Profiel: Henry David Thoreau, de eerste ontspuller

Uitvinder van burgerlijke ongehoorzaamheid

Het beeld van Thoreau als verwilderde kluizenaar behoeft bijstelling. Achter zijn oproep tot eenvoud, die zo duidelijk klinkt in Walden, schuilen zorgen over een economisch systeem dat ten koste gaat van natuur en arbeiders. ‘Walden is een oproep tot morele actie.’

Op vrijdag 4 juli 1845, Onafhankelijkheidsdag, loopt de Amerikaanse schrijver, klusjesman en potlodenmaker Henry David Thoreau het bos in om in een hut te gaan wonen. Om ruimte te maken voor zijn kleine houten onderkomen hakt de 27-jarige Thoreau enkele maanden daarvoor de eerste bomen om bij Walden Pond, het meer vlak bij de stad Boston aan de oevers waarvan hij wil verblijven. Hij neemt niet veel dingen mee op de kar die hij begin juli het bos in trekt: zijn schrijfspullen, een groene schrijftafel, een klein tafeltje, drie stoelen en een bed. Hij woont er twee jaar en twee maanden. ‘Zijn verhuizing’, schrijft zijn meest recente biograaf, ‘zal niemand hebben verbaasd. Maar het feit dat hij alle uren in zijn boshuis zou doorbrengen maakte van hem een pionier – geen westerse maar een innerlijke.’

Die ‘pioniersreis’ beschrijft Thoreau in Walden, een boek dat hij op verzoek van nieuwsgierige buurtgenoten schreef en dat in 1854 werd gepubliceerd. ‘Ik ging de bossen in’, zo luidt misschien wel de meest aangehaalde zin uit dat boek, ‘omdat ik bewust wilde leven, om me alleen met het wezenlijke bezig te houden en te onderzoeken of ik niet kon leren wat het leven me moest leren, zodat ik niet op mijn sterfbed zou moeten ontdekken dat ik niet geleefd had.’

Hoewel Walden zonder al te veel aplomb verscheen – en desondanks uitgroeide tot een klassieker – is het boek op dit moment in Nederland aan een bescheiden opmars bezig. In 2019 verscheen al weer de vijfde Nederlandse herdruk sinds 2015, na een eerste druk uit 2006. Toch opvallend voor een honderdzeventig jaar oud boek dat in 1898, met de stichting van Frederik van Eedens Bussumse kolonie Walden, voor het laatst in Nederland enig serieus teken van leven gaf.

Maar hoe verbazingwekkend is die hernieuwde interesse in Walden? Zelf kon ik het enkele jaren geleden niet nalaten zinnen te onderstrepen die mij, als journalist die zich bedolven voelde onder de intensiteit van het dagbladleven en de door internet almaar uitdijende nieuwscyclus, uit het hart gegrepen leken. ‘Ik weet zeker’, schrijft Thoreau, ‘dat ik nooit enig gedenkwaardig nieuws heb gelezen in de krant. Als we lezen dat iemand bestolen is, of vermoord, of per ongeluk gedood, of dat er een huis is afgebrand of een schip is vergaan, of een stoomboot ontploft, of dat een koe is overreden op de Western Railroad, of een dolle hond is gedood, of dat er een zwerm sprinkhanen is waargenomen in de winter – hoeven we dat niet nog eens te lezen. Eén keer is genoeg.’

Inmiddels voelt Walden anno 2020, terwijl de Australische oostkust door de versnelde opwarming van de aarde in brand staat, actueler dan ooit. Met Walden presenteert Thoreau zich namelijk als een van de eerste no impact men van het Antropoceen. Precies aan het begin van die periode, en het ontluikende industriële tijdperk, bouwt Thoreau eigenhandig een hut met lokale materialen, brengt alleen essentiële meubelstukken mee en verbouwt zijn eigen voedsel. De bosmarmot die bonen uit zijn tuin opvreet, stelt Thoreau voor een ethisch dilemma: doodt hij het dier om zijn eten veilig te stellen of heeft die marmot in feite evenveel recht op voedsel als hijzelf? Thoreaus bosexperiment is de verwezenlijkte droom van de vegetarische hipster.

