Uitzetting met fatale afloop

BEGIN DIT JAAR boekte Hans van Mierlo een voor Nederlandse begrippen opmerkelijk internationaal succes. Op een topontmoeting in Qatar wist hij de conservatieve Golfstaten over te halen de Iraanse fatwa tegen Salman Rushdie af te keuren. De veroordeling was verpakt in een dikke laag diplomatieke watten, maar het was een resultaat waarop Nederland zich als voorzitter van de Europese Unie kon laten voorstaan. ‘Hier kan ik mee thuiskomen’, zei de minister voldaan.

Op hetzelfde moment vocht een Iraanse winkelier in een Nederlands asielzoekerscentrum voor een verblijfsvergunning omdat hij uitgerekend door de Rushdie-affaire in problemen was gekomen. Zijn broer, een managementdocent uit Teheran die De duivelsverzen in het Farsi had vertaald en daarom voor zijn leven vreesde, had in Nederland asiel gekregen. Omdat hij de aantekeningen van deze broer had verborgen, liep de winkelier nu ook gevaar. Niet voor niets is de prijs op Rushdies hoofd onlangs verhoogd tot vijf miljoen gulden. De duivelsverzen wordt in Iran als een staatsgevaarlijk boek beschouwd. Wie het bezit of ernaar verwijst, loopt het risico om als mohareb oftewel ‘strijder tegen god’ ter dood te worden gebracht.
Hoewel de man dus evenzeer als zijn broer in aanmerking kwam voor erkenning, kreeg hij van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een negatieve beschikking. Volgens het vigerende ambtsbericht van Buitenlandse Zaken was de toestand in Iran sinds de islamitische revolutie van 1979 'geleidelijk verbeterd’, en wel zozeer dat terugzending van asielzoekers in beginsel verantwoord was. Zelfs de verwijzing naar de publicitair toch zo gevoelige zaak-Rushdie vermocht de IND niet te vermurwen. De man ging in hoger beroep en wacht nu alweer twee maanden op een nieuwe beschikking. Mocht die ook negatief zijn, dan rest hem alleen nog de gang naar de rechter. Al die tijd is hij - net als honderden andere Iraanse asielzoekers - gedwongen tot een bestaan in ledigheid, heen en weer geslingerd tussen de verlokkingen van het vrije Nederland en de angst om te worden teruggezonden.
DIE ANGST IS volkomen terecht. Ondanks de verkiezing van de als gematigd geafficheerde president Khatemi is Iran nog steeds een politiestaat. De marges waarbinnen kritiek is toegestaan zijn tegenwoordig weliswaar wat breder, maar ze blijven te smal voor degenen die fundamentele bezwaren hebben tegen het theocratische bewind en daaraan openlijk uiting willen geven. Het land is dit jaar voor de veertigste maal op rij door de VN-commissie voor de mensenrechten veroordeeld wegens grove schendingen van de mensenrechten. De speciale VN-rapporteur voor Iran, de Canadese jurist Maurice Copithorne, heeft de laatste jaren een aantal vernietigende rapporten uitgebracht over de positie van vrouwen, religieuze minderheden en oppositiegroeperingen in Iran. In het licht van al die gegevens is de Haagse discussie over de ambtsberichten van Buitenlandse Zaken en de stopgezette monitoring van uitgezette Iraniërs volstrekt irrelevant.
De macht is onverminderd in handen van de orthodoxe mulla’s rond geestelijk leider Ali Khamenei. De nieuwe minister van Staatsveiligheid Najafabadi zei in zijn eerste officiële toespraak dat wat hem betrof alle Iraniërs in dienst van zijn ministerie zijn. De officiële statistieken bevestigen het beeld van politionele alomtegenwoordigheid. Sinds vorig jaar is het aantal arrestaties bijna verdubbeld; per dag worden gemiddeld tweeduizend mensen opgepakt. Het aantal gedetineerden is in een jaar gestegen met veertig procent, zodat de autoriteiten moskeeën en bibliotheken moeten vorderen om er gevangenen onder te brengen. Op een persconferentie in juni zei de directeur van het gevangeniswezen dat op dat ogenblik meer dan twintigduizend verdachten langer dan zes maanden zonder vorm van proces vastzaten.
