Uitgepraat

Volgens rechtsfilosoof Paul Cliteur is de goddelijke-bevelstheorie de hoofdoorzaak van de huidige problemen met religieus fundamentalisme. In zijn analyse ziet hij wel een paar dingen over het hoofd.

Paul Cliteur
Moreel Esperanto
De Arbeiderspers, 428 blz., € 22,50

In heksen, kabouters en zeemeerminnen mag van rechtsfilosoof en opiniemaker Paul Cliteur iedereen geloven, ‘maar wanneer wereldleiders oorlogen beginnen op basis van berichten die zij menen te hebben ontvangen uit een andere wereld, heb je wel een serieus probleem’. Dat probleem heet bij Cliteur de ‘goddelijke-bevelstheorie’, de religieuze ethiek van christendom, jodendom en islam die het goede definieert als datgene wat God wil. Hét klassieke voorbeeld van waar dat toe kan leiden, is het in alle monotheïstische godsdiensten voorkomende verhaal van Abraham. Uit gehoorzaamheid aan God was hij bereid zijn zoon Izaäk te offeren.

Het is deze goddelijke-bevelstheorie die volgens Cliteur de hoofdoorzaak is van de huidige problemen met religieus fundamentalisme. Hij hekelt de mensen die alle mogelijke andere verklaringen voor bijvoorbeeld de moord op Theo van Gogh aanvoeren – van cultuur tot discriminatie op de arbeidsmarkt – behalve de religie van de dader. Waarom de verklaring van Mohammed B. zelf, die zegt dat zijn daad voortkomt uit zijn geloof, niet serieus nemen?

Het siert Cliteur dat hij daarbij de schijn van fanatiek secularisme of westers superioriteitsdenken tracht te vermijden. Zo is fundamentalisme bij hem geen exclusief islamitisch verschijnsel, maar noemt hij ook de sgp en de Amerikaanse christenen die aanslagen plegen op abortusklinieken. En, zo herhaalt hij tot vervelens toe, ‘dit boek is dus geen pleidooi voor “atheïsme” of een aanval op religie als zodanig’.

Waar Cliteur zich tegen verzet, is een reactie op religieus terrorisme waarbij de ‘goede’ religieuzen ter bestrijding van de fundamentalistische schurken een belangrijkere stem krijgen in het publieke domeinen. Die neiging is bijvoorbeeld te bespeuren in het vorig jaar verschenen rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over islamitisch activisme. Maar, zo stelt Cliteur terecht, met een oproep tot bijvoorbeeld ‘goede fatwa’s’ tegen terroristische aanslagen versterk je weer het gezag van fatwa’s als zodanig. Wat de multireligieuze samenleving nodig heeft is daarom geen geïnstitutionaliseerd religieus pluralisme, maar een autonome, niet-religieuze ethiek. Zo’n autonome ethiek is volgens Cliteur niet alleen wenselijk, maar ook noodzakelijk in een samenleving waarin verschillende religies naast elkaar bestaan. Discussiëren over goed en kwaad gaat het best in een voor iedereen verstaanbare taal, redeneert hij, een soort ‘moreel Esperanto’ dus.

Dat is even redelijk als dat het vaag is. Nadat Cliteur tweederde van zijn boek heeft uitgetrokken om de nadelige kanten van religieuze ethiek te bespreken – waarbij hij de herhaling helaas niet schuwt – handelt hij de door hem aangedragen alternatieven wat al te makkelijk af. Als voorbeelden van niet-religieuze, autonome ethiek voert hij het utilisme en het kantianisme aan. Maar ook de utilistische ethiek is niet zonder problemen. Je zou kunnen zeggen dat het principe van ‘the greatest happiness for the greatest number’ ook gold in het nazi-Duitsland van de jaren dertig. Socialisten en joden hadden het weliswaar zwaar te verduren, maar daar stond welvaart en rust voor de silent majority tegenover. En het kantianisme met haar categorische imperatieven en eeuwige, universele moraal is wel eens een metafysische variatie op toch weer die goddelijke openbaring genoemd.

Het zijn allemaal slechts details vergeleken met de werkelijke makke van dit boek. Het probleem van de multireligieuze samenleving, zo stelt Cliteur, is dat mensen ‘hardnekkig blijven doorpraten in een taal die alleen wordt verstaan door de eigen groep’. Helaas laat Cliteur na zelf het goede voorbeeld te geven. Samen met zijn intellectuele maatjes als Jaffe Vink, Afshin Ellian, Chris Rutenfrans en Andreas Kinneging staat hij nu al jarenlang luid in het neoconservatieve dialect te schreeuwen. Om degenen die daar niet aan meedoen er vervolgens van te beschuldigen dat ze het debat ontlopen en de problemen bagatelliseren.

Ook in Moreel Esperanto fulmineert Cliteur honderden pagina’s achtereen tegen zijn critici. Wie dit precies zijn blijft onbekend, laat staan dat er naar goed wetenschappelijk gebruik concrete citaten en verwijzingen gegeven worden. Cliteur spreekt over ‘vrijzinnigen, multiculturalisten en postmodernen’. Die wijzen bijvoorbeeld ‘niet zozeer de theoretici van de goddelijke-bevelstheorie af, als wel de schrijvers die de logica daarachter blootleggen’. Daarbij heeft ‘men’ volgens Cliteur geen bezwaar tegen inconsistente posities: ‘Deze worden met een air van “bescheidenheid”, “genuanceerdheid” of “ruimdenkendheid” verdedigd. Ik vind dat onbevredigend.’ En nog zo’n inzicht: ‘De “bescheiden” positie gaat erin als zoete koek omdat, tja, omdat die zo “bescheiden” is.’

