee deze voorstelling tot stand kwam (komt?). Ik hoor (was het dáár?) weer de stem van Marien Jongewaard. Hij scheldt niet meer. Hij constateert. «Ze heeft een strenge arm… Ze maakt van iedere beweging een ideologisch dispuut… Ze hebben haar een brief gestuurd… Ze bedanken haar niet voor de moeite.»

Thuis lees ik dat Truus Bronk horst en Marien Jongewaard vanaf ongeveer heden geen meerjarige subsidie meer krijgen. Ik raadpleeg mijn woordenboek. Exitus: weggaan, uitgang, afloop, afgang, levenseinde. Het zal toch niet waar zijn! Lievelingsuitspraak van een van mijn ex-studenten: «Ik heb zin in een Bronkhorst&Jongewaard.» Dit is geen exit, dit is een veelbelovend nieuw begin (sprak de onverbeterlijke cultuuroptimist).

Exit, nog tot en met 21 april overal in Nederland. Inlichtingen 020-6934551 (De Stichting van de Toekomst)