De bewering in het jongste ambtsbericht (van 5 juni 1997) dat het aantal executies afneemt, is in strijd met de bevindingen van Amnesty, Human Rights Watch, rapporteur Copithorne en diverse zelforganisaties van Iraanse vluchtelingen. Volgens de gegevens van Amnesty is het aantal executies vorig jaar zelfs gestegen ten opzichte van 1995. Ook dit jaar lijkt er geen kentering te zijn opgetreden. De Iraanse vereniging Nabard in Middelburg heeft een overzicht samengesteld van de executies en arrestaties in de eerste negen maanden van dit jaar, gebaseerd op gegevens uit louter officiële bronnen, zoals de regeringsgetrouwe kranten en het persagentschap Irna. Hieruit blijkt dat sinds 1 januari 81 mensen zijn terechtgesteld. Van hen vonden er 37 de dood door openbare ophanging en twee door steniging; de overigen werden in de gevangenis ter dood gebracht.
Twee vrouwen werden geëxecuteerd wegens overspel, negen mensen op grond van oppositionele activiteiten. Een van de slachtoffers was de advocaat en levenslange mensenrechtenactivist Mohammad Assadi (68), die sinds de islamitische revolutie zesmaal is gearresteerd. De laatste keer werd hij langdurig gemarteld en vervolgens ter dood veroordeeld wegens staatsgevaarlijke activiteiten, lidmaatschap van de vrijmetselarij en spionage voor Israel. Assadi werd op 9 augustus terechtgesteld. Dit is het land waar volgens het laatste ambtsbericht van Buitenlandse Zaken 'de repressie in het algemeen is afgenomen’.
UITERAARD VERMELDEN de officiële Iraanse bronnen niet hoe het de teruggestuurde asielzoekers vergaat. Zoals nu bekend is geworden, is de Nederlandse overheid evenmin op de hoogte van hun lotgevallen. Maar dat wil niet zeggen dat ze goed terecht zijn gekomen. Integendeel, uit naspeuringen van vluchtelingenorganisaties blijkt dat zij qualitate qua gevaar lopen. In de Iraanse staatsmedia worden teruggekeerde asielzoekers uitgemaakt voor 'landverraders’, 'ketters’ en 'idioten’. De regeringskrant Keyhan noemde hen in maart van dit jaar 'erger dan het aidsvirus’ en schreef dat zij zich 'vanaf het moment dat zij vluchtten hebben aangesloten bij de doden’. De vluchtelingen zijn met andere woorden vogelvrij. Een simpele beschuldiging van drugshandel of spionage is al voldoende om hen voor jaren achter de tralies te brengen.
Hoewel Buitenlandse Zaken beweert dat er in het algemeen geen reden tot ongerustheid is, kent de Iraanse vluchtelingenorganisatie Prime in Den Haag wel degelijk gevallen van vermoorde, vermiste of mishandelde asielzoekers. Prime-voorzitter Ahmed Pouri: 'Volgens onze gegevens zijn zeker vijf uitgezette asielzoekers slecht aan hun einde gekomen. Tenminste drie van hen zijn vermoord.’ Met het oog op het kamerdebat van deze week heeft Prime de namen en omstandigheden van de slachtoffers openbaar gemaakt. Zo is de vluchteling Reza Morrhabi, die anderhalf jaar geleden werd teruggestuurd, door een revolutionaire rechtbank ter dood veroordeeld en drie maanden geleden geëxecuteerd. Een tweede asielzoeker, Reza Hashemi Agdam, keerde twee jaar geleden 'vrijwillig’ terug naar zijn vrouw in Iran. Na een week verdween hij spoorloos, drie maanden later kreeg zijn vrouw van de politie bericht waar zijn graf was. De oorzaak van zijn overlijden was bij de autoriteiten onbekend, een medisch attest ontbrak.
