Europese Literatuurprijs 2021

Uitweidingen van een kleinzoon

Verhalen kunnen eindeloos opnieuw verteld worden, volgens Stanišić © Frank Rumpenhorst / DPA /ANP

Als het om het thema gaat (multicultureel, actueel), de stijl (gevoelig, geestig) en de conclusies (humaan, politiek correct) is Herkomst van Saša Stanišić de perfecte kandidaat voor een literaire prijs die ‘Europa’ in zijn titel draagt.

Dat is meteen ook een beetje het probleem van deze autobiografische roman, die verhaalt over de lotgevallen van een jongen die met zijn moeder de oorlog in Joegoslavië ontvlucht, opgroeit in Duitsland en schrijver wordt. In een reeks korte hoofdstukjes – soms reportage, dan weer herinnering of fantasie – probeert hij ordening aan te brengen in wat hij heeft meegemaakt, om daar op virtuoze wijze niet in te slagen. Steeds opnieuw slaat hij zijpaden in, heden en verleden lopen door elkaar, afwisselend belicht hij de grote geschiedenis van Europa en de kleine van de familie Stanišić uit Visegrád.

Het boek loopt al op zijn eind wanneer de schrijver, naar mijn idee ten overvloede, alsof hij zijn eigen vertelkunst niet helemaal vertrouwt, toch nog zijn ondubbelzinnige geloofsbrieven op tafel legt met een klap die de glaasjes op de keukentafel zou doen trillen, ware het niet dat er op dat moment geen sprake van een keuken is maar van een kerkhof, waar op de grafstenen van de voorouders evengoed de zelfgestookte brandewijn kan worden genuttigd. Hij schrijft dat hij religieuze mensen niet begrijpt: ‘Ik begrijp niets van het volharden in het principe van de natie en van mensen die van zoete popcorn houden. Ik begrijp niet dat afkomst eigenschappen met zich mee moet brengen, en ik begrijp niet dat sommige mensen bereid zijn oorlog te voeren in naam van hun afkomst.’

Maar ik zou juist wél willen begrijpen, of in ieder geval kunnen navoelen, waarom mensen zulke krankzinnige ideeën hebben en er zulke bloedige consequenties aan verbinden. Daar hoop ik op bij een boek als dit. Al wil ik graag toegeven dat Stanišić, zoon van een Servische vader en een Bosnische moeder, ook boeiend over kwesties als popcorn schrijft, over zijn favoriete voetbalclub Rode Ster Belgrado, over zijn geboortestad met het beruchte hotel waar tientallen vrouwen door Servische nationalisten zijn vermoord en verkracht, over opgroeien als vluchteling in Duitsland, over zijn ouders die uiteindelijk worden uitgewezen omdat Bosnië weer ‘veilig’ is, over de parkeerplaats van een tankstation in Heidelberg die zijn toevluchtsoord wordt, over zijn liefde voor de romantische poëzie van graaf Joseph von Eichendorff en zijn afkeer van vakwerkhuizen. En dat is nog lang niet alles. Uitweidingen, geeft hij toe, zijn nu eenmaal zijn ding. Je hoeft geen onderscheid te maken tussen hoofd- en bijzaken, verhalen kunnen eindeloos opnieuw verteld worden zonder dat het tot een afgerond einde komt, wisselende omstandigheden zetten de gebeurtenissen immers steeds in een nieuw licht.

Een afgerond verhaal? Het woord ‘einde’ komt niet één, maar wel tien keer voor

Het vertellen van verhalen kan bovendien voor afleiding zorgen, bijvoorbeeld wanneer je de confrontatie nog niet aan wilt met de naderende dood van je grootmoeder. Die grootmoeder groeit uit tot de fascinerendste figuur van het boek. Een sterke vrouw, die in Visegrád is gebleven en haar kleinzoon meeneemt naar het afgelegen dorp in de bergen waar ze zijn grootvader tot de hare gemaakt heeft. Ze worden er hartelijk ontvangen, met drank en met anekdotes waarin dieren menselijke eigenschappen blijken te hebben en de hele omgeving mythische proporties lijkt aan te nemen, de bergen, de weiden, de vervallen huizen. In de woonkamer van de dorpsoudste staan op een ereplaats, naast de televisie, de portretten van de moordenaars Mladić en Karadžić.

Grootmoeder Kristina lijdt aan dementie, haar wazige heden wordt steeds dichter bevolkt door gebeurtenissen en figuren uit een ook al niet betrouwbaar verleden. De klein-zoon gaat daarin met haar mee. Ontvoert hij haar werkelijk uit het verzorgingstehuis en bezoeken ze nog één keer het dorp? En dat gerommel dat ze daar horen, is dat onweer, kanongebulder, of zijn het draken die het op hun leven voorzien hebben en die verdacht veel lijken op figuren uit een computerspel? Wie zal het zeggen? De schrijver niet.

Om de onzekerheid te benadrukken gebruikt Stanišić in het laatste deel van zijn boek een truc die we kennen uit Julio Cortázars klassieke roman Rayuela: de lezer krijgt de keus uit verschillende volgordes om de hoofdstukjes te lezen en ook het woord ‘einde’ komt niet één, maar wel tien keer voor, waarbij het natuurlijk de vraag is of de versie die als laatste en waar gebeurde wordt gepresenteerd dat ook werkelijk is.

En dus biedt het boek ook geen oplossing voor de spanning tussen volk en familie, politiek en liefde, herkomst en bestemming die het thematiseert – niet in de vorm van een ontlading en al evenmin door het verzoenen van standpunten. Het eindigt in een melancholie die je zowel Duits als Slavisch zou kunnen noemen, wanneer je tenminste in iets twijfelachtigs als een volksziel gelooft.

Herkomst is in de Duitse pers vrijwel unaniem geprezen en werd in 2019 bekroond met de Deutscher Buchpreis. Maar de schrijver toonde zich in zijn dankwoord ontdaan, hij sprak van ‘halve vreugde’. Die ochtend was namelijk bekend geworden dat Peter Handke de Nobelprijs zou krijgen. Handke schreef in de jaren negentig en ook recent nog over de burgeroorlog in Joegoslavië en vroeg daarbij soms, maar bepaald niet altijd, op goede gronden begrip voor het Servische standpunt. Net als Stanišić betreurt hij het verdwijnen van de multiculturele staat zoals die bestond onder Tito. De betere schrijver heeft niet altijd gelijk – en omgekeerd. Ik vroeg me af: wat als Handke, zoon van een Sloveense moeder, een oom van Stanišić was geweest?