Uitval en rendement in het Hoger Onderwijs

‘Stel, een student valt eind november uit, wat moet hij dan met de rest van z'n jaar?’ vraagt Ivo Arnold, de opleidingsdirecteur van de Erasmus School of Economics, zich af. Hij ziet dat het vaak dezelfde soort studenten zijn die voortijdig stoppen: ‘Ze schrijven zich laat in, zijn zwak in wiskunde en hebben weinig motivatie om specifiek die studie te volgen. Ze zijn vaak ook niet op de open dagen komen kijken en schrijven zich in “omdat ze nu eenmaal moeten studeren”.’

Thijs (20) is één van de studenten die Arnold bedoelt. Hij meldde zich in augustus 2010 aan voor een studie rechten in Utrecht en begon enkele weken later. Waarom hij zich toen pas inschreef? ‘Ik twijfelde en had me niet genoeg georiënteerd. Er kwam vanuit mijn familie wel druk om naar de universiteit te gaan en ik vond zelf ook dat ik iets moest doen. Mijn vader had ook rechten gedaan en het leek me wel een interessante studie.’

Naarmate de maanden verstreken, bleek de studie toch anders te zijn dan Thijs zich had voorgesteld en hij stopte in het eerste jaar. Hij is bepaald niet de enige: in totaal stopt 34 procent van de hbo'ers en 29 procent van de universiteitsstudenten in het eerste jaar, blijkt uit cijfers van de Onderwijsinspectie. Van de studenten die wel bij hun eerste studie blijven, loopt de meerderheid studievertraging op: na drie jaar heeft slechts 22 procent van de studenten hun bachelordiploma.

De Onderwijsraad rekende eerder voor dat uitvallers en switchers de overheid 180 miljoen euro per jaar aan directe kosten opleveren, plus ruim 800 miljoen euro voor de jaren die vertraagde studenten niet op de arbeidsmarkt meedoen. Staatssecretaris Zijlstra wil hier iets aan doen en publiceerde zijn strategische agenda Kwaliteit in Verscheidenheid (zie kader), die op haar beurt weer was gebaseerd op het rapport Differentiëren in Drievoud van de commissie-Veerman uit 2010. Zijlstra’s agenda is een blauwdruk voor een cultuurverandering, maar universiteiten en hogescholen voelen weinig voor zijn plannen.

Het grootste verschil tussen die blauwdruk en het rapport van Veerman is dat Zijlstra niet meer geld in het onderwijs wil stoppen, maar er meer geld uit wil halen. Onderwijshervormingen dienen ertoe de positie van Nederland als kenniseconomie te verstevigen en het bedrijfsleven te ondersteunen. Het is vanuit die motieven dat in Zijlstra’s hervormingen student en onderwijsinstelling doel en middel tegelijk zijn: zij moeten veranderen, zonder hulp van de overheid. Er komen geen extra investeringen, maar universiteiten en hogescholen moeten zelf maatregelen nemen om hun uitgaven te beperken.

Een voor de hand liggende maatregel zou zijn om de uitval van studenten drastisch te verminderen, waarmee instellingen veel geld besparen. De belangrijkste richtlijn is hierbij dat studenten meteen de studie kiezen die bij hen past. Als ze hun studie leuk vinden, zijn ze gemotiveerder, waardoor ze minder vaak uitvallen en sneller studeren dan studenten die hun studie met tegenzin volgen. Maar hoe weten studenten welke studie ze moeten kiezen?

Ze baseren die keuze vaak op de informatie die ze krijgen van universiteiten en hogescholen. De voorlichting door onderwijsinstellingen wordt nu nog te veel als 'wervend’ in plaats van 'informerend’ beschouwd, en daar wil de staatssecretaris verandering in brengen. Door intensievere en meer waarheidsgetrouwe voorlichting moet voorkomen worden dat scholieren met een verkeerd beeld aan een studie beginnen, zoals bij Thijs het geval was.

