Voorpublicatie

Uitgehold

Bijna nergens in Europa heeft flexwerk zo om zich heen geslagen als in Nederland. Er zijn nu meer dan drie miljoen Nederlandse flexwerkers onder wie ruim een miljoen zzp’ers. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt leidt het gebrek aan deugdelijke arbeidsvoorwaarden tot schrijnende taferelen.

Waalwijk, Het topdrukte bij bol.com in voorbereiding op de feestdagen. Dagelijks worden duizenden bestelde artikelen ingepakt en verzonden vanuit het distributiecentrum. 14-11-16 © Merlin Daleman/Rights Managed

‘Ik ben erg gehecht aan mijn vrijheid. Met Temper kan ik zoveel werken als ik wil, en wanneer ik wil.’ Aldus de 26-jarige Simon Isaac, die zich als barman laat oproepen via ‘digitaal prikbord’ Temper. Opdrachtgevers kiezen hem uit voor een eenmalige shift aan de hand van zijn rating door voormalige bazen, van tussen de een en vijf sterren. Bij Temper is niet alleen je contract flexibel, maar ook je baas en je collega’s.

Per gewerkt uur krijgt Temper één euro van Isaac en twee euro van zijn opdrachtgever. Die laatste draagt geen pensioen- en sociale-zekerheidspremies af en is dus goedkoper uit terwijl Isaac niet verzekerd is en geen pensioen opbouwt. Hij snapt best dat dit de enige reden is dat hij iets hogere uurtarieven krijgt, maar voelt zich geen verliezer. ‘Ik ben pas 26 en fysiek in orde, dus ik denk niet dat er snel iets zal gebeuren.’

Niek-Jan van Kesteren is voormalig directeur van werkgeversorganisatie VNO-NCW en onderhandelde in het verleden voor meer flexibele arbeidswetten, die minder risico opleveren voor de ondernemer en meer voor de werknemer. Platforms als Temper zijn de nieuwste uiting van de flexibilisering die de Nederlandse arbeidsmarkt de afgelopen kwart eeuw overspoelde. Een typisch Nederlands verschijnsel bovendien: bijna nergens in Europa heeft flexwerk zo om zich heen geslagen als bij ons. Er zijn nu meer dan drie miljoen Nederlandse flexwerkers onder wie ruim een miljoen zzp’ers.

Missie geslaagd, zou je zeggen. Maar als we Van Kesteren met die dubieuze zege feliciteren, wil hij daar niet van horen. Hij vindt niet dat de werkgevers hebben gewonnen. ‘Het is in ieder geval niet het soort overwinning dat de moeite waard is. Je moet je afvragen: is dit sociaal goed? Ik verbaas me erover dat de vakbond geen toestroom van mensen heeft, en de SP geen dertig Kamerzetels. Is de ellende dan niet zo groot?’

Het is raadselachtig: Isaac, de ogenschijnlijke verliezer van de steeds onzekerder arbeidsmarkt, voelt dat hij wint, omdat hij hogere tarieven en meer vrijheid krijgt. Werkgeversman Van Kesteren, de winnaar, praat alsof hij verloren heeft. Ondertussen gaat het Nederland economisch voor de wind. De economie groeit en de winsten van bedrijven blijven stijgen. Uitzendbureaus zoeken door heel Europa naar goedkope handen om Nederlandse distributiecentra, fabriekshallen en slachthuizen productief te houden. En nog steeds is in veel sectoren de vraag naar arbeid groter dan het aanbod. Toch gaan de lonen niet omhoog en worden de moderne dagloners niet in vaste dienst genomen.

Podcast Investico

In deze aflevering van Speurwerk hoor je hoofdauteur Emiel Woutersen over het allereerste boek van Investico: Uitgebuit. Emiel Woutersen werkte daarvoor samen met vier andere redacteuren van Investico. Hun verhaal gaat van moderne slavernij naar arbeidsuitbuiting tot doorgeschoten flexibilisering. Luister naar de nieuwe aflevering van Speurwerk.

