Uitgesteld genot

Tientallen jaren heb ik het uitlezen van Franz Kafka’s Het slot, dat hij binnen een paar maanden in 1922 schreef maar niet afmaakte, voor me uit geschoven. Ik wilde het genoegen blijven smaken over één onvoltooide Kafka-roman te kunnen zeggen: die heb ik nog niet (uit)gelezen. Bewust uitgesteld genot. Bij herlezingen was de beklemming er weer vanaf de eerste bladzijde: landmeter K. wil het slot van de hoge heren bereiken maar komt terecht in een ondoorzichtig en steeds veranderend labyrint – het winterse dorp, de ondoorgrondelijke taal, de macht vol metamorfosen – dat hem tot wanhoop drijft. Steeds bleef ik moedwillig steken, en altijd in hoofdstuk 11, waarin K. zich als schoolconciërge op proef met moeite en zeer tijdelijk in een klaslokaal installeert, met zijn ‘geliefde’ Frieda.
Waarom wilde ik nooit verder lezen tot de slotzin, waarin Kafka zelf halverwege bleef steken? Omdat ik dan, heel naïef, de hoop kon blijven koesteren dat het nog goed kon aflopen met K. Nu weet ik dat Het slot een relatief open einde kent en kan ik opgelucht weer bij de eerste zin beginnen. K. speelt met zijn dromen en zijn dromen spelen met hem. Het slot heeft geen slot. Kafka’s prozalabyrint heeft wel een uitgang, maar die ontsnappingsmogelijkheid ligt voorbij de laatste zin: Frieda is terug in herberg Herenhof als ex-geliefde van slotambtenaar Klamm, en de vreemdeling K., uitgestoten en veracht door de autoriteitsgevoelige dorpsgemeenschap (‘zijn karakter is zo anders dan het onze’, zegt de waardin tegen Frieda), krijgt misschien onderdak bij een armzalige paardeneigenaar. ‘Emigreren kan ik niet (…), ik ben hierheen gekomen om hier te blijven. Ik blijf hier.’
Waar komt K. vandaan? De lezer weet niets meer dan dat hij van zijn vrouw en kinderen is weggegaan, graag zijn eigen baas is en dat het hooggelegen en ongenaakbare slot, dat architectonisch niet veel voorstelt, hem niet imponeert. Hij kent het slot niet, zeggen de dorpelingen. Als onwetende ‘met landlopersmanieren’ durft hij meer en beseft hij niet dat alles wat er in het dorp gebeurt de wil is van Klamm, die hij nooit te spreken krijgt, al wacht hij tot hij een ons weegt en wordt hij de kortstondige geliefde van Frieda.
Iedereen liegt en bedriegt in Het slot, en ook K. laat niet altijd het achterste van zijn tong zien. In de eindeloze redeneringen, gedragsverklaringen en monologen die de personages afsteken verschuilt zich één verlangen: het eigen straatje schoonvegen en de troep bij een ander deponeren. De macht manifesteert zich als een chaotische papierwinkel die misverstand op misverstand stapelt. Iedereen is betrokken bij het machtsspel vanuit het slot, iedereen blijkt uiteindelijk iemand anders. De macht zorgt voor metamorfose op metamorfose. Je bent niets, tot de macht (het slot) je tot ‘iets’ verheft. Spin in het onzichtbare machtsweb is Klamm, die in de angstige fantasie van de dorpelingen ‘gemakkelijk verschillende gedaanten’ aanneemt, de onzichtbare man die ‘van bovenaf mij en wat ik doe gadeslaat’. En K.? ‘Hij is toch helemaal niets, het is een verschrikking zijn toestand aan te zien. Hij is landmeter, dat is misschien iets.’
Maar is hij wel landmeter? Nergens in Het slot blijkt dat K., gereduceerd tot één letter, de blik, de kennis en de ervaring van een landmeter heeft. Wie is die getrouwde man die, als een bigamist, ook nog wil trouwen met Frieda? Hij is een bedrogene die bedriegt en weet zich omringd door mensen wier gedrag vanuit het slot wordt gemanipuleerd. K. is de man die de macht van het slot niet vanzelfsprekend vindt, die weigert zich te laten verhoren, die zich niet laat kennen.
Daarom kan niemand Het slot ooit uitlezen. Voor de Kafka-lezer zit er niets anders op dan steeds opnieuw te beginnen. Er valt altijd iets te oogsten in Kafka’s briljante dwaaltuin. Wat een dubieus genot.

Franz Kafka,Het slot, vertaald door Willem van Toorn en Gerda Meijerink. Athenaeum-Polak & Van Gennep (Salamander Klassiek, derde druk 2001), € 7,50