«Uitstappen was zelfmoord»

Raymond van den Boogaard

Zilverstad: De Haagse verduistering van het drama-Srebrenica

Prometheus/NRC Handelsblad, 266 blz., e 17,95

Hendrina Praamsma, Jet Peekel en Toni Boumans

Herinneringen aan Srebrenica: 171 soldatengesprekken

Bert Bakker, 374blz., e 19,95

1995 was een cruciaal jaar voor de troepen van de Verenigde Naties in Bosnië. Het was een jaar van hevige gevechten en grote slachtingen. Het geduld van de internationale gemeenschap met de Bosnische Serven raakte eindelijk op. Met Navo-bombardementen werd Sara jevo ontzet. Dat jaar werd de oorlog beëindigd met het verdrag van Dayton.

Was de inzet van de algemeen als onmachtig beschouwde blauwhelmen in dat laatste oorlogsjaar terug te brengen tot twee verhalen, dan zou er iets voor te zeggen zijn het verhaal te vertellen van de Vrbanja-brug in Sarajevo en het verhaal van Srebrenica.

Eind mei zien Franse militairen die de strategisch belangrijke Vrbanja-brug in de Bosnische hoofdstad bewaken in alle vroegte een witte VN-pantserwagen hun richting op rijden. Ze zijn verbaasd. Er worden geen versterkingen verwacht. De wagen stopt vlakbij hun ob servatiepost en er springen Frans sprekende VN-militairen uit. Het blijken ver klede Bosnische Serven in een gestolen VN-voertuig. Binnen enkele tellen overmeesteren ze de twaalf Franse be wakers. Tien van hen worden afgevoerd naar een Servische legerbasis. Twee worden op de brug vastgehouden als menselijk schild tegen een eventuele tegenaanval van de VN. Nog geen drie uur later zien de verbaasde Serven een peloton Franse mariniers ondersteund door tanks naar de brug oprukken. Alsof er geen menselijke schilden zijn, zetten de mariniers de aanval in. Na een hevig vuurgevecht van een uur weten ze hun kant van de brug in handen te krijgen. Vier Serven worden gedood, vier anderen gevangen genomen. Twee Fransen sneuvelen, tien raken gewond. Een van de menselijke schilden wordt eveneens getroffen. De Serven blazen de aftocht, waarbij de tweede gevangen marinier weet te ontsnappen.

Anderhalve maand later, nu tien jaar geleden, valt het Drina Korps van de Bosnisch-Servische generaal Ratko Mladic de enclave Srebrenica aan. Het stadje en het omliggende gebied zitten tjokvol Moslim- (of liever: Bosnjakse) vluchtelingen. Die worden beschermd door Nederlandse VN-militairen, maar die bieden geen tegenstand. De Bosnjakse paramilitaire eenheden in het gebied – nauwelijks ontwapend door de VN’ers – vluchten de bossen in, richting Tuzla. Achtervolgd door Bosnische Serven en zwaar beschoten door artillerie. Als de enclave volledig in Servische handen is, begint het afvoeren van de vluchtelingen die zijn samengedreven op de VN-compound in Potocari. Mannen in de weerbare leeftijd worden gescheiden van vrouwen en kinderen. Nederlandse blauwhelmen van het Dutch Batalion (Dutchbat) proberen orde in de chaos te scheppen en assisteren bij het inladen van vluchtelingen in Servische bussen en wagens. De blauwhelmen weten nog gedaan te krijgen dat ze de konvooien mogen volgen om te zien wat er met de vluchtelingen gebeurt. Maar de Dutchbatters die deze taak krijgen, worden beroofd van hun wapens, wagens en uitrusting. Uiteindelijk worden meer dan zevenduizend mannen vermoord.

Srebrenica, de grootste slachtpartij uit de Joegoslavische burgeroorlog, is niet vergeten. Het verhaal van de Vrbanja-brug wel. Het werd enkele jaren geleden weer in herinnering geroepen door een Nederlandse marinier die me vertelde getuige te zijn geweest van de Franse aanval toen hij als VN-waarnemer diende in Sarajevo. «Ik weet niet of de Nederlandse politiek tot zo’n actie bereid zou zijn geweest», zei hij. «Maar als ik daar had gezeten met mijn eenheid, en het bevel was gekomen, dan hadden we die brug teruggepakt. Ook al zouden we het er niet allemaal levend afbrengen. Wij zijn daarvoor opgeleid. Het is ons werk.»

