Uitverkoren

Wie zijn hele leven in slechtigheid heeft gezwelgd, zal tegen het eind best een enkele goede daad willen doen. En omgekeerd.

Wie het kalme lam met het wilde zwijn wil zien liggen, mag er ook bij zijn. Poot van dan. Toch ook zeker omdat het van de koude zomer naar de koude winter neigt. Doorgaans zie je alleen maar zijn biefstuk op de plank. Of zijn rug in de etalage.
Ik wilde poot proeven. Waar is de rest? Zwijns’ slager bellen. Het was niet moeilijk om hem aan de praat te krijgen. Zwijns’ poot was een tweede. Kamelenbult, ja! Staart van gnoe ook! Schenkel? kefte ik. Boeuf! blafte hij terug. Noem maar op? Ik lispelde van gigot en jarret. Van vrijdagavond en zaterdagmorgen. De hele Goudsbloemdwarsstraat (Tweede) luisterde mee.
Is het voorts niet opvallend, opvallende zwijnslager, dat Darius Milhaud een groot werk noemde naar de bekende eetgelegenheid in Parijs: Le Boeuf sur le Toit. Waar ook Proust en Cocteau hun tanden in hebben gezet. Allebei verzot op de daar geboden gaufrettes de céleri, een uiterst ongecompliceerde bereiding van selderijknol. Uit dikke knol twee, wellicht drie, gave cilinders met een middellijn van vijf centimeter beeldhouwen. In zeer dunne plakken snijden en deze kort bakken in een daartoe uitverkoren olie. Zout erop strooien en er een andere spijs aan terzijde laten gaan.
Spreek ik voor mijn beurt wanneer ik de lamsnier daarvoor zou verkiezen? Knol kan natuurlijk ook naast lamspoot. Maar waarom wel gaufrette en geen sanglier? Kan iemand mij dat expliquer?