Uitvaart

Waarom houd ik het tijdens schrijven en luisteren makkelijker droog dan als ik bijvoorbeeld mijn eigen rede voorlees?

Op de vraag hoe ik dacht over begraven of cremeren antwoordde ik altijd: ‘Ik wil in een Komo-zak langs de straat.’ De verwerking van het stoffelijk overschot is een technische aangelegenheid en het is idioot om na de dood nog ruimte in te nemen in de vorm van een graf. Mijn moeder hing dezelfde nuchtere overtuiging aan, dus de afwikkeling van haar overlijden, een week geleden, was een sobere aangelegenheid. Ze wilde alleen naaste familie bij de uitvaart – dan ben je bij ons gauw klaar – geen bloemen, de allereenvoudigste kist, noem maar op. En zo zaten mijn vader, mijn twee zusters en ik gezellig pragmatisch zaken te regelen met de begrafenisondernemer terwijl op de achtergrond de eerste vragen opdoemden over het hoe van de ceremonie.

De mens maakt rituelen en als die maar lang genoeg bestaan lijkt het net alsof het altijd zo is geweest en zo hoort. Rituelen hebben een sociobiologische functie, maar omdat het gezin allang niet meer de hoeksteen van de samenleving is en culturen geen eng gedefinieerde reservaten meer zijn, wordt er creativiteit verwacht als het gaat om ijkmomenten als geboorte, huwelijk en dood. Begrafenisondernemers maken dat dagelijks mee. Ze zijn de antropologische sonde in wat misschien wel het zwaarst beladen ritueel van alle is: de uitvaart. Ze zien wat wij doen als er iets nieuws voor iets ouds moet worden verzonnen en wat je dan krijgt: begrafenissen met PowerPoint-presentaties, kinderen die de kist beschilderen en antroposofische teraardebestellingen op natuurbegraafplaatsen.

Bij ons was het eenvoudig: het allerkleinste zaaltje, zeventien mensen, kiezels om op de kist te leggen teneinde zoiets on-joods als een crematie toch nog een joods tintje te geven en een korte lijkrede van mij, want ik ben de schrijver.

Elf jaar geleden was bij mijn moeder alzheimer geconstateerd en hoewel ze toen nog behoorlijk ‘bij’ was, heeft ze vanaf dat moment geweigerd om erover te spreken. Dat was een van haar sterke kanten: het totaal negeren van de werkelijkheid. Daar had de oorlogsperiode en haar onderduik mee te maken. Ik herinner mij een Israëlisch onderzoek naar de effectiviteit van de twee meest voorkomende overlevingstechnieken – verdringen en onder ogen zien – en dat daaruit kwam dat verdringen goed werkte tot pakweg je zestigste, maar dat het daarna allemaal nogal moeilijk werd. Het verdringen stelde mijn moeder in staat om net te doen alsof er niets aan de hand was, maar alzheimer haalde haar natuurlijk in en toen was het verzorgingstehuis een gestage achteruitgang.

De laatste jaren was ze niet meer te verstaan, op een handvol mantra’s en eigenaardigheden na die haar blijkbaar door het leven hadden geholpen. Je mocht haar niet aanraken, je moest niet denken dat ze gek was, alles was flauwekul en je moest het ook niet hoog in de bol hebben. Makkelijk was ze niet en mijn zusters en ik bleken, gezeten rond het sterfbed, ons ook niet te kunnen herinneren dat we ooit aangehaald of geknuffeld werden. Dat we toch van haar hielden was niet alleen biologie. We voelden ook zorg en compassie voor de vrouw die Rita Hovinks ‘Laat me alleen, alleen met al mijn verdriet’ als haar lijflied beschouwde.

Ik had mijn tekst snel en zonder veel emotie geschreven. Emotie had ik de afgelopen dagen ook niet gevoeld. Ik had al jaren geleden afscheid genomen van mijn moeder. We moesten alleen nog even die uitvaart achter ons hebben.

Nu, achteraf, is me niet duidelijk waarom het voorlezen van een tekst die ik nota bene zelf had geschreven me zoveel moeite kostte. Ik heb er een gruwelijke hekel aan als mensen, door emotie overmand, zoiets niet kunnen en hier stond ik nu en moest een paar keer pauzeren. Het was niet logisch.

Zijn laatste zin was: ‘En ze zijn allemaal weg.’ Ik hoorde dat aan, tevreden

‘Het is je moeder, Spock’, zei mijn geliefde. ‘Hoezo: logisch?’

‘Ja’, zei ik, ‘maar hoe werkt dat dan?’

Want hoe-het-werkt is mijn ding. Ik ben weleens in een Spaanse hotelkamer betrapt toen ik bezig was een onverklaarbaar paneel boven het bad los te schroeven en op de vraag van het kamermeisje wat ik aan het doen was, antwoordde ik dat ik wilde weten…

Van die dingen.

Bert Natter zei dat hij het wel herkende, dat hij bijvoorbeeld weleens een verhaal aanhoorde, zonder emotie, en bij het verder vertellen aan iemand anders ineens verschrikkelijk geraakt werd. Komt het doordat schrijven, luisteren, in zekere zin tweedehands zijn, maar dat het actieve vormen van woorden, zinnen, een verhaal, ineens een ervaring is?

Ik moest terugdenken aan een interview, lang geleden, voor een documentaire over de joodse gemeente van Assen. Ik was de interviewer en de man tegenover mij was bijna twee uur aan een stuk aan het woord geweest over het omineuze ‘toen’. Zijn laatste zin was: ‘En ze zijn allemaal weg.’ Ik hoorde dat aan, tevreden met die afsluiting. Toen ik het verhaal later navertelde barstte ik in tranen uit. En nog later weer, en weer. Dat heeft jaren geduurd. Een Stanislavski-moment.

Misschien is dat het.