In andere gevallen was de afloop even dramatisch, al staat de verantwoordelijkheid van de overheid niet vast. Pouri: 'Een uitgezette man die in Iran weer politiek actief werd, kreeg onder verdachte omstandigheden een auto-ongeluk en raakte verlamd. Hij ligt nu als een plant ergens in een ziekenhuisbed te vegeteren. Een andere man, vorig jaar uitgezet, zit al sinds zijn aankomst in de gevangenis omdat de familie de verlangde borg van dertigduizend gulden niet kan betalen. Een derde, die twee jaar geleden “vrijwillig” terugging, sprong op de dag na zijn aankomst van de achttiende verdieping. Het onderscheid tussen moord en zelfmoord is soms moeilijk te maken. Door de lange procedure, de onzekerheid en angst zien mensen geen perspectief meer. Ze keren dan uit wanhoop “vrijwillig” terug, tarten opzettelijk het lot. Ze plegen liever dáár zelfmoord dan zich hier in een opvangcentrum in brand te steken. Zo hopen ze de ogen van de Nederlandse autoriteiten te openen.’
NEDERLANDSE en Iraanse (zelf)organisaties hebben de afgelopen jaren bij herhaling verontrustende gegevens over teruggezonden vluchtelingen aan de betrokken ministeries aangeboden, maar staatssecretaris Schmitz van Justitie en haar collega Patijn van Buitenlandse Zaken ontkennen die informatie te hebben ontvangen. De stichting Aida, die bedreigde Iraanse kunstenaars, schrijvers en journalisten bijstaat, vond haar meldingen aan het adres van Buitenlandse Zaken nooit terug in de ambtsberichten. Medewerker Koushyar Parsi: 'Dan meldden wij bijvoorbeeld bij BuZa dat een journalist was gearresteerd en in gijzeling werd gehouden, maar in het eerstvolgende ambtsbericht stond er niets over.’
Vluchtelingenadvocaat Bogaers is niet verbaasd. Bogaers: 'Men wil zulke informatie niet tot zich laten doordringen. Buitenlandse Zaken werkt in alle landen waar asielzoekers vandaan komen uiterst slordig. Dat gebeurt ook in Somalië en Zaïre. Ik heb meegemaakt dat een Zaïrese vluchteling, die ik tevergeefs had verdedigd, kort na zijn uitzetting langs de weg werd gevonden: doodgeschoten. De ambtsberichten zijn volslagen subjectief, de conclusies worden niet gestaafd en zijn onjuist of onvolledig. Dat is geen kwestie van nalatigheid, dat is opzet. Potentiële asielzoekers moeten worden afgeschrikt. Ondanks alle beweringen van het tegendeel voert Nederland een restrictief beleid.’
Ook de toestand in de asielzoekerscentra draagt hieraan bij. Vorig jaar ondernamen meer dan honderd asielzoekers een zelfmoordpoging. Mensen staken zich in brand, verhingen zich of sprongen uit de spaarzame open ramen of dakluiken omdat ze het isolement, de uitzichtloosheid en de angst om te worden teruggestuurd niet konden verdragen. De asielprocedure duurt in het slechtste geval drie jaar, terwijl vluchtelingen met een voorwaardelijke verblijfsvergunning niet weten of en wanneer ze zullen worden teruggestuurd. Eigenlijk trekken alleen de kerken zich werkelijk iets aan van het leed achter de prefab-wanden en zoevende toegangssluizen van de IND. De rond dertienhonderd uitgeprocedeerde Iraniërs zijn gered door het kerkasiel dat de Raad van Kerken hun aanbood. Na een wanhoopsestafette van nachtwakes, tentenkampen, zelfverbrandingen en hongerstakingen heeft Justitie zich nu laten vermurwen tot opschorting van hun uitzetting.