Thoreau haakt met zijn experiment ook aan op een andere trend die in het afgelopen decennium de wereld heeft veroverd: ‘ontspullen’. Door te benadrukken dat de mens slechts een aantal meubelstukken nodig heeft voor een goed leven presenteert Thoreau zich in Walden als de negentiende-eeuwse variant van de nu immens populaire Japanse opruimgoeroe Marie Kondo. Haar oproep tot ontspullen, populair bij een groeiende groep mensen die merkt dat spullen niet bevredigen, waarde rond 1850 al rond door de bossen nabij Boston.

‘Eenvoud, eenvoud, eenvoud!’ schrijft Thoreau: ‘Ik zeg u, laat u in met twee of drie zaken, niet met honderd of duizend; tel in plaats van een miljoen een half dozijn, en maak uw boekhouding op de nagel van uw duim.’ Als een ware minimalist, en de officieuze stichter van de Tiny House Movement, schrijft Thoreau in Walden: ‘Je bent rijker naarmate je je kunt veroorloven van meer dingen af te zien.’

In de populaire verbeelding is Thoreau bekend komen te staan als de man die zich met zijn vlucht naar de bossen afkeert van de samenleving. Hij is de brahmaan die de natuur opzoekt voor herbezinning en introspectie. In Cabin Porn, de boekversie van een populaire blog over ’s werelds mooiste natuurhutten, is een huisje opgenomen op een Frans schiereiland met precies dezelfde afmetingen als Thoreaus hut. Die Franse modernistische replica staat op een rots, met uitzicht over de Atlantische Oceaan. Ver verwijderd van pensioenstakers en gele hesjes.

Maar dat beeld van Thoreau als heremiet of verwilderde kluizenaar klopt niet, benadrukt Laura Dassow Walls in haar in 2017 verschenen Henry David Thoreau: A Life. Achter zijn oproep tot eenvoud, die zo duidelijk klinkt in Walden, schuilen volgens haar juist Thoreaus zorgen over de gevolgen van een groeiend mondiaal handelsnetwerk dat in gang is gezet door de industriële revolutie. Die ontwikkeling transformeert Thoreaus eigen Concord van een lokaal dorp in een buitenwijk van het grote Boston. En van een lokale economie, ondersteund door boerderijen en handarbeid, tot een schakelpunt in een mondiaal netwerk. ‘In plaats van druk bezig te zijn met geld verdienen om de laatste spullen uit Azië en Europa te kunnen kopen’, schrijft Dassow Walls, ‘riep hij op tot de cultivering van ons innerlijke zelf en de gemeenschap. Thoreau riep op tot spirituele groei, geen materiële.’

‘Thoreau ziet met eigen ogen de geboorte van het Antropoceen’, zegt Dassow Walls als ik haar eind december per telefoon spreek vanuit haar woonplaats South Bend, Indiana, de stad waar Democratisch presidentskandidaat Pete Buttigieg tot voor kort burgemeester was en waar Dassow Walls als hoogleraar in de Engelse literatuur lesgeeft aan Notre Dame, een grote katholieke universiteit. ‘Het valt Thoreau op hoe lokale rivieren worden ingedamd voor de textielindustrie, met grote gevolgen voor de oevers en de visstand. Tekenend voor de menselijke invloed op de natuur vindt hij de katoenen soldatenuniformen die vanuit de Krimoorlog naar Boston worden verscheept om hergebruikt te worden. Die uniformen moesten eerst in de rivier gewassen worden. Thoreau ziet met eigen ogen hoe de rivier rood kleurt met het bloed uit een oorlog die op een ander continent woedt.’ >