Wat die bescheiden positie nu precies is en wie die vertegenwoordigt, wordt niet duidelijk. Dat is ook niet de bedoeling. Cliteur cum suis voeren geen echt debat. Ze creëren voortdurend zelf een ideaaltypische tegenstander in hun ideeënstrijd. Die is van alles tegelijk – van oud-linkse betonsocialist tot liberale postmodernist – maar bovenal vatbaar voor hun favoriete ‘argument’: ze zijn soft in het allesbepalende gevecht tussen westerse conservatieve liberalen en fundamentalisten.

Of de reëel bestaande critici nieuwe ideeën aandragen of op geheel andere discussies wijzen, doet er hierbij niet toe. Of ze werkelijk het fundamentalistische gevaar relativeren of op iets geheel anders wijzen, bijvoorbeeld de toestand van de economie in het Midden-Oosten, evenmin. In de ogen van de hardliners voltrekt het gehele maatschappelijke debat zich slechts langs één, culturele, as. Wie niet met hen is, is op z’n best een nuancerende softie. In de woorden van Cliteur: ‘Wanneer Jan zegt dat twee keer twee vier is, en Piet dat twee keer twee zes is, is het niet een gezonde tussenpositie te gaan beweren dat twee keer twee wel vijf zal zijn.’

Behalve op de tafel van twee leunt Cliteur in zijn bewijsvoering ook zwaar op de heilige geschriften. Met citaten uit de bijbel en de koran motiveert hij zijn stelling dat de religieuze moraal die van de goddelijke-bevelstheorie is.

Nu is er niets mis mee om religieuze bronnen serieus te nemen. Maar minstens zozeer van belang is hoe die geschriften tot stand zijn gekomen. Door wie zijn ze geschreven, in welke tijd en met welke achterliggende bedoelingen? Cliteur stipt dit kritiekpunt weliswaar aan, maar concludeert meteen daarna dat hoewel de bijbel niet één boek is er wel één gedachte dominant is: die van de goddelijke-bevelstheorie.

Wat telt is de letterlijke tekst, een uitgangspunt dat de neocons overigens delen met de fundamentalisten. Het hangt samen met hun filosofisch idealisme. De fysieke omstandigheden zijn volgens het idealisme afhankelijk van de geest. Anders gezegd: niet de materiële omstandigheden bepalen hoe onze wereld eruitziet, maar louter de ideeën en gedachten van mensen. Het is deze ‘Duitse ideologie’, om het op z’n negentiende-eeuws te zeggen, die de rechtse opiniemakers met elkaar delen – waarbij opgemerkt moet worden dat Cliteur veel minder idealistisch is dan bijvoorbeeld Vink en Ellian.

Het idealisme wordt problematisch op het moment dat de wereld drastisch verbeterd moet worden. Een materialist kan dan pleiten voor bijvoorbeeld beter onderwijs en goede sociale voorzieningen. Voor een idealist schieten zulke maatregelen te kort. De foute gedachten en ideeën zelf moeten onmiddellijk verdwijnen. De oplossing voor misstanden ligt dan ook voor de hand: de achterliggende denkbeelden moeten er op beschaafde wijze uitgeramd worden. Dat kan leiden tot intolerantie, fanatieke discussies en geloofsverklaringen. ‘Wie niet voor ons is, is tegen ons’, om nog maar eens een cliché te gebruiken.

Met het analyseren van dit merkwaardige ‘debat’ verdienen sommige postmoderne discoursanalisten en andere progressieve academici inmiddels hun brood. Maar met toekijken vanaf de zijlijn komt een echte oplossing voor de terecht door Cliteur gesignaleerde problemen evenmin dichterbij. Het idee van een autonome moraal is daarbij zeker nuttig. Maar voor een moreel Esperanto is meer nodig dan een voor iedereen begrijpelijke taal. De meeste moslims en allochtonen over wie in Nederland wordt gediscussieerd, verstaan wel degelijk wat wordt gezegd, maar voelen zich blijkbaar niet geroepen zich te verantwoorden. Is dat vreemd in een situatie waarin eerder sprake lijkt van een hetze dan een discussie?

Hoe dan? Misschien is een gemeenschappelijke taal wel niet ambitieus genoeg. Misschien moet er eerst een voor alle welwillende partijen acceptabel ‘terrein’ worden gecreëerd om de discussie op te voeren. Dat terrein is niet fysiek bedoeld, maar geestelijk. Het wordt bepaald door enkele gemeenschappelijke uitgangspunten, vooraf vastgesteld, die ervoor zorgen dat de discussie op basis van gelijkwaardigheid gevoerd kan worden. Dat betekent dus naast het afzweren van fundamentalisme, vrouwenonderdrukking en homofobie ook de verwerping van iedere vorm van bijvoorbeeld racisme en westers imperialisme. Het moge duidelijk zijn dat het huidige, sterk door ideologen als Cliteur bepaalde publieke debat dat neutrale terrein niet biedt. Maar evenmin doet de moskee dat, in tegenstelling tot wat sommige lokale bestuurders wel eens lijken te denken.

Het antwoord vanuit de hoek van Cliteur op zulke voorstellen (en op een recensie als deze) laat zich raden: postmodern, soft et cetera. In plaats van daar nog verder op in te gaan en zo het debat alsnog in de door liberalen en conservatieven uitgekozen kroeg te voeren, wordt het hoog tijd dat progressief Nederland het heft in eigen hand neemt. Het zal wel heel fout en onliberaal klinken, maar ik schrijf het toch. Cliteur, we zijn uitgepraat. Laten we met de rest een eindje verderop gaan discussiëren. .