Of dat daadwerkelijk iets uit zal halen, is sterk te betwijfelen. Want waar moeten scholieren op letten als ze informatie aan het verzamelen zijn? Wie moeten ze spreken? Hoe krijgen ze het beste beeld van een studie? Jacky Limvers werkt bij het Centrum Studiekeuze Utrecht, een bureau dat scholieren en studenten helpt bij het kiezen van een nieuwe studie. Ze heeft veel te maken met heroriënteerders, studenten die na een jaar toch met een andere studie willen beginnen. Ze vallen volgens Limvers niet per se uit omdat ze zich in eerste instantie onvoldoende hadden geïnformeerd, maar omdat ze simpelweg niet wisten waar ze op moesten letten bij het maken van hun keuze. Mede om te voorkomen dat een student de verkeerde studie kiest, wil de staatssecretaris dat de universiteit of hogeschool een actievere rol gaat spelen bij het studiekeuzeproces. Door de inschrijfdatum te vervroegen naar 1 mei kan met elke student een matching-gesprek gevoerd worden om te kijken of hij bij die opleiding wel op de juiste plaats zit. Het idee klinkt goed, maar men vermoedt niet dat het veel effect zal hebben. Bij de Erasmus School of Economics worden al dergelijke gesprekken gevoerd, maar 80 procent van de studenten die een negatief advies krijgen, begint alsnog met de opleiding. Hoewel hun uitvalkans veel hoger is en een groot deel van hen binnen korte tijd stopt, moet de universiteit ook die groep studenten accepteren en hen een plaats bieden.

Weggegooid geld, zal Zijlstra denken: als hij deze groep goed aan kan pakken, zullen de uitvalspercentages fors lager uitpakken. Hoewel de staatssecretaris op korte termijn niet verder wil gaan dan matching, wil hij op lange termijn meer ruimte geven voor selectie aan de poort, waarbij onderwijsinstellingen studenten zelf mogen selecteren en beslissen wie ze aan zullen nemen. Dit heeft als voordeel dat studenten over het algemeen gemotiveerder zijn en beter passen bij de opleiding, waardoor ze sneller zullen studeren en minder vaak uitvallen.

Het concept heeft zijn werking al bewezen bij de university colleges, weet ook Rob van der Vaart, decaan van het University College Utrecht (UCU). Toch waarschuwt hij dat landelijke invoering veel negatieve gevolgen kan hebben. Zo zal er een groep studenten zijn die niet wordt toegelaten op de universiteit. 'Daardoor drijf je, zoals Zijlstra wil, veel vwo'ers het hbo in, een onderwijsvorm die zelf lang niet alle zaakjes op orde heeft.’ En dat heeft weer gevolgen voor het budget van de universiteiten: 'Het is wel stoer om te zeggen dat je gaat selecteren en minder mensen binnenlaat, maar hoe zit het met je bekostiging? Als je dertig procent minder studenten krijgt, krijg je ook minder budget. Kan je dan nog toponderwijs bieden?’

Ook Nina Kalker, studentdecaan aan de Hogeschool Utrecht, ziet niets in het plan om landelijke selectie in te voeren. Het is beter om eerdere tekortkomingen van een student, zoals gebrekkige wiskundekennis, bij te werken en hem goed te begeleiden, dan om hem volledig te weren, vindt zij. Ze denkt dan bijvoorbeeld aan een schakelperiode van een heel of een half jaar, waarbij een aankomend student zijn kennis in de benodigde vakken bijspijkert en daarna alsnog instroomt. Dat is beter voor de studenten, maar ook voor het bedrijfsleven: 'Ik zou liever hebben dat mensen die moeite doen ook kansen krijgen. We hebben als maatschappij ook hoogopgeleide mensen nodig.’

Niet alleen studenten en de maatschappij zijn gebaat bij betere begeleiding, maar ook de universiteiten en hogescholen kunnen veel geld besparen met doelgerichte studieondersteuning. Het kan er namelijk toe leiden dat studenten meer studiepunten per jaar halen en uiteindelijk sneller afstuderen. Dat ziet Zijlstra uiteraard graag en hij wil zelfs dat studenten het normaal gaan vinden om zonder uitloop af te studeren. De Rotterdamse Faculteit der Sociale Wetenschappen gaat daar nog dit academisch jaar mee experimenteren: voor alle nieuwe eerstejaars is het verplicht om in twaalf maanden alle zestig punten te behalen. Wie punten laat liggen en daarom zijn propedeuse niet in één jaar haalt, moet vertrekken.

Het plan is geheel in lijn met de Zijlstra-doctrine, maar andere universiteiten en hogescholen staan er veelal sceptisch tegenover. Opnieuw zijn het de wat zwakkere studenten die hier veel nadeel van ondervinden, denkt Remko van der Lei van de Hanzehogeschool Groningen: 'Om zestig punten verplicht te stellen in het eerste jaar vind ik wel heftig; het zal nadelig zijn voor de bloemen in de knop, de laatbloeiers die pas een jaar later echt goed tot uiting komen.’