De politiek. Frankrijk, waar zojuist de krijgshaftige Chirac was aangetreden als president, iets wat hij de wereld liet merken met een serie kernproeven bij het eilandje Mururoa, was bereid militairen op te offeren. Die brug was «Frans» en zou Frans blijven. Nederland had die bereidheid niet. Vlak voor de grote Servische aanval was een Nederlandse Dutchbatter gedood door een Bosnjakse handgranaat. Die ene body bag was er één te veel. De order tot bestorming van de Vrbanja-brug kwam naar verluidt rechtstreeks uit het Elysée. In Den Haag hielden koningin en premier zich afzijdig en maakte toenmalig defensieminister Joris Voorhoeve zich ten tijde van Mladic’ aanval vooral zorgen om het heil der eigen troepen, die zich keurig hielden aan de passieve VN-geweldsrichtlijn. Die gold ook voor de Franse mariniers, maar voor hen en voor hun president gold nog iets anders: eer.

De afhandeling van de kwestie- Srebrenica is, zoals bekend, weinig eervol verlopen. Acht jaar lang was Srebrenica een terugkerend thema in de Nederlandse politiek. Meestal speelden de gemoederen op rond juli, bij de zoveelste verjaardag van de massamoord. Nederlandse militairen waren daar immers bij betrokken. Ze deden althans niets om te voorkomen waarvan ze toen nog niet wisten dat het te gebeuren stond.

Raymond van den Boogaard heeft het onverkwikkelijke politieke proces na de val van Srebrenica scherp, helder en vooral handzaam in kaart gebracht. Zijn boek Zilverstad: De Haagse verduistering van het drama-Srebrenica is een geslaagde poging een periode uit de Nederlandse ideeëngeschiedenis te beschrijven. Bij het lezen van Van den Boogaards werk bekruipt je het gevoel dat de ontreddering van Nederland reeds lang voor de moord op Fortuyn inzette. De kwestie-Srebrenica was niet alleen het morele echec van een natie die zichzelf een gidsrol toebedeelde in internationale kwesties van goed en kwaad. Srebrenica was meer dan dat: het was de bikkelharde beitel die de kloof tussen politiek en burger flink uitdiepte. Want waar de politiek consequent Dutchbat de hand boven het hoofd hield en die niet in eigen boezem stak, maar de zwarte piet probeerde toe te spelen naar de VN en Frankrijk, daar had de samenleving al snel een oordeel gevormd: de Nederlandse troepen en politici hadden schandelijk gefaald. Dat kwam niet alleen tot uiting in de opmerkingen die ex-Dutch batters soms naar hun hoofd geslingerd kregen, maar ook in toneelstukken, tv- en filmproducties en boeken. Het mag geen toeval heten dat juist Pim Fortuyn bij herhaling verkondigde dat Kok moest aftreden wegens Srebrenica.

Met «Zilverstad» doelt Van den Boogaard op meer dan slechts de letterlijke vertaling van «Srebrenica». In zijn boek staat de term voor de manier waarop in Nederland het debat over de val van de enclave werd gevoerd. Zilverstad is «een verhaal van acht jaar uitvluchten, drogredeneringen, bedenkelijke zelfrechtvaardigingen, uitstel van executie, late bekeringen, schuldafwijzing door naar anderen te wijzen – een heel scala van ontwijkingstactieken van de menselijke geest». Tot die ontwijkingstactieken behoort volgens hem ook het Niod-rapport met zijn vele feiten en minimale conclusies. En het aftreden van Kok met zijn hele kabinet: in verkiezings tijd, zonder schuldbekentenis, een serieus debat over de Niod-bevindingen onmogelijk makend. Voor Van den Boogaard is duidelijk – en de argumenten die hij aanvoert zijn sterk: Nederland is schuldig. «Was het dan zo erg geweest om toe te geven dat wij, als natie, in Srebrenica hadden gefaald, dat we eens te meer bloed aan onze handen hadden? Natuurlijk niet – wie zonder zonde is werpe de eerste steen. In de nasleep van Srebrenica hadden vanaf het begin man en paard ge noemd kunnen wobrden – zonder noemenswaardig risico voor de natie en haar democratische instituties.»

Maar in het achtste hoofdstuk (Geen helden) schiet de auteur van de weg. Daar beticht hij Dutchbat van lafheid wegens het vooropstellen van de veiligheid van de eigen manschappen en het uitblijven van «een symbolische daad van verzet»: «De gedachte dat van militairen gevergd kan worden dat zij bereid zijn te sneuvelen in het kader van de uitvoering van bevelen – historisch gezien nogal een vanzelfsprekendheid in het militair bedrijf – is in deze jaren kennelijk in onbruik ge raakt.»

