Uitgesteld afscheid

Hoe moeilijk is de relatie van zoon Müller (Martin) met vader Müller (Hermann) precies? Moeilijk, als je zoon moet geloven, heel moeilijk. Zijn vader ligt in coma, in Helsinki. Hij is aangereden. Zoon zit naast zijn bed en probeert zich als een biograaf het leven van zijn vader voor te stellen; er is zoveel wat hij niet weet, met dank aan die vader zelf.

Hij vertelde zijn zoon prachtige anekdotes, over hoe hij zwom met paarden, hoe hij zijn zoon verwekte in Italië toen Florence overstroomde, maar gaf hem er nooit een sluitende chronologie bij. Want Martin werd toch echt dertien maanden na de beroemde overstroming geboren. Of de anekdote over zijn zusje, Martins tante. Volgens vader stierf die kort na de oorlog aan een longontsteking. Martin ziet het voor zich, met het nodige drama: ‘Hij zat uren aan het bed van zijn zus te huilen, tot zij hem verbood nog langer te huilen. Op een ochtend mocht hij de kamer niet in. Hij heeft zijn vader geslagen, maar hij mocht niet naar zijn zus.’

Medium moll 2c 20maarten  c2 a9linda 20stulic rv 5b1 5d

Als Martin later zijn eigen zus belt en deze anekdote ter sprake komt, vertelt zij een heel ander verhaal. Hun vader schoot als klein kind zijn voetbal in een kersenboom; zijn zus klom erin om de bal eruit te halen, maakte een rare glijder, en landde op haar nek. Op slag dood.

Welk verhaal is waar? Of geen van beide? Waarom kan vader niet de waarheid vertellen? Dit is, kortom, de reden dat de vader-zoonrelatie complex is. Oké, fair enough. Maar dan iets verderop lees je dit: ‘Ik heb hem voor zijn vijfenzeventigste verjaardag een portret gegeven dat ik had samengesteld uit delen van gezichten van beroemdheden. Hij vond het mooi, al leek het volgens hem niet erg (hij heeft het portret op de overloop opgehangen). Zijn neus is die van een Canadese acrobaat, de lippen zijn van Belmondo, de oren, gek genoeg, van Jane Fonda. Ik heb er lang over gedaan, want ik had hem dat portret al voor zijn 65ste verjaardag willen geven. Meer dan tien jaar heeft het me gekost hem compleet te krijgen, zodat hij er jonger uitziet dan hij is.’

Wat is hier nog complex: welke zoon is tien jaar bezig een collage voor zijn vader te maken? Hun relatie heeft misschien kennisgaten, maar het verband is intens, hun verwantschap niet te missen, de liefde voor elkaar evident. Tien jaar aan een collage werken! Oberhausen – want zo heet dit boek – is een liefdevolle opsomming van alles wat een zoon van zijn vader weet, de ene running gag na de andere, alle vaste gewoonten en terugkerende grappen worden opgedist, alle eigenzinnigheden, alle onhebbelijkheden: zijn multomap met krantenknipsels over natuurrampen, de manier waarop hij een aardappel kon eten (met een speciale lepel). Het is een portret in scherven.

‘Zijn neus is die van een Canadese acrobaat, de lippen zijn van Belmondo, de oren, gek genoeg, van Jane Fonda’

Moll (1966) schrijft voor Het Parool, hij publiceerde een aantal boeken over sport, schreef een poëziebundel. Oberhausen is zijn eerste roman, alhoewel het in niets op het gemiddelde debuut lijkt; het is zowel veel serieuzer als veel speelser. Moll giet zijn vaderzoektocht in zo’n bikkelharde pasvorm, zo centraal in het boek, dat het hem in staat stelt moeiteloos door de tijd te schakelen, twee passen vooruit, twee achteruit. Herinneringen en anekdotes doorsnijden het verhaal van Martin die in Helsinki probeert te ontdekken wat er nu met zijn vader is gebeurd. Wat vind je het mooiste aan opa, vraagt Martins dochter uit het niets.

‘Zijn bezwete gebruinde handen in de zomer.’

Verdere motivatie komt er niet. Handen in de zomer. Wat is dat nu weer voor antwoord? zegt dochter. En inderdaad, hier is niets moeilijks aan, dit is gewoon een zoon die zielsveel van zijn vader houdt. In zekere zin is Maarten Moll in Oberhausen op zoek naar een mysterie dat er niet is. Martin denkt aan een film waarin Michel Houellebecq wordt ontvoerd, en vraagt zich af hoe de film zou zijn als hij niet The Kidnapping of Michel Houellebecq zou heten, maar The Kidnapping of Hermann Müller. ‘Wie zou hem willen ontvoeren?’ vraagt Martin zich af. En inderdaad, dat vraag je je als lezer ook af. Of liever, als lezer vraag je je af waarom Martin zich dit überhaupt afvraagt. Want hij weet zelf ook wel dat het een vraag zonder antwoord is, en waarom vraag je het dan?

Ik interviewde een keer de kunstenares Marte Röling, jaren terug, toen haar geliefde Henk Jurriaans net was overleden. Het was een warme dag in Oost-Groningen. Ze was begonnen aan een reeks schilderijen van hem, portretten, enorme doeken. Ze wist wel dat ze hem er niet mee terugkreeg, maar het was, zei ze, zo’n fijne manier om met hem bezig te zijn. Zoiets zal het ook zijn met al die dingen die Martin in Oberhausen zich afvraagt over zijn vader; het zijn vragen waarop geen antwoord mogelijk is, waarop hij het antwoord nooit zal weten, en vragen die de liefde van de zoon niet groter of kleiner kunnen maken. Hij stelt de vragen niet om van het leven van zijn vader een overzichtelijk en afgerond geheel te maken, hij stelt de vragen om dat leven nog net even langer te maken, te verlengen, geen afscheid te hoeven nemen.


Beeld: Oberhausen van Maarten Moll is een portret in scherven (Linda Stulic)