Sabine Jansen, manager van de bachelor Bestuur- en Organisatiewetenschappen aan de Universiteit Utrecht, betwijfelt daarnaast of het nominaal studeren wel zo belangrijk is als Zijlstra vindt. 'Hierdoor wordt het lastiger om je te onderscheiden: studenten hebben dan niet meer dan hun bachelor. Veel studenten krijgen zo niet meer de kans om hun CV op te poetsen of om extra vakkencombinaties te kiezen die een jaar uitloop noodzakelijk maken. Ik snap wel dat er grenzen zijn aan de studieduur, maar we waarderen het wel dat studenten zich in het maatschappelijk veld bezig houden. Mede daardoor staan studenten kritischer in het leven, en nemen ze ervaring mee die ze ook buiten de studie opdoen.’

Eén van de weinige plannen van de staatssecretaris waar de onderwijsinstellingen wel over te spreken zijn, is het bevorderen van binding tussen student en opleidingen. Dat vereist twee ingrepen die veel geld kosten: het verlagen van het aantal studenten per docent en het verhogen van het aantal contacturen. Met deze twee maatregelen voelt de student zich meer verbonden met een opleiding, waardoor hij gemotiveerder is en dus minder snel uitvalt, zo is het idee.

De overheid wil daar echter niet voor betalen, dus de instellingen zullen zelf aan geld moeten zien te komen. Een manier om dat te doen zou zijn door zich specialiseren op enkele vakgebieden - ook wel 'profileren’ genoemd. Op dit moment bieden universiteiten en hogescholen nog een breed scala aan opleidingen aan, van fiscale economie tot theaterwetenschap, en dat kost te veel geld. Instellingen kunnen veel besparen als ze zich zouden beperken tot een kleiner aantal kerngebieden.

Zelfs grootscheepse profilering zal echter niet voldoende opleveren om de extra investeringen in de hoeveelheid docenten en contacturen te kunnen financieren. De komende jaren zal er zelfs verlies geboekt worden op dat proces, omdat de reorganisatie in eerste instantie geld kost en pas op termijn geld zal opleveren. De overheid zou dan kunnen besluiten om tijdens de eerste jaren van de profilering bij te springen en zo voor de lange termijn onderwijsinvesteringen veilig te stellen, maar door dat niet te doen, gaat Zijlstra voorbij aan twee belangrijke feiten.

Zo investeren de landen om ons heen miljarden in onderwijs. Onder het kopje 'Haast is geboden: zie om u heen en huiver’ roept de commissie-Veerman dan ook op tot extra investeringen 'als Nederland daadwerkelijk tot de top van kenniseconomieën wil behoren’, omdat we 'achterop raken ten opzichte van de koplopers’. Daarnaast verdienen de investeringen zichzelf ook deels weer terug: door het verbeteren van de binding tussen student en opleiding wordt het uitvalspercentage verlaagd en het rendement verhoogd, wat weer zorgt voor lagere kosten in het hoger onderwijs.

'Kwaliteit heeft een prijs’ zeiden drie van de geïnterviewden onafhankelijk van elkaar. Zolang Zijlstra echter niet bereid is om die prijs te betalen, moet hij er dan ook niet van staan te kijken als ook de komende jaren dertig procent van de studenten in het eerste jaar uitvalt.


Wat Zijlstra wil

In zijn strategische agenda Kwaliteit in Verscheidenheid zet Zijlstra zijn visie voor het onderwijslandschap in 2025 op papier. Hij wil uitval verlagen, en rendement en kwaliteit in het hoger onderwijs verbeteren. Een selectie uit de doelstellingen:

  • Betere studievoorlichting door meer waarheidsgetrouwe informatie van de kant van de onderwijsinstellingen.
  • Een vervroegde inschrijfdatum, waardoor er in de periode tussen die datum en het begin van de studie matching-gesprekken gehouden kunnen worden om te zien of de student bij de opleiding op de juiste plek zit.
  • Kleinschaliger onderwijs, onder meer door de staf-student-ratio te verlagen en het aantal contacturen te verhogen.
  • Een 'ambitieus studieklimaat’ waarin nominaal afstuderen (precies binnen de tijd die ervoor staat, bijvoorbeeld drie jaar voor een universitaire bachelor) normaal is.
  • Selectie aan de poort voor opleidingen als het university colleges, alsmede voor opleidingen 'waar de onderwijskwaliteit door te grote groepen studenten onder druk staat’.