Van grote invloed is ook de intrede van de stoomtrein. In 1843 rijdt de eerste trein direct langs Walden Pond. Als Thoreau in 1848 zijn hut verlaat, zijn dat er inmiddels twintig. Dassow Walls: ‘Door die treinen gaat niet alleen de kanaalbootcultuur verloren, ook de natuur verdwijnt.’ De bossen waar Thoreau als kind speelde, worden gekapt zodat producten van over de hele wereld via de haven van Boston en de trein over Amerika kunnen worden verspreid. ‘Tegelijkertijd leven er in de bossen rondom Walden Pond honderden slechtbetaalde Ierse arbeidsmigranten in armoedige hutten’, benadrukt Dassow Walls, ‘zij hebben dat treinspoor aangelegd. Thoreau komt dus niet te wonen in een pastorale idylle, maar vlak bij een spoorweg en uitgebuite arbeiders. In Walden laat hij ons de dramatische gevolgen zien van de wereldhandel: natuurvernietiging en arbeidsuitbuiting. Die ontwikkeling schokt hem.’

‘Ik zeg u, laat u in met twee of drie zaken, niet met honderd of duizend.Je bent rijker naarmate je je kuntveroorloven van meer dingen af te zien’

Dassow Walls heeft die verandering zelf meegemaakt. Ze groeit op op Mercer Island, een eiland voor de kust van Seattle dat in enkele decennia verandert in een plek voor de west coast-elite. ‘Het is nog steeds ontzettend pijnlijk om terug te gaan’, zegt ze. ‘In mijn jeugd is het eiland een stille plek, met een grote appelgaard vlak bij mijn huis waar rustig gespeeld kan worden. In mijn tienerjaren – Thoreau heb ik dan al ontdekt – wordt alles vernietigd om ruimte te maken voor een enorme snelweg. Die prachtige appelgaard uit mijn jeugd bestaat niet meer. Het lukt ons alleen om een binnenmeer te redden, die we omdopen tot Walden West. Als ik Walden lees, denk ik: dit is mijn verhaal. Mercer Island is de reden dat ik mijn leven heb gewijd aan Thoreau. Zijn verhaal is precies hetzelfde als dat van mij.’

Dassow Walls’ boek komt uit in het tweehonderdste geboortejaar van Thoreau, vijftig jaar na de laatste serieuze biografie. ‘Deze geweldige nieuwe biografie’, jubelt The New York Times in 2017, ‘had niet op een beter moment kunnen verschijnen.’ Naast lovende kritieken levert de biografie Dassow Walls ook enthousiaste e-mails op van over de hele wereld, van Australië, China en Japan, tot Rusland, Noorwegen en Zuid-Amerika. De vloedgolf van hartstochtelijke reacties neemt bij haar een zorg weg die ze enkele jaren daarvoor uitte naar collega’s: dat Thoreaus boodschap dreigt te verdwijnen. ‘Thoreau heeft altijd trouwe lezers gehad en na zijn dood in 1862 beseft men al dat hij een geweldig schrijver is. Maar dankzij de verschijning van een biografie in Engeland rond 1890 wordt hij beroemd en groeit hij uit tot de bijna bijbelse figuur die iedereen op de middelbare school moet lezen.’

Rond 1980 ziet Dassow Walls hoe het respect voor Thoreau verdwijnt. ‘Te midden van de opkomst van het feminisme en zwarte schrijvers kom ik aanzetten met een aan Harvard afgestudeerde witte man. Ik had plots een berg te beklimmen. Dat hij nu weer in beeld is, voelt als een redelijk recent fenomeen. Vijftien jaar geleden dacht ik dat het klaar was met Thoreau. Hij was Mister Wilderness. Hij sprak op geen enkele manier aan.’

Maar Walden is flessenpost, zegt Dassow Walls. ‘Thoreau wil een hoopvol verhaal bieden. Hij laat zien dat we, door spullen te kopen, allemaal medeplichtig zijn aan het in stand houden van een economisch systeem dat ten koste gaat van natuur en arbeiders. Maar individuen hebben volgens Thoreau de macht om een kapot systeem te repareren. Dat wil hij met zijn boek bereiken. Walden is een oproep tot morele actie.’

