popmuziek

Uitgekleed

Johnny Cash

Het schrikbeeld van de overleden artiest heet Jeff Buckley. Of 2Pac. In ieder geval: de erfenis in handen van nabestaanden die vergeten dat opgenomen materiaal dat op de planken lag daar vaak niet voor niets terecht was gekomen. Het begint met een nasmaak, wordt vervolgens kliekjesopwarmerij en eindigt in creatieve necrofilie.
Het was een angst vooraf bij het bericht dat er toch nog een album van Johnny Cash zou uitkomen. Of beter: een album van het duo Cash/Rick Rubin, want Rubin verdient meer krediet dan een gemiddelde producer. Hij heeft Cash met hun American-serie regelrecht behoed voor creatieve nadagen, door hem opnieuw uit te vinden, en dat heeft hij bereikt door hem muzikaal uit te kleden. Later deed hij dat opnieuw met Neil Diamond. Eigenlijk was dat nog gedurfder, want Cash was ondanks kerstplaten en andere artistieke daljaren altijd credible gebleven. Diamond niet, die was ver-Vegast, vastgelopen in zijn glitterpak. Rubin trok het uit en maakte ook Diamond duidelijk dat een gitaar en een microfoon voldoende zijn, en dat hij niet hoefde uit te halen om te raken. Het leverde tot nu twee mooie albums op. Rubins collega-producer Don Was deed hetzelfde met Kris Kristofferson - weg met de opsmuk: een man, een gitaar, een stem vol krassen en een plaat vol verhalen, meer was er niet nodig.
Diezelfde Kristofferson droeg op zijn laatste album een nummer op aan Cash, die nu zijn For the Good Times covert. Want begon de American-serie met een combinatie van eigen nummers en covers, gaandeweg namen die covers toe en eigen nummers af. Op American IV staan vrijwel alleen nog maar nummers van anderen. Geregeld slaagde Cash er op eerdere albums in deze serie op originelen te overtreffen, op het vijfde onder meer met Bruce Springsteens Further Up On The Road en Gordon Lightfoots If You Could Read My Mind. Maar het nummer dat hij als geen ander naar zijn hand wist te zetten, is en blijft Hurt van Nine Inch Nails. Het inktzwarte domein van Trent Reznor nam Cash over, maar christen Cash verving ketter Reznors ‘crown of shit’ door zijn eigen 'crown of thorns’, hij ontdeed het nummer van de muzikale opbouw naar een ontlading, en maakte nog indringender dan Reznor zelf duidelijk waar pijn en leven kruisen.
Het meest opvallende nummer op American VI is de Hawaïaanse klassieker Aloha Oe. Ook die zingt Cash verstild, met minimale begeleiding. Die ingehouden zang was op het moment dat Cash en Rubin dit album opnamen (2003, net na het overlijden van zijn vrouw, die hij op het vorige American-album nog eerde met enkele kwetsbare odes) hoorbaar inmiddels geen keuze meer, maar noodzaak. Het is bijzonder dat Cash vocaal hoorbaar verzwakt is, maar niettemin nog steeds krachtig klinkt, in die diepe, geleefde laag van hem.
Het allermooist is zijn enige eigen nummer, I Corinthians 15:55. Hier horen we de man die zingt met de dood in de ogen: 'Just let me sail into your harbor of lights.’

Johnny Cash, American VI: Ain’t No Grave (Universal)