Uitslag: positief

KAMPALA - President Museveni wil voor Oegandezen die besmet zijn met het aidsvirus geen opleidingen meer vergoeden. De kosten rijzen de pan uit en het is natuurlijk gewoon geldverspilling om mensen die binnen afzienbare tijd zullen sterven een vak te leren.

Dat heeft althans een van de redacteuren van The Monitor uit betrouwbare bron vernomen. Opschrijven of niet? Een verslaggever belt met Hope Kivengere, de persattaché van de president, om het bericht te verifiëren. Helaas, ze weet van niets. Toch lijkt het verhaal te pikant om te negeren: een verplichte aidstest bij aanvang van een opleiding is ook voor Oegandese begrippen een unicum. The Monitor besluit het bericht derhalve zonder bronvermelding mee te nemen. Kivengere, altijd beschikbaar voor een fijne anekdote over de president, weet de Monitor-verslaggever ongevraagd nog toe te voegen wat exact het moment was waarop Museveni doorkreeg dat de aidsepide*== mie in zijn land waarachtig angstaanjagende vormen begon aan te nemen. Driehonderd Oegandese militairen zouden in Cuba een speciale training krijgen, vertelt Kivengere. Om Castro’s eiland te mogen betreden, moesten de soldaten voor de douane eerst een aidstest doen. Liefst een derde van zijn uitgezonden soldaten kreeg Museveni onverrichterzake terug: allemaal positief. ‘Toen wist hij het zeker: hier is wat loos.’ Met man en macht is Oeganda, volgens ingewijden de 'bakermat van aids in Afrika’, toen de strijd aangegaan. Nog steeds wordt vrijwel dagelijks op radio en televisie en in de kranten het gevaar van de ziekte uit de doeken gedaan. Lagere-schoolleerlingen krijgen hun eerste seksuele voorlichting voor ze kunnen lezen of schrijven. En de ouders staan versteld over wat hun kinderen te horen krijgen. 'Mijn zoontje van zes komt van school thuis met verhalen over seks en condooms’, vertelt een verbaasde vader in een barretje in Kampala. 'It feels good to wear a condom’, zegt hij dan. Zes is hij!’ IN EEN DORPJE tussen Entebbe en Kampala, Oeganda’s hoofdstad, woont Sandra Kyagaba. Vijf jaar geleden, toen ze negentien was, ontdekte ze dat ze besmet was met hiv, het virus dat aids veroorzaakt. Haar man was toen juist overleden. Met een glimlach van oor tot oor verhaalt ze over de ene dode na de andere in de naaste familie- en kennissenkring. En over haar eigen besmetting. Sandra Kyagaba lijkt de vleesgeworden gedachte achter Taso, The Aids Support Organisation, die Oeganda eerder dan welk ander Afrikaans land ook bewust maakte van de gevaren van aids. 'Living positively with Aids’, luidt hun credo, een 'seropositieve levenshouding’ dus. Gewoon vrolijk doen, hoe opener, hoe beter. Iedereen die het horen wil moet weten dat je besmet bent. Met alle persoonlijke details van dien. Kyagaba: 'Veertien was ik toen ik mijn eerste vriendje had. Hij was maar een paar jaar ouder dan ik, niks aan de hand. Maar twee jaar later kwam de volgende: ik zestien, hij dertig. We moesten trouwen en in '95 kregen we de eerste baby, een dochter. Kort hierop, in datzelfde jaar, overleed hij: aids, maar zijn familie houdt het nog steeds op tuberculose - dat klinkt iets vriendelijker, zeggen ze.’ De achtergebleven vrouw wordt in de cultuur van de stam van Sandra’s man na diens overlijden 'overgenomen’ door een van diens broers. Dat vond Kyagaba best. 'Ik moest financieel toch ook zien rond te komen.’ Een aidstest leek haar evenwel geen overbodige luxe: die 'tuberculose’ van haar man nam ze nog altijd niet serieus. De test was positief. Kyagaba: 'Niet best, want de familie van mijn overleden man had opeens geen interesse meer in me. Eerst betaalden ze mijn huis en mijn eten, nu moest ik opeens alles zelf opknappen. Uit een vrouw waar aids in zit valt niks te halen, kinderen al helemaal niet.’ Op de kale binnenplaats bij Kyagaba’s huis zijn dorpsgenoten bezig met de bereiding van matooke, gekookte banaan, het basisvoedsel voor vrijwel iedere Oegandees. Binnen in het volgepropte kamertje hangen aan de muur in kleine lijstjes foto’s van overleden vrienden, vriendinnen en familieleden. Daar tussenin uitgeknipte tijdschriftplaatjes van de Britse prinses Diana - bij leven erg begaan met het lot van de Afrikaanse aidspatiënten. Ze zoekt, maar een foto van haar dochter kan Kyagaba nu even niet vinden. Het kind woont tegenwoordig bij de ouders van haar gestorven man, zes uur rijden van Entebbe. Eén keer per jaar kan ze er langs, als vreemde: het meisje herkent haar moeder inmiddels niet meer. Een 'herinneringsboek’ moet het kind later vertellen wie ooit haar moeder is geweest. Tussen vrolijke plaatjes van Sandra met flessen bier en Sandra met alle vriendjes van de afgelopen jaren beschrijft ze in het boekwerkje in een vrijwel onleesbaar handschrift haar levensloop, lievelingseten, favoriete film en mooiste boek. Ook allerhande praktische huishoudtips voor als ook de grootouders er niet meer zijn, worden het kind op papier meegegeven. Kyagaba: 'Mijn eigen vader overleed vier jaar geleden, vlak na mijn man. Hij was in een groot hotel in Kampala verantwoordelijk voor het personeelsbeleid. Als je hier in Oeganda als jong meisje een baantje wil, dan moet je er wel wat voor doen. Helaas is dat mijn vaders dood geworden. En mijn moeder? Nog niet ziek, wel positief. Aids lijkt een beetje een familiekwaaltje geworden.’ 'SLIM’ (MAGER) noemden Oegandezen begin jaren tachtig de nieuwe kwaal. Wat de ziekte precies inhield wist niemand, maar dat er veel slachtoffers vielen was snel duidelijk. Steeds weer was er plotseling iemand verdwenen, steeds weer sloot er in stilte een winkeltje of kwam een landarbeider niet opdagen. De eerste gevallen werden ten zuidwesten van Kampala, in het Rakai-district, gemeld. Langzaam trok de ziekte langs de autoweg die Oeganda met Tanzania verbindt, naar boven. Het verhaal wil dat Tanzaniaanse vrachtwagenchauffeurs de ziekte langzaam het land in transporteerden. Feit is dat in de beginjaren de meeste gevallen van aids langs de goede verharde wegen geconstateerd werden. Een derde van de zwangere vrouwen zou in 1984 besmet zijn. Recent onderzoek schat dat ruim anderhalf tot twee miljoen van de in totaal twintig miljoen Oegandezen het virus bij zich dragen. In grafiekjes van de Verenigde Naties voerde Oeganda jarenlang de lijst aan met het hoogste percentage hiv-geïnfecteerden onder het vruchtbare deel van de bevolking. In regio’s als Rakai heeft aids het complete maatschappelijke leven ontwricht. De groep twintig- tot dertigjarigen, normaal gesproken inzetbaar voor het zware werk, is in sommige dorpen compleet weggevallen: met moeite kunnen nog mensen gevonden worden die de oogsten op tijd binnenhalen. Ook het verdwijnen van de moeilijk vervangbare hoger opgeleiden, zij die zich financieel een tweede of derde vrouw konden veroorloven, troffen de gemeenschappen zwaar. Als een enkele dokter of onderwijzer overlijdt, dan betekent dat op sommige plaatsen geen ziekenzorg of onderwijs meer. IN HET SENTIMENTELE boekje We Miss You All verhaalt Taso-oprichtster Noerine Kaleeba over de wijze waarop haar organisatie aids in Oeganda bespreekbaar heeft gemaakt: de positieve boodschap dus. Met ruime steun van vele, vele ontwikkelingshulporganisaties - hoewel nog altijd meer mensen aan ziektes als malaria overlijden, is aids in de wereld van geldgevers buitengewoon populair - is een netwerk opgezet voor het medisch en sociaal begeleiden van patiënten en voor voorlichting in de dorpen. Omdat iedereen in Oeganda in de nabije omgeving wel iemand verloren heeft, werd het gemak waarmee men over het onderwerp praatte automatisch groter. Ook de dood van popster Philly Bongole Lutaaya, die openlijk voor zijn ziekte uitkwam, heeft het werk voor Taso vergemakkelijkt. Kranten hebben vanaf het begin met in nieuwsberichten ingepakte voorlichtingscampagnes een steentje bijgedragen. Tot op de dag van vandaag besteedt The Monitor op een of andere manier vrijwel dagelijks aandacht aan aids. Aan het eind van het 'nieuwsbericht’ wordt terloops nog immer vriendelijk uitgelegd hoe een en ander te voorkomen. Maar sentimenteel of niet, Taso schijnt te werken. Iedere Oegandees lijkt van de ziekte op de hoogte en sinds een paar jaar daalt het aantal nieuwe geïnfecteerden drastisch. Haast elke week komen delegaties uit de hele wereld bij Taso informeren hoe ze ’m dat geflikt hebben. Landen als India, Kenya en Zuid-Afrika beginnen nu pas met het soort aidsprogramma’s dat in Oeganda tien jaar geleden al bestond. BIJ HET ONLANGS gebouwde Taso-centrum in Entebbe is het een drukte van belang. Het is woensdagmiddag, een van de 'kliniekdagen’: geïnfecteerden en zieken kunnen zich voor een paar kwartjes door een arts laten bekijken of met een van de counselors praten over wat er voor de toekomst geregeld moet worden. Zeker tachtig mensen zitten en liggen her en der op hun beurt te wachten. Suzie, een mooi meisje van nauwelijks achttien, zit nog gewoon. Ze wacht op haar beurt voor een test. Haar beide ouders stierven een paar jaar geleden, zegt ze. Om toch haar school te kunnen afmaken en het schoolgeld voor zichzelf en haar jongere broertje te kunnen betalen, heeft ze in een buitenwijk van Kampala een half jaar lang getippeld - zoals zoveel meisjes van haar leeftijd ging ze op zoek naar rijke westerse toeristen die voor veel geld een nacht met haar wilden doorbrengen. Of misschien wel een echte relatie beginnen. Pas onlangs realiseerde ze zich dat je wat weinig aan een schoolopleiding hebt als je binnen afzienbare tijd het leven laat: een Taso-test dan maar. Uitslag eind van de week. De hoop op een relatie met een rijke westerling heeft ze inmiddels opgegeven. ENTEBBE, maandagmorgen. Vannacht is Emmanuel Musisi, tot voor kort hoofdonderwijzer van de Lake Victoria School, overleden. Tweeëndertig was hij. Vrijdag nog ging hij vanuit zijn dorp met het taxibusje naar Entebbe om boodschappen te doen, nu is hij dood. Hoewel Sandra Kyagaba ondertussen wel aan de sterfgevallen gewend zou moeten zijn, zit ze er wat beteuterd bij. Emmanuel was écht een goede vriend. Twee dagen en twee nachten moet er naar lokaal gebruik door vrienden en familieleden bij het lichaam worden gerouwd. We nemen een van de tientallen taxibusjes richting Kampala. Na twintig minuten stappen we uit: Kitala. Slingerende stoffige zandweggetjes met aan weerszijden bananenbomen leiden ons naar het dorp. Geen huis zonder tragische geschiedenis. Het halve dorp lijkt door aids getroffen. Sandra Kyagaba: 'Hier, links: de fietsenmaker - vrouw en dochter wonen nu een jaar alleen. Een nieuwe fietsenmaker is er nog niet. En daar, daarachter, het huis met het rode dak, daar woonde een oom van me. De beste cassave van de buurt had hij. Zijn vrouw probeert dat nu over te nemen, maar ja, voor zolang het duurt natuurlijk: ook zij is positief.’ We arriveren bij het huis van de overleden hoofdonderwijzer. Boven het terras is ter bescherming tegen de brandende zon een lichtblauw UNHCR-zeil gespannen - in Oeganda zijn zulke zeilen overal op markten voor weinig geld te krijgen: gestolen uit de vluchtelingenkampen bij de grens met Congo. Een twintigtal mannen zit onder het zeil op naar buiten gesleepte stoelen en banken in stilte voor zich uit te turen. Achter hen op de grond krioelt een enorm aantal kinderen - ook enkele van Musisi’s voormalige leerlingen op de Lake Victoria School, weet Kyagaba. Zeker dertig vrouwen in traditionele dracht waken bij het bed dat midden in de bescheiden woonkamer is geschoven. Onder een kleurig dekbed de overledene. Hun ogen rood van het huilen staren de vrouwen naar een grote ingelijste foto aan het voeteneind van het bed: Musisi in betere tijden, achter zijn bureau op school. Vermogende bezoekers worden geacht iets bij te dragen in de kosten voor de nabestaanden. De kostwinner is weggevallen, dus het geld is op dit moment hard nodig. De vader van Musisi - hij overleeft zijn jongste zoon - zit onder het UNHCR-zeiltje klaar om in een schrift de naam van de gulle gever en het bedrag te noteren. Pas vijf mensen hebben iets in de kas gestort: achtduizend shilling is er binnen, ongeveer twaalf gulden. Woensdag zal de onderwijzer worden begraven. De mannen, vrouwen en kinderen van Kitala houden tot die tijd de wacht. 'Als ze tenminste niet opeens naar een ander sterfgeval moeten’, zegt Sandra.