Het vmbo breidt uit

Uitlaatservice en kantine

Het vmbo is besmet. Scholen experimenteren met nieuwe formules om dat beeld te veranderen en hun leerlingen goed voor te bereiden op de beroepspraktijk. Het bedrijfsleven moet meedoen.

TUSSEN DE MIDDAG, in de grote pauze, loopt Sean Clancy, directeur van het Diamant College in Den Haag, even naar buiten. Vlak voor de ingang van de school staan vier leerlingen te praten. ‘Zet je pet even af’, zegt Clancy tegen een van de jongens, zacht maar toch nadrukkelijk. 'Heb jij nog les?’ vraagt hij aan een meisje. 'Nee meester, maar ik moet nog wel nablijven.’ 'Dan ga je naar binnen. En jullie?’ De jongen die zijn pet inmiddels heeft afgezet en twee klasgenoten schudden gedwee van nee, geen les meer. 'Dan ga je naar huis.’
Clancy, een lange man van achter in de vijftig, straalt een kalm soort autoriteit uit. 'Blijven staan hè’, zegt hij tegen me, 'op zo'n moment niet weglopen maar blijven staan.’ Net zolang tot de leerlingen doen wat hij van ze vraagt.
’s Ochtends, als de school begint, staat Clancy er ook, bij de ingang, om zijn leerlingen met een goedemorgen te verwelkomen. 'Omdat ik er ’s ochtends sta, kan ik ze ’s middags op hun donder geven, accepteren ze dat van me.’ Vóór zijn komst als directeur twee jaar geleden werd het Diamant College door de onderwijsinspectie als 'zeer zwak’ beoordeeld. Inmiddels merkt diezelfde inspectie de school als 'gezond’ aan. 'Het was een boeltje’, geeft Clancy toe, 'de leerlingen bepaalden de regels. Nu bepalen wij ze.’
Het Diamant College huist in een gerenoveerd, overzichtelijk gebouw, waar zo'n 350 leerlingen rondlopen. Clancy: 'Het vmbo is een containerbegrip. Zeventig procent van de vmbo-leerlingen volgt de theoretische leerweg, en daar mankeert niks aan hoor. Vooral de scholen die dat categoraal hebben weten te houden floreren, die zijn eigenlijk gewoon een mavo gebleven. Hun leerlingen stromen door naar het mbo en komen daar op niveau drie en vier terecht. Daar heb je later uitstekende werknemers aan.’
De problemen binnen het vmbo zitten veeleer 'onderop’, bij de beroepsgerichte leerwegen, de leerlingen die bij Clancy rondlopen. Daarmee is hij directeur van het soort vmbo dat in alle grote steden te vinden is en dat in hoge mate heeft bijgedragen aan de slechte naam van het schooltype. 'Laten we wel zijn, basis- en kaderberoeps is laag niveau. Waarom zitten leerlingen daar? Omdat we ze niks anders kunnen bieden. En dan zeggen wij: omdat ze niet zo goed kunnen leren, hebben ze wel gouwe handjes. Onzin.’
Clancy ziet de taak van zijn school op een heel ander terrein liggen. 'We proberen deze kinderen natuurlijk Nederlands en Engels en wiskunde bij te brengen, maar boeken daarmee maar een beperkt resultaat. Eigenlijk proberen we vooral structuur aan te brengen in het leven van deze kinderen. We hebben een paar regels, zoals: respect. Je schopt tegen die deur, je hebt niet eens respect voor het gebouw, laat staan voor mij. Geen geweld is ook heel helder. Het zijn regels die ze heel goed snappen, en hun ouders ook. Ik zie het als mijn belangrijkste taak van deze kinderen maatschappelijk goed functionerende mensen te maken, hun denkwereld te vergroten.’