DE TEGENSTELLING TUSSEN woord en daad is typerend voor het hele Europese asielbeleid. Ministers putten zich uit in nobele verklaringen en weren intussen zo veel mogelijk vluchtelingen van Europese bodem. Nederland werkt daar - ondanks retorische protesten tegen het verdrag van Schengen en andere restrictieve overeenkomsten - loyaal aan mee. Door middel van periodieke publiciteitscampagnes in kranten als De Telegraaf worden groepen asielzoekers in een negatief daglicht gesteld. Minister Sorgdrager droeg onlangs haar steentje bij met de uitspraak dat Iraanse asielzoekers 'vaak’ beroepscriminelen zijn. Hóe vaak wist zij niet, want zij had de informatie ook maar opgedaan uit een paar individuele dossiers.
Zo wordt bewust een klimaat van wantrouwen geschapen. De bijbehorende terminologie doordrenkt zo langzamerhand het hele politieke discours. Het asielbeleid kent zijn grenzen, luidt de grappig bedoelde titel van de jongste brochure over het vreemdelingenbeleid. Toen een Boeing vol Tamil-vluchtelingen pardoes op Schiphol landde, weerklonk alom de klacht dat Nederland kennelijk nog niet 'waterdicht’ was. Want daar gaat het om, ondanks alle nota’s waarin ons asielbeleid als 'rechtvaardig maar streng, humaan doch sober’ wordt omschreven. De aloude presumptio innocentiae (het uitgangspunt dat een asielzoeker te goeder trouw is zolang het tegendeel niet is aangetoond) is allang verlaten. Wordt het niet tijd om openlijk toe te geven dat asielzoekers in Nederland niet welkom zijn? 'Als je vindt dat Nederland vol is, wees dan eerlijk’, zei Bogaers deze zomer. 'Zeg niet dat je zo christelijk bezig bent om het Vluchtelingenverdrag na te komen, want dan lieg je.’
Nu een ambtenaar van Buitenlandse Zaken plompverloren heeft gezegd dat de monitoring van uitgezette Iraniërs al in december vorig jaar is stopgezet, is ook het laatste vijgeblad gevallen. Schmitz bezwoer dat ze het niet wist en bood haar excuses aan. Patijn wist het wel, maar had het door 'inschattings- en communicatiefouten’ niet tijdig doorgegeven. Per slot waren er sinds 1 januari 'maar zestien asielzoekers naar Iran teruggestuurd’. Volgens de vluchtelingenorganisatie Inlia zijn er van die zestien al vier in problemen gekomen, maar in zulke informatie is Buitenlandse Zaken niet geïnteresseerd.
Het jongste ambtsbericht (van 5 juni 1997) meldt dat 'het regime zijn positie heeft geconsolideerd; de repressie is in het algemeen afgenomen’. De makers bestaan het om te verklaren dat er 'geen gevallen bekend zijn van steniging op grond van het plegen van overspel’, terwijl de Iraanse media zoals gezegd dit jaar al twee gevallen van steniging hebben gemeld. Verder stelt het stuk dat 'in de afgelopen periode voor zover bekend geen politieke processen hebben plaatsgevonden’. Is het de opstellers ontgaan dat de activist Mehrdad Kalani op 22 juni vorig jaar ter dood is gebracht, onder meer omdat hij - aldus het vonnis - met een buitenlandse delegatie had gesproken en dus een 'spion’ was?
Buitenlandse Zaken heeft beloofd om in december met een nieuw ambtsbericht te komen. Een commissie zal speciaal met dat doel een bezoek aan Iran brengen. Teheran heeft al laten weten dat de commissie weinig bewegingsruimte krijgt. Huisbezoeken aan uitgezette asielzoekers zullen worden beschouwd als een ongewenste inmenging in de binnenlandse aangelegenheden. Oppositionele politici die het wagen om met de Nederlandse delegatie te praten, lopen het risico als spion te worden opgepakt en de doodstraf te krijgen.