Luister nu

Ergens begin deze eeuw is afscheid genomen van zekerheden over werk en inkomen waarvoor soms een eeuw strijd is gevoerd. Dat gebeurde geleidelijk, zonder duidelijke markering, in minder dan twintig jaar tijd en grotendeels zonder maatschappelijke ophef te veroorzaken. Toen we uit die sluimer ontwaakten, was het te laat.

Hoe zijn we uitgerekend in het ‘egalitaire’ Nederland, met zijn beroemde polderoverleg, hierin terechtgekomen? Die vraag was aanleiding voor een journalistieke zoektocht waarvan we verslag doen in het boek Uitgebuit dat deze week verschijnt. Gedurende anderhalf jaar interviewden redacteuren van Platform voor onderzoeksjournalistiek Investico een Indonesische schoonmaakster, een Chinese kok, een Marokkaanse tuinbouwknecht, Nederlandse fabrieksarbeiders, Poolse magazijnmedewerkers, Hongaarse cruisemedewerkers, collega-journalisten en universiteitsmedewerkers wier werksituatie almaar onzekerder werd, en vele anderen. Om arbeidsuitbuiting en onrecht te beschrijven, merkten we, is het niet nodig om af te reizen naar Bengaalse sweatshops of undercover te gaan in de Amerikaanse distributiecentra van Amazon. Het gebeurt allemaal onder onze neus, met verstrekkende gevolgen voor onszelf.

Opvallend: veel gesprekspartners wilden hun verhaal alleen delen op voorwaarde van anonimiteit. Sommigen waren bang het land uitgezet te worden als ze herkenbaar zouden worden opgevoerd, maar vaker ging het om vrees dat ze simpelweg niet voor een volgende shift zouden worden opgeroepen of dat hun contract niet zou worden verlengd. ‘Voor jou tien anderen’, is de zin waarvoor zowel de journalist bij de regionale omroep als de Poolse cruisemedewerker bang was.

Wie werkgevers vraagt waarom de arbeidsmarkt is uitgehold, krijgt te horen dat het gaat om globalisering of robotisering; factoren waar een klein land als Nederland weinig aan kan doen. Maar dat is een drogreden. Wegvallende grenzen, computers en robots verklaren niet waarom bijvoorbeeld de horeca- en cultuursector het meest gevoelig zijn voor flexibilisering. We concurreren niet met China over de toegangsprijs voor een festival of van een kop koffie in een café. Zelfs Paul de Beer, bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam en autoriteit op het gebied van arbeidsvraagstukken, had desgevraagd geen sluitende verklaring. De econoom komt uit bij sociologische argumenten. ‘Er is een cultuurverandering geweest. Het is normaal geworden om te concurreren op contractvormen.’

Waar kwam die nieuwe moraal vandaan? In elk geval van de overheid, die als taak heeft te voorkomen dat uitbuiting ongestraft kan plaatsvinden. De opsporing daarvan is in handen van de Inspectie SZW; de voormalige arbeidsinspectie, maar die taak is jarenlang verwaarloosd en wordt nog altijd minimaal vervuld. Na een periode van bezuinigingen nam het budget van de dienst in 2018 weer toe, waarna prompt meer gevallen van arbeidsuitbuiting werden gevonden. Niet omdat die vaker plaatsvindt, maar omdat er meer inspecteurs kwamen kijken. ‘In China is er voortdurend inspectie over de vloer; in Nederland zie je ze nooit’, vertelde een verbaasde kok in een Chinees restaurant ons.

Ook faciliteert de overheid uitbuiting door kwetsbare arbeidsmigranten naar Nederland te laten halen. Zoals via de au pair-regeling: een ‘cultureel uitwisselingsprogramma om Nederland te leren kennen’ dat jaarlijks zo’n twaalfhonderd, vaak Aziatische vrouwen naar Nederland trekt. Er is nauwelijks controle of zij niet veel zwaarder worden belast dan met de ‘lichte taken’ die de regeling toelaat. Veel vrouwen blijven in ons land nadat hun eenjarige visum is verstreken, met een gerede kans op uitbuiting. Een actief terugkeerbeleid voor deze groep bestaat niet, en au pair-organisaties weten dat.