In het vmbo, ingevoerd in 1999, werden de mavo en het vbo samengevoegd, iets wat nog altijd herkenbaar is in de verschillende niveau’s waarin het vmbo is opgedeeld: in de 'onderste’ leerwegen basis- en kaderberoeps schemert het oude vbo door, in de 'bovenste’ leerwegen gemengd en theoretisch de oude mavo. Een belangrijke reden voor de samenvoeging van die onderwijstypen was dat tachtig procent van de mavo-leerlingen niet naar de havo ging, maar doorstroomde naar het mbo. Was het dan niet handiger mavo en beroepsonderwijs dichter bij elkaar te brengen? Verder zie je in het vmbo de principes van de basisvorming (uitstel van keuze) en het studiehuis (profielen) terug: de onderbouw, de eerste twee jaar, is algemeen vormend; pas in de bovenbouw kiezen leerlingen een van de vier profielen: techniek, zorg en welzijn, economie, of landbouw.
Daarmee, zou je kunnen zeggen, werd ook de mavo (nu vmbo-t) een besmet schooltype. Iemand als Rineke van Daalen, sociologe aan de Universiteit van Amsterdam, gelooft namelijk niet dat de in de media sterk uitvergrote problemen van vooral de grootstedelijke, zwarte vmbo’s het schooltype een slechte naam hebben bezorgd. 'Het vmbo is gewoon de school voor de lagere sociale klassen. Zo wordt het gezien en daar komt ook de slechte naam vandaan. Zelfs als er nooit een leraar op het Terra College in Den Haag was doodgeschoten, en er nooit ook maar één migrant naar Nederland was gekomen, dan nog zou het vmbo de school zijn geweest waar je je kinderen van weg probeerde te houden.’
Sean Clancy denkt er ook zo over: 'Moeders schieten de tranen in de ogen als ze te horen krijgen dat zoon of dochter naar het vmbo moet. In groep acht voelen kinderen dat ze behoren tot de groep die niet naar de havo kan. De eerste drie, vier maanden zijn we bezig dat goed te maken, het idee dat ze gefaald hebben.’
Van Daalen, die vorig jaar Het vmbo als stigma publiceerde, wijst erop dat het primaat altijd bij het algemeen vormend onderwijs heeft gelegen: havo, vwo, gymnasium. 'Het intellectuele heeft een enorme waarde. Je moet naar het hoogste streven, intellectueel schitteren, liever dan dat je iets praktisch doet. Dat zit er diep in. Het is ondertussen maar de vraag hoe gerechtvaardigd die indeling hoofd-handen nu eigenlijk is. Als je bezig bent met de verzorging van kleine kinderen, is dat nou met je hoofd of met je handen werken? Ik vind het een verkeerde manier om naar mensen te kijken. Zo zitten ze niet in elkaar.’
De tweedeling beroepsonderwijs versus algemeen vormend onderwijs is er binnen het stelsel van het begin af aan geweest, en nooit verdwenen. Het beroepsonderwijs viel aanvankelijk niet eens onder de Wet op het Middelbaar Onderwijs, die dateert van 1863. In 1919 kwam er een aparte wet voor het beroepsonderwijs, de Wet op het Nijverheidsonderwijs. Maar juist zo'n aparte wet bevestigde de buitenstaanderstatus van het beroepsonderwijs en benadrukte de scheiding hoofd-handen. Inmiddels is het beroepsonderwijs wel geïntegreerd in het onderwijsstelsel, maar nog altijd zijn er twee min of meer gescheiden kolommen, de beroepskolom vmbo-mbo-hbo, en de algemeen vormende kolom havo-vwo-universiteit, die hoger gewaardeerd wordt.

DE EMANCIPATIEGEDACHTE heeft evenmin iets aan de lage status van het beroepsonderwijs veranderd. Integendeel. Rineke van Daalen: 'De Mammoetwet van 1968 ademde een sterk emanciperende geest: iemand die iets kon, jongen of meisje, ongeacht komaf, moest de kans krijgen zich verder te ontwikkelen. Die ideeën zorgden ervoor dat de basisschool plotseling werd gezien als visvijver om talent uit te hengelen. Helaas werd en wordt dat talent nog altijd erg smal gedefinieerd. Het is de Cito-toets, lezen, taal, rekenen. Aardrijkskunde en biologie worden al gezien als franje. Bovendien leek niemand zich te realiseren dat je een grote groep “talentlozen” zou overhouden, waar je ook nog iets mee moest.’