Henry David Thoreau wordt op 12 juli 1817 geboren in het tweeduizend inwoners tellende dorpje Concord, vlak bij Boston. Ook dat dorp, en de gehele Amerikaanse oostkust, kampt in dat jaar nog met de gevolgen van de uitbarsting van de Indonesische vulkaan Tambora in 1815. Door de uitbarsting mislukken wereldwijd oogsten, iets wat de spaarzaamheid en eenvoud in het gezin Thoreau noodgedwongen vergroot. Na een studie klassieke talen aan Harvard komt Thoreau in 1837 terug naar zijn geboortedorp om les te geven en te werken in de succesvolle potlodenfabriek van zijn vader.

In datzelfde jaar wordt de basis voor Walden gelegd. Tijdens een zes weken durend verblijf in een hut op het landgoed van een studiegenoot reflecteert Thoreau voor het eerst over de handelsgeest en het lot van zijn jaargenoten, voor wie de toekomst er somber uitziet. Amerika kampt op dat moment met de ergste economische crisis uit zijn nog jonge geschiedenis. Door ongereguleerde speculatie en landelijke banksluitingen stort de huizenmarkt in, gaan fabrieken op slot en trekken arbeiders uit protest de straat op. In een speech stelt Thoreau dat handel de morele vrijheid vernietigt en mensen tot slaven maakt. Dat idee, dat ook terugkomt in het transcendentalisme van zijn leermeester Ralph Waldo Emerson, verwerkt hij jaren later in Walden.

‘Ik las Walden op de middelbare school en het boek sloeg in als een bom’, zegt Bill McKibben per mail in reactie op vragen over Thoreau. De Amerikaanse schrijver en milieuactivist is niet alleen de eerste die, met The End of Nature (1989), de opwarming van de aarde bij een breed publiek bekendmaakt. Hij is ook een groot Thoreau-fan en verzorgt in 1997 een geannoteerde versie van Walden, die hij tevens inleidt. In een voetnoot biecht hij op ‘enkele kilometers van Walden Pond’ te zijn opgegroeid. ‘Ik ging er als kind vaak heen, meestal om gewoon te zwemmen’, zegt McKibben nu. ‘Sinds ik het boek als tiener las, kan ik het niet meer loslaten.’

Wat bij de jonge McKibben beklijft is het nonconformisme van bosbewoner Thoreau, de ‘uitvinder’ van burgerlijke ongehoorzaamheid. Walden is geen boek voor mensen die graag de laatste trends volgen, of erbij willen horen. ‘De hoofdaap in Parijs zet een reispet op, en alle apen in Amerika doen het hem na’, schrijft Thoreau over ‘de Mode’. McKibben: ‘Wat mij als tiener zo aanspreekt is exact hetzelfde wat vele andere jonge geesten grijpt – het idee dat we in ons leven niet de gebaande paden hoeven te volgen.’

In zijn Walden-inleiding dicht McKibben het boek blijvende zeggingskracht toe. De belangrijkste vraag die het volgens hem opwerpt is: ‘Hoeveel is genoeg?’ In een hoog ontwikkelde consumptiemaatschappij als de onze is, door een permanent bombardement van reclames, het antwoord op de vraag al bij voorbaat duidelijk: ‘meer’. McKibben noemt ‘wat is genoeg?’ dan ook een van de meest ontwrichtende en noodzakelijke vragen die tegenwoordig gesteld kunnen worden. ‘We verdrinken in spullen’, zegt hij. ‘Thoreau voorzag een tijd dat de wereld een stuk minder spullen bezat. Hij voelde dat geweldig aan.’

De Nederlandse heruitgave van Walden uit 2019, de vertaling uit 2006 van Anton Haakman, wordt ingeleid door de Italiaanse schrijver Paolo Cognetti. In zijn bestseller De buitenjongen (2017) besluit de naamloze hoofdpersoon na het lezen van Walden zich in een hut terug te trekken om zijn leven te overzien. In zijn inleiding prijst Cognetti Thoreaus eigen eenvoud: ‘In plaats van zijn huis te verwarmen, kiest Henry ervoor aan de kou te wennen. Zijn oplossing voor honger is spaarzaam zijn met energie en met weinig eten toe te kunnen.’ Het is ‘een harde leerschool’, schrijft de Italiaanse auteur: ‘Wie zonder geld wil leven moet zijn behoeften tot het minimum beperken en zichzelf nogal wat geneugten ontzeggen.’ Maar het is de moeite waard. Want vereenvoudigen, concludeert Cognetti, leidt tot een beter leven: ‘Weglaten. Snijden tot op het bot: daar begint de zoektocht naar geluk.’

