Willem Maas, Jacques Gans: Biografie

Uitvreter die kon schrijven

Willem Maas

Jacques Gans: Biografie

Uitg. De Prom, 200 blz., € 26,50

In zijn proloog van Jacques Gans: Biografie noemt neerlandicus Willem Maas «twee goede redenen» voor het boek. Ten eerste is het schrijven ervan een «daad van rechtvaardigheid», aangezien Gans in een tijd van polarisatie de geschiedenis is ingegaan als een «berucht Telegraaf-journalist, terwijl hij veel meer was dan dat». Ten tweede vindt Maas Gans’ leven «interessant op zichzelf». In beide dingen heeft hij gelijk.

Jacques Gans (1907-1972) zegt op zijn 21ste zijn baan bij een Amsterdamse uitgever op en vertrekt met wat gespaard geld naar Parijs om zich in Stendhal en Corbière te storten. Ook moet hij daar het caféleven hebben ontdekt. In Montmartre vindt Gans zijn eerste kamer en komt hij in contact met Leo Faust, eigenaar van een restaurant waar Nederlanders aanspoelen. Van de Sacré Coeur trekt hij al snel naar de linkeroever, het Quartier Latin. «Als ik een hart heb, ligt het hier», zal hij later schrijven. Zijn «Parijsche brieven» verschijnen in verschillende Nederlandse dagbladen.

Op een caféterras spoort communist Nico Rost Gans aan om met de communisten te gaan vechten tegen de nazi’s in de straten van Berlijn. Hij gaat er schrijven voor het CPH-dagblad De Tribune. Maar Gans raakt snel teleurgesteld in de gestaalde partijkaders. Een gewelddadige confrontatie met de nazipartij durft men niet aan. Een mars op de Rijksdag in januari ’33 valt bloedeloos uiteen.

Gans keert terug naar Parijs en polemiseert over het communisme in het prestigieuze blad Forum van Menno ter Braak en Eddy du Perron. Steeds meer begint hij in te zien dat van de partijpolitiek niet al te veel valt te verwachten. Literatuur komt op de eerste plaats.

Vlak voor de oorlog geeft Gans in Parijs het literaire tijdschrift Ce vice impuni: la lecture uit. Maas publiceerde hierover de fraaie bloemlezing De onbestrafte zonde van Jacques Gans. In 1940 verschijnt Liefde en goudvissen, de roman over de bohémien in Parijs die trouwt met een burgerlijk ingesteld meisje: het huwelijk strandt. Het boek wordt goed ontvangen; Ter Braak en Du Perron hebben het eerste hoofdstuk nog net onder ogen gehad.

Als zoon van een joodse vader vlucht Gans samen met een oude schoolvriend via Frankrijk en Spanje naar Engeland, waarvan hij in 1952 verslag doet in de roman Het vege lijf. Gans ontdekt in Londen dat er in regeringskringen plannen bestaan om na de bevrijding de democratie tijdelijk buiten werking te stellen en een zogenoemd Militair Gezag in te voeren. Hij kopieert belastende stukken en het kabinet-Gerbrandy is in rep en roer. Interessant is dat Gans hierover uitvoerig spreekt met koningin Wilhelmina en dat die wel gevoelig blijkt voor de argumenten tegen het beoogde regime: ze weigert haar handtekening onder het wetsvoorstel te zetten.

Na de oorlog keert Gans terug naar Amsterdam. Teleurgesteld in de politiek, temeer als hij vaststelt dat premier Drees troepen naar Indonesië stuurt voor de politionele acties. Gans heeft er een doelwit bij: de PvdA. Hij gaat schrijven voor de Haagse Post van G.B.J. Hiltermann, die hij eerder «Hitlerman» noemde — ten onrechte, aangezien de hoofdredacteur de levens van verschillende joden redde. Gans werpt zich op als reactionaire stem van Nederland. Tot ieders verbijstering stapt hij zelfs over naar De Telegraaf. Die krant bleek wel iemand te kunnen gebruiken met een onbesmet oorlogsverleden.

W.F. Hermans maakte (daartoe uitgedaagd) al gehakt van Gans en nu doet de pers er nog een schepje bovenop. De schrijver van Liefde en goudvissen wordt een paria: hij komt de cafés niet meer in zonder kleerscheuren. Totdat de jonge Henk Hofland en Remco Campert hem in Scheltema voorzichtig uitnodigen aan hun tafeltje. Gans blijft met zijn grijze lokken en Franse kranten een opzienbarende verschijning. Op 64-jarige leeftijd bezwijkt hij aan een galaanval, die zijn hart niet verdraagt. Hij heeft er dan zojuist een legaat van 10.000 gulden doorheen gejaagd.

Veel uit de biografie is al beschreven door anderen of door Gans zelf, maar de verdienste van Maas is dat hij feiten van fictie scheidt. Omdat Gans zich nogal eens vergiste in jaartallen is het goed dat de biograaf gedegen speurwerk in archieven heeft verricht. Alle jaartallen kloppen. Daardoor doet het verhaal hier en daar wat schematisch aan. Iets meer «stoffering», bijvoorbeeld met bloemrijke citaten van geïnterviewde bronnen, had best gemogen.

Onnodig is dat de biograaf Gans’ «onnavolgbare virtuositeit als uitvreter» en «uitvretersmoraal» zo benadrukt. Gans leende zijn leven lang bij iedereen geld en had veel openstaande caférekeningen. Maar daar staat tegenover dat hij als ware bohémien nooit te beroerd was een rondje te geven als hij wél geld had.

Martin van Amerongen meende dat «de publieke bezienswaardigheid en politieke querulant Gans ons het zicht op de schrijver Gans heeft ontnomen». Willem Maas biedt een nieuwe generatie lezers alsnog dat zicht. Terecht. Het is allerminst zeker dat de schrijver Gans nu de plaats krijgt die hij verdient. Want één vraag blijft onbeantwoord: hoe is het mogelijk dat zijn mooie romans Liefde en goudvissen en Het vege lijf, herdrukt tot ver na de Telegraaf-tijd, nog altijd niet zijn aangeslagen bij het grote publiek?