De Commissie-Dijsselbloem heeft in 2007 zelf het initiatief moeten nemen om ook het vmbo te betrekken in haar onderzoek naar het effect van recente onderwijsvernieuwingen (zoals de basisvorming) op de kwaliteit van het onderwijs. Maar uit de kritiek en aanbevelingen van de commissie bleek opnieuw dat ook haar belangstelling vooral uitging naar het algemeen vormende onderwijs. Een van haar belangrijkste aanbevelingen was dat de overheid zich moest terugtrekken en moest ophouden de scholen van alles op te leggen; het primaat moest weer bij de leraar en de school komen te liggen. Van Daalen: 'Ik vind dat je de leraar zo te veel idealiseert. Je kunt de leraar zijn klas wel teruggeven, maar dan moet hij wel weten wat hij daar moet doen. Op het vmbo is het onderwijs gewoon nog niet op orde.’
Voor haar boek woonde de sociologe verschillende soorten lessen bij, een halve dag per week, verspreid over een paar jaar. 'Men is meer algemeen vormend onderwijs gaan geven omdat de leerplicht werd verlengd. Maar dat onderwijs is niet meer dan een verwaterde versie van wat men leerlingen op de havo leert. Tegelijk werd de beroepskant verbreed, dus kinderen worden nu niet meer tot timmerman opgeleid maar moeten ook kennismaken met andere sectoren. Men wil ze niet te vroeg op een keuze vastleggen. Ook de praktijkvakken zijn op zoek naar een goede formule. Hoe gespecialiseerd moeten die vakken op het vmbo zijn, hoe kunnen ze aansluiten op de specialisaties van het mbo? Het is nog niet goed genoeg uitgewerkt, nog niet voldoende overdacht.’
Hier komt de laatste jaren wel verandering in, er wordt veel geëxperimenteerd. Iemand als Clemens Geenen, sectordirecteur van vmbo Metameer in Stevensbeek (ten zuidoosten van Nijmegen), vindt zelfs dat de dynamiek in onderwijsland nu vooral te vinden is binnen de vmbo’s, en hij staat daarin niet alleen. Gedwongen door problemen als schooluitval en ongemotiveerde leerlingen wordt op vmbo’s druk gezocht naar nieuwe wegen. De laatste paar jaar treden twee stromingen nadrukkelijk op de voorgrond, die zo veel met elkaar gemeen hebben dat er iets als een nationale consensus lijkt te ontstaan.
De eerste stroming wordt belichaamd door de opkomst van de vakcollege’s, sinds een jaar of zeven. Inmiddels zijn er daarvan zo'n vijftig in Nederland. Het zijn scholen die leerlingen weer een vak willen leren waar ze trots op kunnen zijn. Leerlingen krijgen er van begin af aan meer praktijkvakken aangeboden, en praktijk en theorie zouden er beter op elkaar aansluiten. Bovendien houdt men de leerlingen op school tot ze een startkwalificatie hebben, dus mbo-2 niveau. Directeur Ferry Brokers van Vakcollege Amersfoort: 'Het is natuurlijk raar dat vmbo geen eindonderwijs is. We raken bijna een kwart van de leerlingen kwijt bij de overgang naar het mbo. Die stromen de arbeidsmarkt op zonder startkwalificatie. Dus zeg ik: je moet vmbo en mbo combineren, er één opleiding van maken. Juist die leerlingen die het onderwijs het hardst nodig hebben, moet je zes jaar op dezelfde school houden.’
Het vakcollege begeleidt leerlingen zelfs naar een baan. Maar Brokers ontkent dat zijn school de oude ambachtsschool is in een nieuw jasje. 'Daar moet je niet naar terug willen, die tijd is voorbij. De arbeidsmarkt vraagt om heel andere competenties.’ Op gewone vmbo’s volgen de leerlingen de eerste twee jaar een algemeen vormend programma waarin maar weinig praktijklessen op het rooster staan - het programma dat sociologe Van Daalen 'verwaterd’ noemde. En Brokers herkent daar wel iets in: 'Leerlingen uit groep acht worden tijdens de open dagen lekker gemaakt met al die mooie praktijklokalen, maar als ze eenmaal op die school zitten mogen ze daar bijna nooit in. Pas in het derde jaar, als ze een vak kiezen, zitten ze er vaker. Dat is teleurstellend. Op het vakcollege krijgen ze van begin af aan acht uur praktijkles en kunnen ze sneller naar een specialisme toe.’