‘Op dit moment staat de gigantische toename van spullen niet gelijk aan een grote toename van tevredenheid. Daar moeten we wat dieper over nadenken’

McKibben is het daarmee eens. Het antwoord op de vraag ‘wat is genoeg?’ heeft ‘uiteraard te maken met geluk’, zegt hij. ‘Op dit moment staat de gigantische toename van spullen niet gelijk aan een grote toename van tevredenheid. Dat lijkt me iets waar we met z’n allen wat dieper over na moeten denken.’

Wie dat nu al een kleine tien jaar doen, zijn de Amerikaanse bloggers Joshua Fields Millburn en Ryan Nicodemus. Zij zegden in 2009 goedbetaalde banen op bij een Amerikaanse telecomgigant uit onvrede over het feit dat hun groeiende salaris niet parallel liep met hun geluksgevoel. ‘Het materieel bezit dat we vergaren zal ons niet gelukkig maken’, schrijven ze in hun boek Minimalism: Live a Meaningful Life (2011), een uitvloeisel van theminimalists.com, de blog waarmee ze naar eigen zeggen inmiddels al twintig miljoen mensen tot eenvoud hebben bekeerd.

‘Toen ik los begon te laten voelde ik me vrijer, gelukkiger en lichter’, stelt Fields Millburn in de Netflix-documentaire Minimalism: A Documentary about the Important Things uit 2016. Alles wat hij tegenwoordig bezit heeft een doel, zegt hij in de slaapkamer van zijn bescheiden ingerichte tweekamerappartement. ‘Een bed, een stoel, een radio, wat meubels in mijn eetkamer, wat apparaten in mijn keuken. Ik heb geen overtollige spullen. Alles wat ik om me heen zie, moet ik kunnen verantwoorden: voegt dit iets toe aan mijn leven? Zo niet, dan moet ik het loslaten.’

Maar loslaten wordt volgens beide minimalisten bemoeilijkt door conformisme en kuddegedrag, iets waar Thoreau al tegen ageert. ‘Conformisme is het middel waarmee we ons drogeren’, zo luidt de eerste zin van hun boek. ‘Niet gelukkig? Koop dit. Koop dat. Koop iets. Keep up with the Joneses, the Trumps, the Kardashians. Ten slotte kun je precies worden als zij, toch?’ In hun boek roepen ze op het juk van die ‘invloedrijke consumentencultuur’ af te werpen: ‘Geluk, als je het ons vraagt, wordt bereikt door het leven betekenis te geven, door een leven te leiden dat vol zit met passie en vrijheid, een leven waarin je kunt groeien en op een betekenisvolle manier kunt bijdragen. Dat zijn de fundamenten onder geluk. Niet spullen!’

McKibben ziet die groeiende groep eenvoudsbelijders als de ware navolgers van Thoreau. Zij bereiken volgens hem met hun boeken en seminars een klein maar significant deel van de bevolking dat zich materieel verzadigd begint te voelen en verlangt naar iets meer. ‘Er zijn inmiddels miljoenen Amerikanen die “vrijwillige eenvoud” nastreven’, constateert McKibben al in zijn Walden-inleiding. Net als Thoreau gaan ze volgens hem in een lange lijn terug op Boeddha, ‘een lijn die recht door Jezus en Sint Franciscus en een honderdtal andere slechtgehumeurden en goeroes loopt. Eenvoud, rust en stilte – dit waren de voorwaarden voor een moreel leven, een echt leven, een filosofisch leven.’

‘Ik denk dat je Walden het best kunt zien als een tijdcapsule’, zegt McKibben nu. ‘Niemand besteedt veel aandacht aan het boek als het verschijnt, omdat je nu eenmaal zo overgevoelig als Thoreau moet zijn om te begrijpen wat er aankomt. Maar elke generatie is het boek meer en meer en meer gaan waarderen.’

Om eenvoud na te streven en daarmee misschien iets te doen aan de opwarming van de aarde is er volgens McKibben – medeoprichter van 350.org, de wereldwijde actiegroep die klimaatprotesten organiseert – wel meer nodig dan een boek. ‘Ik denk dat we de politieke en economische fundamenten moeten veranderen om dit voor mensen makkelijker te maken. Op individueel niveau volstaat een boek – thank heaven for Thoreau’s experiment. Maar als we echt iets aan klimaatverandering willen doen, zullen we dat als samenleving moeten aanpakken.’

In de herfst van 2015 barst er in de Verenigde Staten een strijd los over de mens Thoreau. Aanstichter is een even hilarisch als goed onderbouwd artikel, ‘Pond Scum’, in The New Yorker, waarin Thoreau wordt weggezet als een ‘arrogante mensenhater’ en ‘humorloze hypocriet’.

Om zijn misantropie te bewijzen wordt in het artikel de wandeling aangehaald die Thoreau in 1849 maakt op het strand waar, op dat moment, de laatste lichamen aanspoelen van een op de kust stukgeslagen ‘hongerschip’ met Ierse migranten. Thoreau beschrijft het dramatische voorval in zijn postuum verschenen Cape Cod (1865). Alleen is Thoreau, ondanks de vele doden, niet onder de indruk van het tafereel. Hij schrijft dat als hij slechts één lichaam op het strand had aangetroffen, ‘op een eenzame plek’, het schouwspel hem ‘meer geraakt’ had. Thoreau heeft blijkbaar ‘meer sympathie voor de wind en regen’, schrijft de auteur van ‘Pond Scum’. ‘Zijn medemens heeft dezelfde status als een deurmat.’

En dan is er nog Thoreaus hypocrisie. Want wat hij volgens het New Yorker-artikel in Walden nalaat te vermelden, is dat hij een twintig minuten durende wandeling verwijderd is van zijn ouderlijk huis in Boston. En daar geregeld op de thee komt. Dat zowel moeder als zussen wekelijks met eten op bezoek komen, en dat het ‘eenzame’ Walden Pond in de zomer bezocht wordt door vele picknickende gezinnen en wandelaars, en door schaatsers in de winter.

Voor wie wil weten hoe het écht is om in de wildernis van negentiende-eeuws Amerika te wonen, is er volgens ‘Pond Scum’ een uitstekend alternatief: het werk van Laura Ingalls Wilder, ‘die opgroeide op de prairies en werkelijk woonde in een klein huis in een groot woud’. Wilders’ boeken, uitgegeven als de tevens verfilmde reeks Het kleine huis op de prairie, zijn niet alleen blijmakender en interessanter dan Walden, maar ook nog eens benauwender. ‘Echte afzondering betekende echte gevaren, zowel emotioneel als fysiek.’ Op Twitter verschijnen vele steunbetuigingen voor ‘Pond Scum’: ‘This is the Thoreau takedown I have been waiting for my entire life. Thank you.’

Thoreau wordt ook verdedigd. Hoewel de vernietigende conclusies van ‘Pond Scum’ niet worden weerlegd, hoeft er volgens een artikel in The Atlantic niet lichtzinnig te worden gedaan over Thoreaus belangrijkste bijdrage: het idee dat onrechtvaardigheid – Thoreau was een fel tegenstander van slavernij en gaf als een van de eersten een stem aan de onderdrukte indianen – in een gemeenschap iedereen raakt: een echo die volgens het artikel te vinden is bij schrijvers als Ta-Nehisi Coates en het protest tegen klimaatverandering.

Maar Bill McKibben, die in de jaren tachtig als verslaggever voor The New Yorker werkte, zegt nooit wat van het verwijt van hypocrisie begrepen te hebben. Sterker nog, hij wuift het weg als onzin: ‘Thoreau bouwt voor een paar dollar een hut in de bossen. Hij is een schrijver. Hij schrijft een magnifiek boek en leeft een voorbeeldig leven. Wat wil je nog meer?’