En dan is er het Convenant Aziatische Horeca, in de volksmond bekend als het ‘wokakkoord’. In de keukens van Aziatische restaurants in Nederland heerst een permanent, nooit afnemend tekort aan gediplomeerde koks. Dat komt volgens de overheid door ‘(het imago van) mindere arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden’. Twee keer raden wat er gebeurt met de Aziatische koks die na twee jaar koken eigenlijk weer naar huis moeten. Zij blijven illegaal en raken afhankelijk van hun werkgever en dus kwetsbaar voor arbeidsuitbuiting.

De tweede schuldige zijn de uitzendbureaus, die dankbaar gebruik maken van de ruimte die de overheid hun biedt. We troffen Poolse uitzendkrachten die werken in een Nederlands slachthuis voor een uitzendbureau dat op papier gevestigd is in Luxemburg. We ontmoetten een Hongaarse medewerker van een Zwitserse riviercruise over de Rijn die werkt voor een op Cyprus gevestigd uitzendbureau. Cyprus kent immers geen minimumloon en in Luxemburg zijn de sociale premies veel lager dan in Nederland. En ja: volgens de wet heeft iedere werknemer op Nederlands grondgebied recht op het Nederlands minimumloon. Maar daar wordt nauwelijks op gecontroleerd.

Ooit was het idee dat uitzendbureaus de gaten in de arbeidsmarkt zouden dichten met tijdelijk werk. Een naïef idee. Veel werknemers werken nu vrijwel permanent op uitzendcontracten, en de toch al karige uitzend-CAO wordt ook nog eens aan alle kanten omzeild. En kwetsbare arbeidsmigranten zijn allang niet meer het enige doelwit. Met constructies als contracting en payrolling wordt bereikt dat werknemers, die dankzij CAO-afspraken iets meer verdienen dan het minimumloon, daar alsnog op worden teruggeworpen. Betere arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten passen namelijk niet in het verdienmodel van het uitzendbureau.

Meer algemeen zijn werkgevers het steeds normaler gaan vinden om werknemers in allerlei flexibele contractvormen aan te nemen. Het percentage flexibele werknemers groeide tussen 2003 en 2017 van ongeveer 13 naar ruim 23: ruim een miljoen flexwerkers meer. Bedrijven maken er zelfs reclame mee. Afgelopen februari lanceerde ING een team van ‘werkgelukbrengers’. Dat blijkt newspeak voor flexwerkers die vaste medewerkers uit de brand gaan helpen. De bank sloot zelfs een deal met vakbond CNV waardoor een ‘vaste pool’ van deze flexibele krachten beschikbaar komt. De ironie van een vaste pool van flexwerkers ontging de vakbond volkomen. Oud-VNO-NCW-voorman Van Kesteren mag dan niet trots zijn op de overwinning die de werkgevers hebben geboekt, ze hebben wel degelijk gewonnen.

Uitgebuit

Uitgebuit (Atlas Contact) biedt een onthutsend beeld van de onderkant van de Nederlandse arbeidsmarkt. Het boek is gebaseerd op anderhalf jaar onderzoek door verslaggevers van Platform voor onderzoeksjournalistiek Investico. Naast eindauteur Emiel Woutersen schreven Investico-verslaggevers Marjolijn de Boer, Sylvana van den Braak, Daphné Dupont-Nivet en Simone Peek mee aan het boek.

Zo blijkt er dus nog een laatste verantwoordelijke te zijn: de vakbond zelf. Dat is een gevoelig punt, want ‘verantwoordelijk’ is een zwaar woord voor de partij die de wedstrijd begon met een 2-0 achterstand, en sinds de kabinetten-Paars heeft moeten vechten tegen rechts beleid. Maar de bond deed er veel te lang over om werknemers in nieuwe contractvormen een plek te geven in haar strategie. Flexwerkers zijn niet hun natuurlijke achterban. Kennelijk waren de bonden in gedachten ergens anders – net als de rest van de samenleving.