Daarmee wil Brokers niet zeggen dat het algemeen vormende programma wordt verwaarloosd. 'Natuurlijk moet een vakman ook kunnen lezen en rekenen, iets van wiskunde begrijpen; bovendien hebben kinderen recht op een zekere algemene ontwikkeling. Maar hier proberen we de theorie altijd met de praktijk te verbinden. Dus als je een brief schrijft, dan doe je dat niet omdat je een brief moet schrijven maar omdat je een stageplek wil hebben.’
Verder helpt het, vindt Brokers, om eisen te stellen. Leerlingen die de beroepsgerichte leerwegen volgen, worden gemakkelijk onderschat. 'Op het moment dat je lage verwachtingen van leerlingen hebt, creëer je problemen. Ouders met kinderen op het vmbo gebruiken vaak het woordje “niet”. Hij kan dit niet, zij kan dat niet. Of: op de havo is het niet gelukt. Soms hebben ze het zelfs over “die lapzwans”, waar zo'n kind bij zit. Wat doet dat met die kinderen? Ook docenten hoor je regelmatig zeggen: “Dat kunnen onze leerlingen niet.” Of: “Jongeren met problemen moet je niet belasten.” Daar word ik boos van. Aan alles wat we doen stellen we eisen. Bijvoorbeeld: zonder werkkleding kom je de les niet in. Je moet op tijd komen en je spullen moeten in orde zijn, want dat moet later ook. Door eisen te stellen voelen leerlingen zich gewaardeerd en creëer je rust in de school.’
Waar de vakcollege’s leerlingen de kans willen geven zich betrekkelijk vroeg te specialiseren, is de trend op een vmbo als Metameer juist in tegengestelde richting: de opleiding zo lang mogelijk zo 'breed’ mogelijk houden, het keuzemoment uitstellen. Directeur Clemens Geenen: 'Al zegt de basisschool: dit is een basisberoepsleerling, dan pinnen we die leerling daar niet op vast. We zien het wel. We hebben niet de neiging laag in te zetten en houden alle leerlingen de eerste twee jaar bij elkaar.’
Toch zijn de overeenkomsten tussen de vakcollege’s en een school als Metameer groter dan de verschillen. Zo doet Geenen aan Brokers denken als hij de nadruk legt op het belang van een goede relatie tussen docent en leerling. 'Voor een betrokken docent werk je harder. Nu kun je zeggen: dat geldt ook voor gymnasiasten, en dat is waar. Maar vmbo-leerlingen hebben er meer behoefte aan gezien te worden en waardering te krijgen. Ze hebben minder compensatiemogelijkheden en krijgen vaker te horen dat ze iets niet kunnen, niet alleen op school, ook in hun privé-leven.’ En net als het Vakcollege Amersfoort probeert Metameer zo veel mogelijk verband te leggen tussen theorie en praktijk, en tussen de verschillende sectoren en het bedrijfsleven. Hier is een nieuwe term voor: intersectoraal onderwijs. Het is de meest dominante vernieuwing binnen het vmbo.

HET CONCEPT werd acht jaar geleden bedacht door Harry Grimmius, bestuursvoorzitter van de Scholengroep Over- en Midden-Betuwe, en voorzitter van de Stichting Vmbo Intersectoraal. Inmiddels hebben 160 vmbo-scholen zijn visie overgenomen, zoals Metameer in Stevensbeek, en hebben er nog eens honderd grote belangstelling getoond - alles bij elkaar de helft van alle vmbo’s. Het concept intersectoraal onderwijs is sinds drie jaar ook in de wet opgenomen. Aan een Nijmeegse cafétafel zegt Grimmius: 'En dit is nu eens geen vernieuwing die van bovenaf door de politiek is opgelegd, maar die van onderop komt, uit het veld. Ik denk dat dat de sleutel van het succes is. Het is voortgekomen uit het gevoel dat we iets niet goed doen. We raakten te veel leerlingen kwijt bij de overgang naar het mbo.’
Belangrijk kenmerk van intersectoraal onderwijs is uitstel van beroepskeuze. Grimmius: 'Mijn dochter zat op het vmbo. Die wilde kinderverzorgster worden. Leuk dacht ze, spelletjes doen met kinderen. Tot ze merkte dat ze ook luiers moest verschonen, toen wilde ze het niet meer. Veel leerlingen binnen het vmbo hebben een te eenzijdig beeld van allerlei beroepen.’
Leerlingen moeten niet alleen weten wat een beroep inhoudt maar ook wat voor beroepen er allemaal zijn, vooral in de eigen regio. 'Veel vmbo-kinderen blijven hun hele leven in dezelfde streek wonen’, zegt Grimmius, 'dus moet je een regionaal georiënteerd programma aanbieden. Het bedrijfsleven moet meedoen. Daar moet je convenanten mee afsluiten.’
Grimmius vindt dat het vmbo terug moet naar zijn eigenlijke taak: leerlingen voorbereiden op het beroepsonderwijs. Hij noemt dat 'leerlingen stagebekwaam maken’. Het mbo is er, zegt hij, om ze startbekwaam te maken, en het bedrijfsleven zal ze arbeidsbekwaam maken. 'Want dat word je hoe dan ook pas op de werkplek zelf. Een vmbo moet zijn best doen de leerlingen zo multifunctioneel mogelijk te maken, want dat zien werkgevers graag.’
De school die voor intersectoraal onderwijs opteert, ziet zijn mogelijkheden volgens Grimmius enorm uitgebreid. 'Neem het Over Betuwe College in Huissen, vijf kilometer van Arnhem. Naast de school is een braakliggend terrein, daar komen seniorenwoningen, kinderopvang, een sporthal. Als je dat hoort, moet je als school denken: aha, daar kunnen onze eindexamenleerlingen straks gehandicapten begeleiden tijdens het sportuur. Voor de senioren kun je een uitlaatservice organiseren, een pedicure, een manicure, een wasserette. In de sporthal komt een kantine, daar kun je leerlingen achter de balie zetten, laten bedienen en laten koken.’
Overal in het land, zegt Grimmius, zie je vmbo’s dit soort verbindingen met de omgeving en met het bedrijfsleven aangaan. 'Ze zijn er nu kien op. Lijnen leggen. Ook in school zelf: de muren eruit, grotere lokalen maken, een leerplein. In iedere hoek een andere specialisatie, en middenin een plek voor theorielessen. De leerlingen gaan daarheen waar ze in de opdracht zitten. Een timmerman moet óók inkopen, rekenen, commercieel ingesteld zijn. In de ene hoek zaagt hij die plank, in de andere houdt hij zijn administratie bij. Integratie is het toverwoord, dat hebben vmbo-leerlingen nodig. Een context, zodat ze de dingen voor zich zien, en in de praktijk kunnen leren.’
Die grote lokalen zie je terug op Metameer, en op het Vakcollege Amersfoort is Brokers druk bezig zijn school te verbouwen. Tijdens een rondleiding wijst de directeur naar een hoek in een van de nieuwe ruimtes. 'Daar komt de reproshop en hier gaan we een winkel maken, waar leerlingen onder andere hun schoolspullen kunnen kopen. Er komen leerlingen achter de toonbank te staan, en anderen houden de administratie bij, de inkoop et cetera. We willen ook de administratie voor zzp'ers gaan doen, mensen van buiten dus. Nu al kan de buurt een dag per week bij ons in het restaurant komen eten. Dan koken we voor tachtig man, het zit altijd vol. Ik zie graag mensen de school binnenkomen, je moet een school niet isoleren.’
Grimmius juicht dergelijke ontwikkelingen toe. 'Onze vmbo-scholen staan midden in de Betuwe. Maar een groenopleiding hebben we niet. Dan klopt er iets niet. We doen ook niks met recreatie, terwijl je prachtig kan fietsen en wandelen langs de Waal. De regio verlangt van je dat je daar als school iets mee doet. In de Betuwe staan kassen: dat is landbouw. Maar het is ook handel, economie, en het is taal, want veel wordt naar Duitsland geëxporteerd. Het is ook techniek, want in die kassen is alles computergestuurd. Al die verbanden moet je terugzien in het onderwijs. Tenslotte komen die leerlingen daar later te werken. We noemen het verbindend leren.’