Uitvaart

Het begint tijdens een lied van Marco Borsato, nota bene. Ergens in mij roert zich de cynische buitenstaander nog. ‘Een crematie is droevig’, zegt hij, ‘maar laten we de goede smaak niet uit het oog verliezen.’ Zijn woorden druipen af. Ik snuit luidruchtig mijn neus, dep mijn ogen. Al hadden ze Waarheen, waarvoor gedraaid, denk ik.

Of de openingstune van Peppie en Kokkie. Dan nog. In de kist voor in de zaal ligt een jonge man. Een jonge vader. Een boomhuttenbouwende, boekjeslezende, koekjesbakkende vader. En op de voorste bank zit Emma, zijn dochter van vier, heen en weer te wiebelen. Een hoofd vol springerige krullen, een brilletje op haar neus en een broek die, dat weet ik van de keren dat ze met mijn zoon speelt, aldoor afzakt. Ze kijkt rond, ontdekt mij en zwaait. Ik probeer te glimlachen. Het gaat me blijkbaar slecht af, want geschrokken draait ze zich weer om. ‘Wat doen alle grote mensen raar’, denkt ze misschien. ‘En wat een droevig feestje, zonder taart.’ In de zaal is het warm – de deuren naar de gang zijn open gezet. Marco Borsato zingt voor zijn dochter. ‘Maar waar je ook mag zijn, in mijn ogen blijf je altijd klein.’ Achter in mijn hoofd begint iemand nu schaamteloos een olympisch zwembad leeg te pompen. Al dat water spuit mijn ogen uit, klettert op de vloer van de aula, kabbelt over schoenen en doorweekt broekspijpen. Ik ben de enige niet, zie ik. Het waterpeil stijgt in rap tempo. Mensen gaan op de banken staan, hijsen elkaar omhoog, tillen hun tassen op. Er dobbert een krans voorbij. Als ook de kist begint te bewegen klinken hier en daar verschrikte kreten. Maar Emma vindt het prachtig. Ze waadt naar voren, hijst zichzelf er gemakkelijk op en installeert zich tussen de bloemen. Terwijl de uitvaartleider verwoed watertrappend zakdoekjes uit blijft delen drijft de kist de zaal al uit. Hij glijdt tussen de openstaande deuren door, de gang in. Emma draait zich nog één keer om, duwt haar brilletje recht en lacht. Daar gaat ze, de kleine kapitein. Borsato zingt haar na.