‘Werk, werk en nog eens werk’ was het motto van het eerste kabinet van oud-vakbondsvoorzitter Wim Kok, dat in 1994 aantrad. Niet geheel toevallig sloten bonden en werkgevers in dat jaar ook het ‘Flexakkoord’ waarmee de deuren verder werden opengezet voor flexibel werk. In zekere zin is Koks missie geslaagd: het Nederlandse werkloosheidspercentage behoort tot de laagste van Europa. Maar in de tussentijd zijn werkgevers en uitzendbureaus stelselmatig gaan concurreren op beloning en op de andere omstandigheden. Beknibbelen op arbeidsvoorwaarden is een verdienmodel geworden en de markt biedt daar alle ruimte voor, bijvoorbeeld via de soepele regels voor import van goedkopere buitenlandse arbeid. Dat is de ‘cultuurverandering’ die arbeidseconoom De Beer omschreef. En inmiddels is zelfs ons taalgebruik mee veranderd, waardoor niemand meer opkijkt van ‘permanente uitzend’ en een ‘vaste pool van flex’.

Die omslag in denken is in andere landen niet zo heftig geweest. Na ons onderzoek naar distributiecentra van Albert Heijn wezen meerdere gesprekspartners ons op de ‘fortenlinie’ van distributiecentra langs de Nederlands-Belgische grens. Belgische supermarkten worden vanuit Nederland bevoorraad, omdat de arbeidsregels voor de distributiecentra hier soepeler zijn. Een reden hiervoor is de sterkere positie van de Belgische vakbonden. Het verhaal over Albert Heijn werd online binnen een week honderdduizend keer gelezen – een forse prestatie voor een artikel in De Groene Amsterdammer. Daar zaten waarschijnlijk veel Vlaamse lezers tussen, want de Belgische media besteedden er veel aandacht aan en we werden uitgenodigd in talkshows om te praten over wat daar geldt als een urgent onderwerp.

De Belgische aandacht laat zien dat de cultuurverandering zich hier in Nederland ook buiten de hoofden van werkgevers heeft voltrokken. Vrijwel collectief zijn we iets anders gaan denken over nut en noodzaak van vaste banen en gereguleerd werk. Aan de ene kant vindt de Temper-barman het doodnormaal dat hij per shift in het café wordt betaald. Aan de andere kant vertrouwt men er nog steeds op dat het poldermodel de scherpe randjes wel van het kapitalisme af zal vijlen.

Maar die ‘polder’ wordt nu juist gevormd door de drie ‘schuldige’ partijen die we hebben gedefinieerd: overheid, werkgevers en vakbonden. Vertrouwen in de overlegcultuur van de polder is daarom achterhaald. Al helemaal waar het de vakbonden betreft, wier onderhandelingspositie is geërodeerd. Afgelopen week passeerde de FNV de symbolische grens van één miljoen leden; naar beneden toe welteverstaan. Bijna veertig procent van die leden is ouder dan zestig, een percentage dat de komende jaren verder zal toenemen. Minder leden leidt tot minder invloed; met nog minder leden tot gevolg. Vooral 15- tot 45-jarige werkenden hechten weinig belang meer aan de vakbond, peilde het CBS vorig jaar. Dat is, hoewel begrijpelijk, mede oorzaak van het probleem.

De vierde ‘schuldige’ zijn we daarom zelf: burgers, werknemers, jong en oud, die arbeidsbescherming en arbeidszekerheid als vanzelfsprekend zijn gaan beschouwen. Die ten onrechte blijven vertrouwen op het Nederlandse overlegmodel; zich bij voorbaat machteloos voelen in iets wat voorheen klassenstrijd heette. Een woord dat nu hopeloos verouderd klinkt.

Toch weten we na anderhalf jaar onderzoek zeker dat werknemers zonder sterke belangenbehartiger nog meer rechten zullen verliezen. Niet zozeer hun baan zullen ze op deze krappe arbeidsmarkt verliezen. Wel zullen de omstandigheden waaronder ze hun werk doen verder verslechteren, net als hun loon.

Het past misschien niet op een campagneposter, maar een geschikte kabinetsslogan anno 2019 is ‘arbeidsvoorwaarden, arbeidsvoorwaarden, arbeidsvoorwaarden’.


Lees ook: