Giotto, Pinksteren, ca. 1305. Fresco © Scrovegni-(Arena-)kapel, Padua, Italië

Deze zware zomer heb ik de Divina Commedia weer ter hand genomen. Langzaam heb ik bijvoorbeeld nog in Inferno gelezen. In die onderwereld was het altijd donker. Die duisternis werd ons al uitgelegd eigenlijk in de laatste regel van canto 4 waar Dante’s gids Vergilius hem leidt naar waar niets meer licht geeft: e vegno in parte ove non è che luca. Die schitterende, wonderlijke zin heeft iets definitiefs. Want wat doet een schrijver als het stikdonker is terwijl hij door moet schrijven om verder te vertellen. In Dante’s schrijven zit een ruime verbeelding die zeker gevoed wordt door wat hij onderweg ziet en meemaakt. Zo gebruikt in zijn schilderkunst ook vriend Giotto wat hij zag. Hoewel het donker was in de hel moet er toch een vaal soort licht zijn geweest. Het was zeker doods en roerloos.

Toen ik in Inferno las, begon ik me de sinistere scènes in zulk sinister licht ook zo voor te stellen. De hel was donker maar er kwam, ergens vandaan, grijs licht bij om te kunnen zien wat de dichter had geschreven. In de laatste canto’s van Inferno zitten de schimmen van zondaars ingevroren in ijs. Wij zijn nu diep in de hel en de kou is onbeschrijflijk. Het grijs dat ik zag was zonder kleur. In canto 34 staat hoe de schimmen door het ijs heen schenen net als stro door glas. Vanuit dit loodzwaar ijzig dieptepunt vinden Dante en Vergilius uiteindelijk een smal verborgen pad om naar het lichtrijk terug/ te keren; zonder nog aan rust te denken// bestegen wij, eerst hij, dan ik, die weg/ totdat, door ’n ronde opening, van verre/ ik al het moois zag dat de hemel draagt.

Ze komen aan de voet van de Louteringsberg. Het is de tweede cantica van de Divina Commedia. Die steile berg, Purgatorio, moeten zij bestijgen: een weg vol met beproevingen om zich zo van zonden schoon te wassen. Maar het is mooi zonnig weer daar. Maar vooral: het licht straalt en is helder van kleur. Natuurlijk voelen ze zich anders, veel vrijer, waardoor ze ook dingen weer zien die in de hel niet te zien waren geweest. Dante keek naar boven en om zich heen (Purg. 1) en zag een zoete kleur als van saffier uit ’t Oosten/ die zich in ’t heldere aanschijn van een lucht,/ zo puur als ’t ondermaans kan zijn, vergaarde,// gaf aan mijn ogen de verrukking terug/ zodra ik aan de dode lucht ontsnapt was/ die oog en hart in droefheid had gehuld.

Giotto, Pinksteren, ca. 1305. Fresco © Scrovegni-(Arena-)kapel, Padua, Italië
Wij zijn nu diep in de hel en de kou is onbeschrijflijk

Wat uit deze verzen wel blijkt, is dat die machtige wereld van licht en kleur ook voor Dante een bevrijding was. Hij was pas net bij de berg. Nu al merkte de dichter dat argeloos kijken naar de natuur, ook naar kleine details van omgeving, zoveel vrijer was. In het zonlicht was meer keuze in wat te zien was. In de dode lucht van de hel waren de kleuren grijs geweest, eigenlijk donker. De scènes waren hard en onverbiddelijk geweest, zo ook de woorden. Wat hij nu kon zien was letterlijk kleurrijker.

Verderop in Purgatorio, canto 8, komen ze zomaar aan bij het zuiverst goud en zilver, purper, loodwit/ en indigo, het lichtend heldere hout,/ smaragd, nog vers, wanneer het net gekloofd is… Een overdaad van kleuren en meer beweging ook in het zachte bewegen van de woorden. Toen vroeg ik me af of Dante en Giotto ooit samen met elkaar over kunst gepraat hebben – in een kapel waar Giotto aan het schilderen was. Misschien kon Dante verzen voorlezen van zijn laatste canto. Het is niet te zeggen, maar waarom eigenlijk niet?

Links en rechts van het altaar in de Arena-kapel bevinden zich op de onderste rij, pal tegenover elkaar, twee fresco’s die in opzet sterk verwant zijn. Eén is een verbeelding van Het laatste avondmaal (dat wil zeggen de Pesach-viering de avond voordat Jezus gevangen werd genomen). Dan de viering van Pinksteren, tegelijkertijd het neerkomen van de Heilige Geest over de apostelen die bij elkaar zaten. Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag. Er verschenen aan hen een soort vlammen die zich als vuurtongen verspreidden. Dat gebeurde kort nadat de gekruisigde Jezus in een wolk in de hemel was opgenomen.

Beide scènes vonden plaats in een open vertrek. In maat en architectuur lijken ze op elkaar. Tegelijkertijd zijn het heel verschillende vertellingen. Het avondmaal is melancholisch van vertoning. De gezichten staan zacht. De stemming is nadenkend. Er wordt rond de tafel zacht gepraat. Het licht in het vertrek is gedempt in kleur.

Daarmee vergeleken ziet de verbeelding van Pinksteren er veel harder, formeler uit. Het vertrek is gotisch van vorm. Met zuilen en spitsbogen lijkt de ruimte eerder op een kleine kerk dan op een kamer. De apostelen zitten onbeweeglijk, als ouderlingen, naast en tegenover elkaar. Hun stijve gestalten zitten kaarsrecht. Het lijkt alsof ze zwijgen. Boven hun hoofd ontploft er een vuurwerk. Onbeweeglijk ernstig ondergaan zij het heilige wonder: er werd tenslotte een kerk gesticht. Misschien hadden ze daarover kunnen praten, de schrijver en de schilder, hoe het met hun werk ging: het krabbelen van woorden, verhalen vertellen, het verven van kleuren op witte muren, en nog veel meer waar moderne kunstenaars zoal mee zitten. Dat waren zij, en uitvinders.


PS: Ik heb de Dante-vertaling gebruikt van Rob Brouwer: Primavera Pers, Leiden