Het verhaal van de Vrbanja-brug komt weliswaar niet in Van den Boogaards boek voor, hij had het goed kunnen gebruiken. Hij voert de Franse generaal Janvier op, door Nederland beschuldigd van het weigeren van luchtsteun, die tijdens een hoorzitting zegt: «Met vierhonderd Fransen zou het volledig anders zijn gegaan, want wij zouden hebben gevochten.» De vraag is of het verhaal van de Vrbanja-brug en Srebrenica verschillend uitpakten we gens de nationaliteit van de ingezette soldaten. Natuurlijk niet, ben je ge neigd te denken. De omstandigheden waren volstrekt onvergelijkbaar. Ander soort eenheden, andere bewapening, ander gevechtsterrein, andere doelstelling. Maar aan het eind van het hoofdstuk duikt socioloog Abram de Swaan op met zijn inmiddels bekende, ongenuanceerde these dat Nederlanders «laf» zijn en «vreemd en afwijzend staan tegenover alle geweld». Het is in de ogen van de auteur dus tóch een kwestie van volksaard.

Die suggestie is onzin, gezien de mentaliteit in twee van Nederlands elitekorpsen, het Korps Commandotroepen en het Korps Mariniers. Nog niet zo lang geleden liet een gefrustreerde bevelhebber der commando’s via de pers weten dat het tijd werd dat zijn mannen eens werden ingezet in een echte oorlog. Aan sneuvelbereidheid geen gebrek. Hij kreeg zijn zin: Nederlandse commando’s zijn momenteel op gevechtsmissie in Afghanistan. Een zelfde krijgslustigheid kenmerkt het Korps Mariniers. Toen schrijver dezes jaren geleden de toenmalige bevelhebber van de mariniers interviewde, moest de band worden stopgezet toen Srebrenica aan de orde kwam. Met zoveel woorden maakte de generaal duidelijk dat het in Srebrenica anders gelopen was als zijn mannen daar gezeten hadden. Minder Bosnjakse slachtoffers, veel meer Bosnisch-Servische. En ja, ook veel meer Nederlandse. Maar met dat risico leeft elke marinier, aldus de generaal. Het is de vraag of je blij moet zijn met een dergelijke mentaliteit in ’s lands elitekorpsen, maar Van den Boogaards conclusie dat het in Nederland ten enenmale ontbreekt aan vecht- en sneuvelbereidheid is bezijden de waarheid.

Wellicht was het beter geweest stil te staan bij het gebrek aan gevechtservaring in het fonkelnieuwe paradepaardje van de landmacht waaruit Dutchbat werd gevormd, de Lucht mobiele Brigade. En bij het technische defect aan de antitankwapens, de enige effectieve zware wapens waarover Dutchbat beschikte.

Het is wat dat betreft interessant om naast Zilverstad ook Herinneringen aan Srebrenica: 171 soldatengesprekken te lezen. Hendrina Praamsma, Jet Peekel en Toni Boumans vonden 171 leden van Dutchbat III (het bataljon dat in Srebrenica diende ten tijde van de aanval) bereid over hun ervaringen te vertellen. Lafheid is daarin niet te lezen. Wel de naïviteit van een gedemoraliseerd, slecht voorbereid bataljon dat voor het eerst in de vuurlinie raakt. «Het leek wel een oorlogsfilm», zegt een Dutchbatter. De filmvergelijking komt herhaaldelijk in de verhalen voor. Zo’n vergelijking zou een ervaren militair niet maken. Wie weet wat het is onder vuur te liggen, beleeft de werkelijkheid dan juist veel intenser en handelt scherper en vastberadener dan normaal. De verhalen van de geïnterviewde commando’s (er was een compagnie van hen aan Dutchbat toegevoegd) ademen een rustiger, dapperder sfeer.

Maar ook Dutchbatters deden het goed onder zware omstandigheden. Ze reden onder hevige artilleriebeschietingen van hun veilige compound terug naar Srebrenica om vluchtelingen, met hun doden en gewonden, in veiligheid te brengen en ze weigerden soms, met het pistool op het hoofd, medewerking aan de agressors. Toen het begon door te dringen dat de mannen van Srebrenica een vreselijk lot wachtte, kwam het besef dat ze niets meer konden doen: «Ik had een uzi met twintig patronen. Wat moet je daarmee? Die is geschikt voor korte afstanden. Huis- en straatgevechten», zegt een van hen. Een ander begeleidde een van de vluchtelingenkonvooien Servisch gebied in. «Ik zag lijken in de berm liggen. Ze werden in de fik gestoken, ik zag mannen op hun knieën met de handen op het hoofd, er werd links en rechts geslagen, ze kregen gewoon een nekschot. Je kunt niets doen, je moet mee met dat konvooi want dat is je opdracht. Je kunt niets beginnen tegen zo’n overmacht, alleen zo goed mogelijk waarnemen en rapporteren, zodat er later gestraft kan worden door een tribunaal. Uitstappen betekende zelfmoord.»

Het is moeilijk te zien wat voor «symbolische daad» hier gesteld had moeten worden.